vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/501624 / HA ZA 16-484 Vonnis van 7 december 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TWIGT GRAFIMEDIA B.V., gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas, eiseres, advocaat mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. Ph. Ekering te Rotterdam. Partijen zullen hierna Twigt en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis (brief) van 24 augustus 2016, het proces-verbaal van comparitie van 25 oktober 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Zorn Uitgeverij B.V. (verder Zorn) heeft een onderneming gedreven die zich blijkens haar inschrijving in het handelsregister bezig hield met: “het vervaardigen, doen vervaardigen, uitgeven of doen uitgeven van schoolbehoeften en aanverwante artikelen, tijdschriften, boeken, week- en dagbladen en van alle objecten, grafisch of niet grafisch vervaardigd, welke zich lenen voor exploitatie, alsmede het verwerven van agenturen.” 2.2. [gedaagde] was middellijk directeur grootaandeelhouder van Zorn. 2.3. In december 2014 heeft [gedaagde] zich tot borg gesteld voor een schuld van Zorn aan Mediacenter. Mediacenter houdt 50% van de aandelen in Twigt. 2.4. Twigt heeft in opdracht van Zorn drukwerk verzorgd en aan haar geleverd. Hiervoor heeft Twigt de volgende facturen aan Zorn gezonden: factuur 240996 d.d. 24-10-2014 € 2.117,50 factuur 242629 d.d. 19-01-2015 € 2.862,00 factuur 510356 d.d. 30-03-2015 € 31.375,30 factuur 510357 d.d. 30-03-2015 € 2.420,00 totaal € 38.774,80. Deze facturen hebben een betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum. 2.5. De voormelde facturen van 30 maart 2015 hebben betrekking op drukwerk dat op 20 februari 2015 door Twigt aan Zorn is geleverd. De voor de levering van dat drukwerk door Twigt verlangde aanbetaling van € 12.500,- heeft niet plaatsgevonden. 2.6. Bij e-mail van 20 maart 2015 (onderdeel van productie 2 bij conclusie van antwoord) heeft [gedaagde] aan [medewerker] van Twigt – voor zover hier van belang – medegedeeld: “[…] We hebben bekeken of we al een deel zouden kunnen betalen van deze facturen i.v.m. jullie papierbestelling. Ik had het graag gedaan maat het is helaas niet gelukt. […] Zoals je weet gaat het om het Albert Heijn project [Ik eet het beter] en jullie kennen AH goed vanuit het verleden. Hun betalingstermijn is voor ons 60 dagen en we zijn helaas niet bij machte om vooruit te financieren. Het project loopt pas volgende week af [Klasselunch, 26 maart] en de eindfactuur, inclusief het drukwerk, is pas deze verzonden. Ik hoop te kunnen voldoen aan jullie standaard termijn en zal, waar mogelijk, een deelbetaling doen vóór die datum. Overigens loopt ons contract met AH door dus er zitten weer meer onderdelen aan te komen [najaar 2015 en voorjaar 2016]. […]” 2.7. Bij e-mail van 25 maart 2015 (productie 3 bij conclusie van antwoord) heeft [medewerker] namens Twigt – voor zover hier van belang – aan [gedaagde] medegedeeld: “ […] bedankt voor het eerlijke en openhartige gesprek. […] Zoals gisteren afgesproken zal de eerste factuur van € 2117,50 deze week (w13) betaald zijn en de factuur van € 2.862,00 uiterlijk volgende week (W14) betaald zijn. De overige 2 facturen (€ 31.375,30 en € 2.420,00 ) zullen in delen betaald worden, maar uiterlijk 29 mei 2015 zal alles volledig zijn voldaan. In de bijlage, zoals afgesproken, de verklaring van persoonlijke borgstelling. […]” 2.8. Bij borgstellingsovereenkomst van 26 maart 2015 heeft [gedaagde] zich jegens Twigt voor Zorn tot borg gesteld voor de juiste nakoming van diens betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de door Twigt met Zorn gesloten en nog te sluiten overeenkomsten, zulks tot een maximumbedrag van € 38.744,00. Twigt heeft deze borgstelling als voorwaarde gesteld voor het aannemen van nieuwe opdrachten van Zorn. 2.9. Na de borgstelling heeft Twigt opdrachten voor Zorn uitgevoerd en heeft Zorn de facturen van 24 oktober 2014 en 19 januari 2015 en bedrag van € 5.000,00 in mindering op de facturen van 30 maart 2015 voldaan. 2.10. Zorn is op 15 december 2015 failliet verklaard en biedt Twigt geen verhaal voor het nog openstaande deel van de facturen van 30 maart 2015 ad € 28.795,30. 2.11. Bij brief van de incassogemachtigde van Twigt is [gedaagde] in gebreke gesteld en, vergeefs, gesommeerd tot betaling van het bedrag van € 28.795,30 uiterlijk op 31 maart 2016. 2.12. Bij brief aan Twigt van 22 mei 2016 heeft de echtgenote van [gedaagde] de borgtochtovereenkomst tussen partijen vernietigd op grond van het ontbreken van haar toestemming voor het sluiten van die overeenkomst. 3Het geschil 3.1. Twigt vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 29.929,33, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettellijke rente over € 28.795,30 vanaf 15 april 2016 tot aan de voldoening, alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Twigt baseert haar vordering op de borgtochtovereenkomst. Zij bestrijdt de rechtsgeldigheid van de vernietiging van die overeenkomst door de echtgenote van [gedaagde] en doet daartoe een beroep op de in het vijfde lid van artikel 1:88 BW neergelegde uitzondering op artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW. 3.2. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij voert als verweer dat de borgtochtovereenkomst buiten rechte door zijn echtgenote is vernietigd op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW juncto artikel 1:89 BW en betwist dat de borgstelling is geschied voor een rechtshandeling ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van Zorn, zoals bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Vast staat dat [gedaagde] zich bij de borgtochtovereenkomst jegens Twigt borg heeft gesteld voor de schuld van een derde (Zorn). Aangezien het verlenen van borgstellingen niet het bedrijf of het beroep van [gedaagde] vormen, is dit in beginsel een aan de toestemming van de echtgenote van [gedaagde] onderworpen rechtshandeling (artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW). Dit betekent dat deze echtgenote in beginsel op grond van artikel 1:89 BW bevoegd was de borgtochtovereenkomst wegens het ontbreken van haar toestemming buiten rechte te vernietigen. Vast staat dat deze vernietiging heeft plaatsgevonden bij brief van 22 mei 2016. 4.2. Ingevolge het vijfde lid van artikel 1:88 lid 5 BW geldt een uitzondering op voormeld beginsel indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.