vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/491486 / HA ZA 15-1269 Vonnis van 23 november 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN ROOSENDAAL TECHNISCH UITZENDBUREAU B.V., gevestigd te Sliedrecht, advocaat mr. M.A.D. Bot te Rotterdam, eiseres, tegen 1 [gedaagde sub1] , wonende te [woonplaats] , advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub2] , gevestigd te [woonplaats] , advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MW GROUP B.V., gevestigd te Rotterdam, advocaat mr. T.V. Haster te Dordrecht,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AJW TECHNISCH UITZENDBUREAU B.V., gevestigd te Rotterdam, advocaat mr. T.V. Haster te Dordrecht,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAYTRA B.V., gevestigd te Papendrecht, advocaat mr. T.V. Haster te Dordrecht, gedaagden. Partijen zullen hierna VRTU en [gedaagden] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 oktober 2016 en de daarin genoemde stukken; - de brief van 17 oktober 2016 namens [gedaagden] ; - de brief van 26 oktober 2016 namens VRTU. 2De beoordeling van het verzoek om tussentijds hoger beroep 2.
- In het tussenvonnis van 12 oktober 2016 zijn [gedaagden] ter verstrekking van informatie bevolen om medewerking te verlenen aan inzage door VRTU in de in (bewijs)beslag genomen gegevensdragers. 2.
- [gedaagden] verzoeken de rechtbank om toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen dat vonnis. Daartoe hebben [gedaagden] aangevoerd, kort weergegeven, dat zij zich met het door de rechtbank gegeven bevel niet kunnen verenigen. Volgens [gedaagden] is sprake van een fishing expedition (/grasduinen) en is geen sprake van ‘bepaalde bescheiden’. [gedaagden] voeren aan dat geen beroep kan worden gedaan op auteursrechten indien het product niet is ingebracht, en dat de rechtbank geen belang voor VRTU heeft vastgesteld. Subsidiair verzoeken [gedaagden] een nadere specificatie van het bevel. 2.
- RTU heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. Volgens VRTU is het ook niet nodig het bevel nader te specificeren. 2.
- Bij de beoordeling van het verzoek moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op het in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde uitgangspunt dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Dit geldt ook voor het onderhavige bevel, dat geen provisioneel tussenvonnis is (vergelijk Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264). Bij het toestaan van genoemde uitzondering dient de rechter terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken. 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke bijzondere omstandigheden hier niet aan de orde. In het tussenvonnis staat de stelling van VRTU centraal dat onrechtmatig is gehandeld (en niet: in strijd met auteursrechten) doordat een database (met circa 2900 technisch geschoolde personen met bijkomende informatie per persoon) door [gedaagde sub1] is meegenomen. Het belang van VRTU bij verstrekking van informatie is gelegen in de nadere adstructie van haar stellingen (zie overweging 2.3 van het tussenvonnis van 12 oktober 2016). In meer algemene zin is overwogen (onder 2.4) dat een goede rechtsbedeling hiermee is gediend en dat geen sprake is van schending van de goede procesorde. Vervolgens is voor de verstrekking als praktische handelwijze een manier van inzage door VRTU bepaald (overweging 2.5). Onderdeel daarvan is dat het in te schakelen onderzoeksbureau de in beslag genomen gegevensdragers (uitsluitend) onderzoekt op aanwezigheid van een bestand als hiervoor bedoeld. Hieruit blijkt afdoende dat de rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de aspecten die [gedaagden] nu aanvoeren ter onderbouwing van hun verzoek tussentijds hoger beroep open te stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Het belang dat het geschil zoveel mogelijk direct in eerste aanleg wordt beslecht, dient dan ook te prevaleren. Het verzoek zal om deze redenen worden afgewezen. 2.
- Een beslissing op een verzoek tussentijds hoger beroep open te stellen, biedt geen ruimte tot nadere specificatie van het gegeven bevel. Overigens acht de rechtbank het bevel voldoende duidelijk omschreven in het tussenvonnis. 2.
- De stelling van VRTU dat het tussenvonnis geen eindbeslissingen bevat waartegen hoger beroep kan worden ingesteld, kan de rechtbank niet geheel plaatsen, nog daargelaten dat het aan de hoger beroep-rechter zou zijn om te beslissen in hoeverre de inhoud van het tussenvonnis in hoger beroep kan worden getoetst. In elk geval is duidelijk dat geen sprake is van een deel(eind)vonnis noch van een provisioneel vonnis; dat is dan ook de achtergrond van het verzoek van [gedaagden] tot toepassing van artikel 337 lid 2 Rv.
- De beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en is in het openbaar uitgesproken op 23 november
- 1694 / 2294