Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/700029-15 Datum uitspraak: 4 februari 2016 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [voornamen] [verdachte], geboren te Frederiksberg (Denemarken) op [geboortedatum] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie. Raadsvrouw mr. W. Drummen, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 21 mei 2015, 11 augustus 2015, 20 oktober 2015, 14 december 2015, 21 januari 2016 en 22 januari 2016(vul vestigingsplaats advocaat in). Op laatstgemelde twee data is de zaak inhoudelijk behandeld. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (moord) 4.1.1. Standpunt officier van justitie/verdediging De officier van justitie is van oordeel dat er enkele punten in het dossier zijn die er op wijzen dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade zou hebben gedood. Daar staan volgens de officier van justitie echter dusdanige contra-indicaties tegenover, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is geweest van ‘voorbedachte raad’. Op grond daarvan heeft de officier van justitie tot vrijspraak van het onderdeel ‘voorbedachte raad’ gerekwireerd. De raadsvrouw bestrijdt dat er aanknopingspunten zijn om ‘voorbedachte raad’ aan te nemen. Zij heeft er op gewezen dat nergens uit blijkt dat de verdachte van plan was om [slachtoffer] op de bewuste dag met geweld om het leven te brengen. Er was sprake van een ruzie waarbij de verdachte [slachtoffer] in een gemoedsopwelling bij de keel heeft gegrepen. Dat er geen sprake was van een vooropgezet plan en evenmin van voorbereidingen daartoe blijkt ook uit verdachtes geïmproviseerde handelwijze nadat hij had geconstateerd dat [slachtoffer] geen teken van leven meer vertoonde. 4.1.2. Beoordeling De rechtbank overweegt het volgende. Uit het dossier valt op te maken dat gaandeweg het huwelijk van de verdachte en [slachtoffer] problemen tussen hen zijn ontstaan en dat de verdachte op een gegeven moment - om welke reden dan ook - voornemens was een einde aan de relatie te maken. In dit verband wijst de rechtbank bijvoorbeeld op de brief die namens de verdachte in november 2014 is gestuurd naar de IND en waarin werd gemeld dat hij en [slachtoffer] uit elkaar waren. Deze brief kon er toe leiden dat de verblijfsvergunning van [slachtoffer] zou worden ingetrokken. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat deze brief niet op zijn initiatief en zonder zijn medeweten is verstuurd, maar de rechtbank acht deze verklaring zeer ongeloofwaardig. Een ander voorbeeld betreft de in het dossier aan de verdachte toegeschreven bedenkelijke zoekslagen op internet, zoals het zoeken naar soorten gif en waterdieptes. Ook ten aanzien daarvan heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. Voornoemde feiten en omstandigheden op zichzelf beschouwd zouden weliswaar kunnen wijzen op een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven in de zin van ‘voorbedachte raad’, maar zij zijn niet in verband te brengen met wat er op 25 januari 2015 heeft plaatsgevonden. Zoals de rechtbank later in dit vonnis uitgebreid zal overwegen is [slachtoffer] overleden als gevolg van een fysieke confrontatie met de verdachte en niet doordat haar bijvoorbeeld gif is toegediend. Nadien is haar lichaam ook niet in het water gegooid, maar begraven in de bossen. Daarnaast zijn de contra-indicaties in het dossier, zoals het zoeken naar een geschikte plek in Drenthe om het lichaam van [slachtoffer] te begraven en het ophalen van de benodigde spullen om haar lichaam te verpakken en te begraven - hetgeen pas ná de fatale ruzie met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden -, van zodanige aard dat deze de aanwezigheid van ‘voorbedachte raad’ in grote mate tegenspreken. Ten slotte is de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ook niet gebleken dat de verdachte met vooropgezette bedoelingen op 25 januari 2015 de fysieke confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan en dat hij haar daarbij overeenkomstig zijn voornemen heeft gedood. Daarvoor ontbreekt simpelweg het wettig en overtuigend bewijs. 4.1.3. Conclusie De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] . 4.2. Bewijswaardering 4.2.1. Standpunt officier van justitie/verdediging De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en heeft voor het bewijs van dit feit verwezen naar de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte, het sectierapport d.d. 28 april 2015 opgemaakt door arts en patholoog M. Buiskool en de deskundigenverklaring ter terechtzitting van voornoemde Buiskool. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte tijdens een ruzie in een gemoedsopwelling [slachtoffer] slechts korte tijd bij de keel heeft gepakt, [slachtoffer] vervolgens aan haar keel naar zich toe heeft getrokken en daarna [slachtoffer] van zich af heeft geduwd, waarbij [slachtoffer] ten val is gekomen op de bank achter haar. De verdachte had geenszins de bedoeling dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Het handelen van de verdachte was een ongeluk, zodat het opzet op de dood (de rechtbank begrijpt: het zgn. ‘boos’ opzet) ontbreekt. Daarnaast is er volgens de raadsvrouw ook geen sprake van voorwaardelijk opzet, omdat het kort bij de keel pakken van een persoon, het aan die keel naar zich toetrekken en vervolgens van zich afduwen over het algemeen niet snel zal leiden tot de dood. De verdachte heeft door aldus te handelen niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden. Dat in dit specifieke geval de dood wel is ingetreden, kan niet tot de conclusie leiden dat er wel een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen causaal verband kan worden aangenomen tussen het handelen van de verdachte en het letsel van [slachtoffer] nu de patholoog geen definitieve uitspraak heeft kunnen doen over de precieze doodsoorzaak. 4.2.2. Beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De doodsoorzaak Op 15 februari 2015 is er sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . De arts en patholoog M. Buiskool stelt in haar sectierapport het volgende: “Bij sectie werden inwendig in de hals bloeduitstortingen vastgesteld en de breuken aan het strottenhoofd werden bevestigd. Deze letsels waren bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld aan de hals al of niet in combinatie met stomp botsend geweld. Onder (samen)drukkend geweld aan de hals wordt verstaan: manuele verwurging, verhanging of strangulatie veroorzaakt door een ligatuur (anderszins dan bij verhanging), waarbij een combinatie ook mogelijk is. Er was geen snoerspoor aan de hals. Het ontstaan van de letsels in de hals in combinatie met de afwezigheid van een snoerspoor is waarschijnlijker indien er sprake is geweest van manuele verwurging dan indien sprake is geweest van verwurging met behulp van een ligatuur of verhanging. Het intreden van de dood kan goed worden verklaard door verwikkelingen van bovengenoemd geweld op de hals, via het mechanisme belemmering van de bloed(zuurstof)toevoer naar de hersenen (door samendrukken van de grote halsvaten al dan niet in combinatie met samendrukken van de luchtpijp).” De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] met zijn rechterhand in een “v-vorm” bij haar hals heeft vastgepakt waarbij zijn duim en wijsvinger zich aan weerszijden van haar hals bevonden. Hij heeft haar vervolgens op deze manier naar zich toe getrokken waarbij hij zijn duim en andere vingers enigszins om haar hals heeft geklemd en hij heeft haar op die manier - korte tijd - vastgehouden en toegesproken, waarna hij haar van zich af naar achteren heeft geduwd. Ter terechtzitting heeft de deskundige Buiskool verklaard dat de breuken aan weerszijden van het strottenhoofd van [slachtoffer] kunnen worden verklaard door de samenknijpende beweging zoals de verdachte ter terechtzitting verklaard heeft te hebben gemaakt. Bij een dergelijke beweging, dus vanaf zijwaarts beiderzijds en middenwaarts op de hals, zijn de bij sectie geconstateerde breuken aan weerszijden van het strottenhoofd als klassiek letsel aan te merken, aldus de patholoog. Uit voornoemde bevindingen van de patholoog leidt de rechtbank af dat de stelling van de raadsvrouw dat de patholoog geen definitieve uitspraak heeft kunnen doen over de precieze doodsoorzaak niet juist is. De patholoog concludeert immers dat het overlijden goed kan worden verklaard door verwikkelingen ten gevolge van uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld aan de hals en dat het aangetroffen letsel past bij de verklaring van de verdachte ten aanzien van het uitgeoefende geweld op de hals van [slachtoffer] . De rechtbank acht aldus op basis van de verklaring van de verdachte, het hiervoor genoemde sectierapport en de verklaring van de arts en patholoog Buiskool ter zitting, wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van de letsels die zijn ontstaan door manuele verwurging. Opzet De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat voor ‘boos’ opzet op de dood van [slachtoffer] het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake zou zijn van voorwaardelijk opzet en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaring van de verdachte wat betreft de duur van het vasthouden van [slachtoffer] bij de keel niet geloofwaardig acht. Zoals de deskundige Buiskool ter terechtzitting heeft verklaard moet het geweld van de verdachte aan de keel van [slachtoffer] immers substantieel zijn geweest en gedurende enige (langere) tijd hebben aangehouden om de dood te kunnen laten intreden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte [slachtoffer] langere tijd dan een kortstondige greep bij de keel heeft vastgehouden. De rechtbank merkt voorts op dat het een feit van algemene bekendheid is dat indien de keel van een persoon gedurende enige tijd wordt dichtgeknepen, zoals de verdachte dat gelet op het geconstateerde letsel moet hebben gedaan, deze persoon hierdoor kan komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat dit gebeurt aanmerkelijk is te achten. De verdachte moet zich hiervan ook bewust zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is de geweldshandeling van de verdachte zo zeer gericht geweest op de dood van [slachtoffer] dat hij daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard en aldus heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. 4.2.3. Conclusie De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015 te Rotterdam en/of Ruinen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] (geboren op 14 november 1989) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.