← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2016:900

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 15/3774 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2016 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde: D. Meijers. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder meegedeeld dat de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 2 juni 2014 is herzien naar vier uur (en niet langer 28 uur) per week en eiser meegedeeld dat een bedrag van € 3.588,41 van hem zal worden teruggevorderd. Bij besluit van 10 maart 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een aflossingsverplichting opgelegd van € 425,76 per maand. Bij besluit van 13 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit II gegrond verklaard, in die zin dat verweerder de hoogte van het aflossingsbedrag heeft vastgesteld op € 200,- per maand. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari

  1. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I, voor zover gericht tegen de herziening van de WW-uitkering, niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder al bij besluit van 15 oktober 2014 eisers WW-uitkering met ingang van 2 juni 2014 heeft herzien naar 4 uur per week. Nu bij het primaire besluit I met betrekking tot de herziening niet voor de eerste keer een bepaalde vaststelling van rechten is gedaan, is geen sprake van een rechtshandeling die is gericht op rechtsgevolg, aldus verweerder. Daarnaast heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I, voor zover betrekking hebbend op de terugvordering, ongegrond verklaard en het aflossingsbedrag, zoals vastgesteld in het primaire besluit II, naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 200,- per maand.
  3. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij niet langer betwist dat verweerder de terugvordering ten onrechte heeft gebruteerd en heeft eiser erkend dat verweerder de wet in zoverre juist heeft toegepast. Eiser heeft verder desgevraagd verklaard dat zijn beroep zich beperkt tot de grond dat hij het onredelijk vindt dat hij, omdat hij in de week van 2 juni 2014 24 uren heeft gewerkt, ook in de overige weken wordt gekort voor dat aantal uren, terwijl hij in die overige daarop volgende weken aanzienlijk minder uren - en ook een week niet - heeft gewerkt. Eiser ziet steun voor zijn standpunt in het gegeven dat de wet inmiddels is gewijzigd, waardoor nu dient te worden uitgegaan van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek in vier kalenderweken. Dit zou voor eiser veel gunstiger hebben uitgepakt.
  4. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond betrekking heeft op de herziening van zijn uitkering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat het primaire besluit I, voor zover daarin een mededeling is gedaan over de herziening van de uitkering, een herhaling is van het besluit van 15 oktober 2014 en niet gericht is op rechtsgevolg. Eiser had, voor zover hij tegen de herziening had willen opkomen - zo heeft hij tijdens de zitting ook erkend - (tijdig) bezwaar moeten maken tegen het besluit van 15 oktober
  5. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.
  6. Ter voorlichting van eiser wijst de rechtbank er niettemin nog op dat, als eiser wel tijdig tegen het herzieningsbesluit van 15 oktober 2014 zou zijn opgekomen, dit niet tot een ander oordeel had geleid. Dat de WW na het nemen van het herzieningsbesluit een wijziging heeft ondergaan, waarbij dient te worden uitgegaan van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek in vier kalenderweken, brengt voor eisers situatie geen verandering, nu de beoordeling de maanden juni en juli 2014 betreft en er geen sprake is van overgangsrecht dat de wetswijziging ook van toepassing heeft verklaard over die periode.
  7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari
  9. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.