← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2016:9532

Rechtbank ROTTERDAM Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 10/960092-12 (dagvaarding I) en 10/750066-12 (dagvaarding II, ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 9 december 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Rotterdam heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [VERDACHTE], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, adres: [adres 1] te Utrecht. De verdachte is hierna alleen met de achternaam aangeduid. 1De beschuldigingen 1.1 De tenlasteleggingen Wat de verdachte wordt verweten is omschreven in de (deels gewijzigde) tenlasteleggingen, die als bijlagen A (dagvaarding I) en B (dagvaarding II) onderdeel uitmaken van dit vonnis. De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer: Ten aanzien van dagvaarding I deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven die bestaan uit overtredingen van de Opiumwet, terwijl hij de leider/bestuurder/oprichter was van die organisatie; (medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; (medeplegen van) valsheid in geschrifte en/of het gebruik maken van valse of vervalste geschriften; in het bezit hebben / gebruik maken van een valse of vervalste Bulgaarse identiteitskaart en/of voorhanden hebben / gebruik maken van een vals of vervalst Bulgaars rijbewijs. Ten aanzien van dagvaarding II (medeplegen van) witwassen; voorhanden hebben van een vuurwapen en 45 kogelpatronen. 1.2 Verweer partiële nietigheid van de dagvaarding Ten aanzien van het onder sub M bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman wat betreft de zinsnede “althans enige grote geldbedragen” nietigheid van de dagvaarding bepleit, nu naar zijn mening onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld en waartegen verdachte zich moet verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het onder 2 ten laste gelegde aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, temeer nu vóór de door de raadsman genoemde zinsnede diverse geldbedragen worden ten laste gelegd, zodat verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen. De zinsnede “althans enige grote geldbedragen” betreft slechts een alternatieve tenlastelegging indien de vóór deze zinsnede genoemde bedragen niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 2Het onderzoek ter terechtzitting 2.1 De behandeling van de zaken Ten aanzien van dagvaarding I vonden de pro forma-zittingen plaats op 1 oktober 2014, 9 december 2014, 26 februari 2015 en 26 mei 2016. Voorts heeft er een regiezitting plaatsgevonden op 2 september 2016. Ten aanzien van dagvaarding II vond de pro forma-zitting plaats op 9 augustus 2012. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 2 en 4 november 2016: behandeling van de ten laste gelegde feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte; 8 november 2016: het requisitoir van de officier van justitie; 10 november 2016: het pleidooi van de raadsman, repliek, dupliek en het laatste woord van de verdachte; 28 november 2016: sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. G. Oosterveld en E.A.F. Roelofs (hierna telkens te noemen: de officier van justitie (in mannelijk enkelvoud)) en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2.2 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft – zoals verwoord in zijn schriftelijke requisitoir – zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief, en bij dagvaarding II onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde is de officier van justitie van mening dat uit de bewijsmiddelen in het dossier kan worden geconcludeerd dat [verdachte] leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie waarbij hij de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) heeft aangestuurd. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 9 oktober 2012 werden aangehouden, werden zij vervangen door de medeverdachten [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]). Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van dagvaarding I feiten 2 en feit 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, en dagvaarding II feit 1 zal hieronder bij de beoordeling van de beschuldigingen nader worden geconcretiseerd. De officier van justitie heeft gevorderd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 november 2016 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede dat hiertoe tegen [verdachte] een strafrechtelijk financieel onderzoek zal worden ingesteld. 2.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft – kort samengevat – de navolgende verweren gevoerd. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft verzocht de verklaring van [medeverdachte 2] van het bewijs uit te sluiten, nu op diverse onderdelen geconcludeerd kan worden dat hij niet naar waarheid heeft verklaard. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] slechts betrokkenheid had bij de fruitbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Hij gebruikte deze bedrijven om – kort samengevat – Zuid-Amerikaanse fruitbedrijven op te lichten door fruit bij deze bedrijven op rekening te bestellen en deze bestellingen niet (volledig) te betalen. [verdachte] was niet op de hoogte van en had geen betrokkenheid bij de invoer van, dan wel de handel in cocaïne in verband met deze fruitbedrijven. Ook is niet gebleken dat deze twee bedrijven daadwerkelijk betrokken waren bij de invoer van cocaïne. De storting van grote contante bedragen op rekeningen van deze bedrijven betreft verdiensten in de fruithandel door [verdachte]. Tevens is niet gebleken dat [verdachte] enige betrokkenheid had bij de bedrijven [BEDRIJF 3], [bedrijf 4], [bedrijf 5] en [bedrijf 6]. Ook al zou ervan uit worden gegaan dat [verdachte] betrokkenheid had bij deze bedrijven, naar de mening van de raadsman kan niet worden vastgesteld dat deze fruitbedrijven betrokken zijn geweest bij de invoer van cocaïne. Met betrekking tot het zaaksdossier Camarque heeft de raadsman verzocht de verklaring van [medeverdachte 4] uit te sluiten van het bewijs. Naar zijn mening heeft hij niet naar waarheid verklaard. Voorts kon [medeverdachte 4] niet door de verdediging als getuige worden ondervraagd. Hij heeft immers bij de rechter-commissaris geweigerd antwoord te geven op de vragen van de raadsman. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft in het algemeen gewezen op de aanzienlijke inkomsten die [verdachte] genoten heeft via de bedrijven in de fruithandel vanaf medio 2011, de bemiddeling via [bedrijf 7] vanaf medio augustus 2012, andere bemiddelingsactiviteiten en de incidentele casinobezoeken. Voor zover van belang zal per sub onderdeel van feit 2 het verweer nader worden geconcretiseerd. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde kan naar de mening van de raadsman slechts het ten laste gelegde, voor zover dat ziet op de facturen met betrekking tot de bedrijven [bedrijf 8] en [bedrijf 9] wettig en overtuigend bewezen worden. Hij heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de overige ten laste gelegde facturen. De raadsman heeft met betrekking tot het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] het ten laste gelegde bedrag voorhanden heeft gehad, doch dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu [verdachte] slechts geld afkomstig van een eigen misdrijf voorhanden heeft gehad. Er is geen sprake geweest van een handeling om crimineel vermogen veilig te stellen. Met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 4 en bij dagvaarding II onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft verzocht aan [verdachte] – gelet op zijn persoonlijke omstandigheden – een lagere straf dan door de officier van justitie geëist op te leggen. Voorts is er in deze zaak sprake van overschrijding van de redelijke termijn. 3Start van het onderzoek en wijze van behandelen Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid van het Korps Landelijke Politiediensten is in april en begin mei 2012 via een informant informatie met betrekking tot [verdachte] binnengekomen inzake het mogelijk witwassen van grote geldbedragen en het mogelijk voorhanden hebben van een vuurwapen. Na onderzoek bleek [verdachte] antecedenten te hebben ter zake het voorhanden hebben van een vuurwapen, aanwezig hebben van harddrugs, deelname aan een criminele organisatie, uitgeven van vals geld, valsheid in geschrift en oplichting. Tevens bleek dat [verdachte] internationaal gesignaleerd stond voor de Braziliaanse en Turkse autoriteiten ter zake de opsporing, aanhouding en uitlevering in verband met de smokkel van verdovende middelen. Naar aanleiding van bovenstaande informatie heeft er op 4 mei 2012 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [verdachte] gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam. Daarbij werden onder andere de volgende voorwerpen in beslag genomen: een vuurwapen van het merk Glock met munitie; een geldbedrag van € 883.000,-; 8 mobiele telefoons. In de woning van [verdachte] was ook aanwezig zijn partner, [medeverdachte 6] genaamd (hierna: [medeverdachte 6], tevens medeverdachte). Tevens werd in de woning een uitgeprint e-mailbericht aangetroffen. Het e-mailbericht werd op 26 oktober 2011 te 9.34 uur verzonden door een medewerker van [bedrijf 10] aan het e-mailadres [e-mailadres 1]. Het mailbericht is gericht aan “[naam 1]” van [bedrijf 1] aangaande het scannen van een drietal containers. Voorts werden twee uitdraaien van e-mailberichten in Outlook aangetroffen, te weten een e-mailbericht van 23 februari 2012, betreffende correspondentie tussen de Belgische firma [bedrijf 11] (hierna: [bedrijf 11]) en [BEDRIJF 3] (hierna ook: [BEDRIJF 3]) met als onderwerp "container bananen", en een e-mailbericht van 6 april 2012 van [BEDRIJF 3] aan [bedrijf 11] met als onderwerp "RE: As Andalusia/informatie". Op basis van het vorenstaande is het onderzoek Murdoch gestart. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een omvangrijk dossier dat is onderverdeeld in meerdere zaaksdossiers. Uit het onderzoek is gebleken dat in Nederland, dan wel in het buitenland, diverse partijen cocaïne in beslag zijn genomen, die telkens verstopt zaten tussen containers met fruit. Deze containers waren zeer waarschijnlijk bestemd voor verschillende ondernemingen in Nederland, waaronder [bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1]) en [BEDRIJF 3]. Kort samengevat betreffen het de navolgende partijen inbeslaggenomen cocaïne. Datum inbeslagname Plaats inbeslagname Hoeveelheid cocaïne inbeslaggenomen Verstuurd vanuit Bestemd voor 29-12-2011 Rotterdam 45,75 kilo Ecuador [bedrijf 1] 05-02-2012 Antwerpen 35,5 kilo Ecuador [BEDRIJF 3] 3-02-2012 Ecuador 1.193,20 kilo - [BEDRIJF 3] 25-02-2012 Ecuador 3.668,68 kilo - [bedrijf 1] 25-02-2012 Ecuador 29,15 kilo - [bedrijf 1] 07-05-2012 Peru 1.686,12 kilo - [bedrijf 4] 09-05-2012 Antwerpen 35 kilo Ecuador [bedrijf 5] 08-10-2012 Antwerpen 8.032,75 kilo Ecuador [bedrijf 6] 28-05-2013 Ecuador 244 kilo - [bedrijf 12] 27-08-2013 Colombia 1.021,95 kilo - [bedrijf 13] Totaal 15.854,90 kilo Er bleken aanwijzingen te zijn dat het bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) te Rotterdam werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) en [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5]). Daardoor ontstond het vermoeden dat [bedrijf 2] indirect betrokken was bij de inbeslagnames van cocaïne die mogelijk bestemd waren voor [bedrijf 4] te Rotterdam en [bedrijf 5] te Rotterdam. Gedurende het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] – al dan niet in een crimineel georganiseerd verband – betrokkenheid hadden bij (één van de, dan wel meerdere) voornoemde bedrijven en/of inbeslaggenomen cocaïnetransporten. De rechtbank zal in het kader van de bewijsvraag achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandelen. Allereerst zal zij responderen op namens de verdachte aangevoerde verweren. Vervolgens zal de rechtbank meerdere algemene overwegingen formuleren. De rechtbank zal – gelet op de samenhang tussen bepaalde zaakdossiers – beginnen met de behandeling van de ten laste gelegde criminele organisatie (dagvaarding I feit 1). Hierbij zullen diverse zaaksdossiers, waarbij één of meerdere bedrijven betrokken zijn, worden besproken. Daarbij komt aan de orde of er sprake is geweest van een criminele organisatie en wat de rol van de verschillende deelnemers binnen deze organisatie is geweest. Daarna zal de rechtbank de overige ten laste gelegde feiten behandelen, te weten dagvaarding I feit 2 en dagvaarding II feit 1 (betreffende (gewoonte)witwassen) en, gelet op de onderlinge samenhang, dagvaarding 1 feit 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief (betreffende valsheid in geschrift en het gebruik maken van valse geschriften). Aansluitend zal de rechtbank de dagvaarding I feit 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief (gebruik maken vervalste Bulgaarse identiteitskaart en een vervalst Bulgaars rijbewijs) en dagvaarding II feit 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief (betreffende het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie) behandelen. De rechtbank zal bij deze onderdelen steeds de vraag beantwoorden of hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd bewezen kan worden verklaard. 4Verweren van de verdediging Ter terechtzitting zijn door de raadsman de navolgende verweren gevoerd. 4.1 Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 2] De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu op diverse onderdelen geconcludeerd kan worden dat hij niet naar waarheid heeft verklaard. De rechtbank volgt dit verweer niet. [medeverdachte 2] heeft meerdere zeer uitgebreide en gedetailleerde verklaringen afgelegd. De rechtbank overweegt dat [medeverdachte 2] inderdaad niet op alle punten volledig juist heeft verklaard en dat hij er als verdachte zelf belang bij had zijn eigen rol als beperkt te schetsen. De door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen zijn echter in hoofdlijnen en op essentiële punten consistent, worden – zoals hieronder bij de bespreking van de beschuldigingen zal blijken – op onderdelen bevestigd door de verklaringen van andere verdachten of getuigen en vinden op punten steun in overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank oordeelt dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 2] van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaring op voorhand uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt derhalve verworpen. Wel zal de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 2] kritisch beoordelen en per onderdeel bezien of de verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. 4.2 ( On)mogelijkheid tot het horen van [medeverdachte 4] De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 4] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, aangezien het ondervragingsrecht door de verdediging niet in voldoende mate kon worden uitgeoefend. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat [medeverdachte 4] ten tijde van zijn verhoor bij de rechter-commissaris geen antwoorden heeft willen gegeven op de vragen van de verdediging. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank verwijst daarbij naar het door het EHRM gewezen Vidgen-arrest. Volgens dit arrest dient de in het opsporingsonderzoek afgelegde (belastende) (getuigen)verklaring, indien de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, van het bewijs te worden uitgesloten, als een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo’n situatie is in het onderhavige geding niet aan de orde. De verklaringen van [medeverdachte 4] vormen namelijk niet het enige en beslissende bewijs, zoals blijkt uit de overige voor het zaaksdossier Camarque redengevende bewijsmiddelen welke nader aan de orde zullen komen. Daarnaast is [medeverdachte 4] door de rechter-commissaris, de officier van justitie, de raadslieden van medeverdachten, alsmede de raadsman ondervraagd. Van schending van de in het Vidgen-arrest omschreven norm is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen sprake. 4.3 Betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 4] De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 4] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu op diverse onderdelen geconcludeerd kan worden dat hij niet naar waarheid heeft verklaard. De rechtbank volgt dit verweer niet. [medeverdachte 4] heeft meerdere zeer uitgebreide, gedetailleerde en – niet in de laatste plaats – voor zichzelf belastende verklaringen afgelegd. De door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen zijn in hoofdlijnen en op essentiële punten consistent, worden – zoals hieronder bij de bespreking van de beschuldigingen zal blijken –op onderdelen bevestigd door de verklaringen van andere verdachten of getuigen en vinden op punten steun in overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank oordeelt dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 4] van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaring op voorhand uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt derhalve verworpen. Wel zal de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 4] kritisch beoordelen en per onderdeel bezien of de verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. 5Beoordeling van de beschuldigingen 5.1 Inleiding De rechtbank zal alvorens zij op de verschillende zaakdossiers zal ingaan enkele meer omvattende onderwerpen bespreken. 5.1.1 Algemene overweging met betrekking tot deelname aan een criminele organisatie Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht respectievelijk artikel 11a van de Opiumwet, zoals dat artikel ten tijde van het ten laste gelegde feit luidde, worden verstaan “een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is”. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken. Het is voorts evenmin vereist dat de verdachte precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De verdachte dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Daarnaast is het niet van belang of de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij een misdrijf dat in het verband van de organisatie is begaan. Om van deelnemen aan de criminele organisatie te kunnen spreken, dient de verdachte te behoren tot de organisatie en moet hij een aandeel hebben in, dan wel ondersteuning bieden aan gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Er moet aldus ook worden bewezen dat de organisatie als oogmerk heeft om misdrijven te plegen. Aangezien het oogmerk voldoende is, is een gepleegd misdrijf, of strafbare poging of voorbereiding daartoe dus niet vereist. Het oogmerk kan echter wel blijken uit de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven. Het oogmerk moet bovendien, gelet op de duurzaamheid van het samenwerkingsverband, gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven. De rechtbank zal bij haar beoordeling derhalve bezien of zij tot de conclusie komt dat er, zij het in soms wisselende verbanden, sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband, dat de onderhavige organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven ter zake de Opiumwet, en dat de verdachte wetenschap en betrokkenheid had bij de criminele organisatie. 5.1.2 Algemene overweging met betrekking tot medeplegen De rechtbank overweegt dat voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders. De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict moet hierbij van voldoende gewicht zijn. Bij de vorming van haar oordeel kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten, het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip en de onderlinge verdeling van de opbrengst. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(

  1. re)rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Bij de bespreking van de afzonderlijke feiten zal – waar nodig – specifiek worden ingegaan op deze vereisten. 5.2 Dagvaarding I, feit 1: deelname aan criminele organisatie 5.2.1 Duurzaam samenwerkingsverband Over de verschillende bedrijven, merkt de rechtbank het volgende op. [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) Op 30 december 2011 werd te Rotterdam, in een container met nummer MSCU 745756-7 45,75 kg (bruto) met vermoedelijk cocaïne aangetroffen. De container was bestemd voor [bedrijf 1]. Op 25 februari 2012 werden in de haven van Guayaquil te Ecuador twee partijen cocaïne aangetroffen van respectievelijk 3.668,68 kg en 29,15 kg. De partijen zaten in zeecontainers met fruit die bestemd waren voor [bedrijf 1] en afkomstig waren van [bedrijf 14]. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreft [bedrijf 1] een besloten vennootschap, opgericht in augustus 2008. De handelsnamen zijn [bedrijf 1] en [bedrijf 1]. Van 21 juli 2011 tot 27 september 2011 was de enig aandeelhouder: [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Tevens was zij directeur vanaf 27 september 2011 tot 3 april 2012. Medebestuurder was tot 3 april 2012 [medeverdachte 2]. Na 3 april 2012 was [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) bestuurder en enig aandeelhouder. Uit de gegevens verkregen van de Belastingdienst blijkt dat in het jaar 2010 alleen in het vierde kwartaal aangifte is gedaan voor de omzetbelasting. Over het vierde kwartaal 2010 én over het jaar 2010 is een naheffingsaanslag opgelegd. Met betrekking tot het jaar 2011 zijn er voor [bedrijf 1] in het eerste en tweede kwartaal geen aangiften omzetbelasting gedaan. [bedrijf 1] heeft in het derde en vierde kwartaal van 2011 wel aangifte gedaan voor de omzetbelasting. De opgegeven omzet voor 2011 bedroeg, volgens die opgaven, in totaal € 121.684,-. Door de Belastingdienst zijn voor het jaar 2012 naheffingsaanslagen Loonbelasting opgelegd vanwege het niet doen van aangifte loonbelasting. Door [bedrijf 1] is voor de jaren 2011 en 2012 geen aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan. Uit de door de ABN Amrobank verstrekte gegevens werd opgemaakt dat er aan [bedrijf 1] een tweetal bankrekeningen waren gekoppeld, te weten [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2].Uit analyse van de verstrekte rekeningafschriften van ABN Amro bleek dat de onderneming [bedrijf 1], tevens een bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer 3] hield bij de Rabobank. Uit de opgevraagde historische bankgegevens aangaande deze rekeningnummers bleek dat er op bankrekening [bankrekeningnummer 2] geen mutaties hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot bankrekeningnummers [bankrekeningnummer 1] (ABN Amro) en [bankrekeningnummer 3] (Rabobank) bleek dat in de periode 1 september 2011 tot en met 17 februari 2012 € 184.059,70 ($ 242.000,-) aan het bedrijf [bedrijf 14] (hierna: [bedrijf 14]) (Ecuador) werd overgemaakt. Tevens werd in de periode 31 januari 2012 tot en met 26 maart 2012 € 46.721,04 ($ 60.500,) aan het bedrijf [bedrijf 15] (Peru) overgemaakt. Voorafgaand aan twee overboekingen naar [bedrijf 14] te Ecuador (van € 20.000,- en € 19.734,99) werd de rekening van [bedrijf 1] gevoed door (onder meer) twee bijschrijvingen door [bedrijf 16], zijnde een bedrag van € 18.470,- en een bedrag van € 19.239,-. Uit de analyse van de door de Rabobank verstrekte gegevens is gebleken dat de betalingen van [bedrijf 17] / [bedrijf 1] via internet (overboekingen van de RABO bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3) onder meer zijn verricht via IP adressen die zijn uitgegeven aan [bedrijf 1] en aan [bedrijf 5]. Uit de ontvangen informatie van inklaringsbedrijf [bedrijf 11] blijkt dat in de periode november 2011 tot en met maart 2012, 39 containers zijn besteld en verscheept, gericht aan [bedrijf 1]. Van deze 39 containers is de inhoud van 4 containers vernietigd en niet in ontvangst genomen door [bedrijf 1]. Van 1 van de 39 containers is 10% van de inhoud vernietigd omdat deze niet aan de kwaliteitsnormen voldeed. De facturen die [bedrijf 1], volgens de administratie van [bedrijf 11], moet betalen zijn:aan [bedrijf 14]: $116.750,00 aan [bedrijf 11]: €53.855,64 aan [bedrijf 18]: $262.685,00 aan [bedrijf 19]: $76.500,00 aan [bedrijf 15]: $94.137,12 [betrokkene 1] verklaarde dat zij door een man genaamd [naam 2] werd gevraagd om directeur te worden. Zij hoefde niet steeds naar het bedrijf te komen. Soms kwam zij ook twee weken niet. Zij zou € 2.000.- per maand krijgen. [naam 2] vertelde haar dat ene [naam 3] investeerder was in het bedrijf. [naam 3] gaf haar, [naam 4] en [naam 2] werkopdrachten en betalingsopdrachten. [naam 3] was de baas, aldus [betrokkene 1]. Zij verklaarde verder dat zij de eerste drie maanden niets te doen heeft gehad, en [naam 4] om werk vroeg. Die zei steeds dat zij maar moest blijven zitten. Na ongeveer drie maanden kreeg zij van [naam 4] wat te doen. [naam 4] heeft haar dat werk uitgelegd. Het wachtwoord van de computer was aanvankelijk alleen bekend bij [naam 4]. [betrokkene 1] verklaarde dat zij niet wist wat een aandeelhouder is. Zij heeft nooit aandelen gezien. Over haar rol bij [bedrijf 1] verklaarde zij verder dat zij er alleen zat voor de administratie. Ze wist wel dat zij de directeur was, maar had niet het gevoel dat zij directeur was. Zij verklaarde dat zij geen verstand had van de handel in groenten en fruit. [naam 3] was de baas. Hij gaf instructies. Hij had geld, aldus [betrokkene 1]. Zij verklaarde verder dat zij de bankpassen die zij bij de bank had gekregen (ABN Amro en Rabobank) moest afgeven. Zij kreeg later de codes voor het internetbankieren van [naam 4]. Zij deed geen betalingen aan het buitenland, dat deed [naam 4]. Zij heeft nooit op eigen initiatief geld overgemaakt van [bedrijf 1]. Pas na een maand of drie zag zij dat er boven geld geteld werd door [naam 2]. Dat geld was van [naam 3]. [naam 3] gaf de prioriteit van de betalingen aan. Hij zei dat [bedrijf 11] de belangrijkste was, aldus [betrokkene 1]. [betrokkene 1] verklaarde verder dat zij, bij [bedrijf 1] in de computer boven een ingescand visitekaartje had gezien met de naam [bedrijf 4]. Zij verklaarde verder dat zij de laptop van [naam 5] (die volgens haar regelmatig bij [bedrijf 1] kwam) boven op het kantoor heeft zien staan. [naam 4] zat er toen aan te werken. Er stonden e-mails op van [bedrijf 11] gericht aan [BEDRIJF 3]. [naam 3] vroeg haar nog wat er in de e-mail stond. Het ging over mensen uit Ecuador die een bezoek aan [bedrijf 1] wilden brengen. Volgens haar ging het ook over [bedrijf 14] en containers. [betrokkene 1] werd een politiefoto van [verdachte] getoond. Zij herkende deze als de [naam 3] over wie zij verklaard heeft. Tevens werd haar een politiefoto van [medeverdachte 2] getoond. Zij verklaarde dat dit de persoon genaamd [naam 4] is over wie ze verklaard heeft. [betrokkene 1] herkende op de foto [betrokkene 3] (geboren [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats]) als de [naam 5] over wie zij sprak. [betrokkene 2] verklaarde dat het hem niets zegt dat hij bestuurder / enig aandeelhouder van [bedrijf 1] was vanaf 3 april 2012. Hij verklaarde dat [medeverdachte 2] tegen hem zei dat een bedrijf voor hem zou worden opgezet. Aan [betrokkene 2] zou iedere maand 2.000 euro worden betaald. [medeverdachte 2] zei dat hij alles voor [betrokkene 2] zou betalen, en [betrokkene 2] zou dan voor [medeverdachte 2] werken. [betrokkene 2] is met [medeverdachte 2] en een blond meisje, van wie [betrokkene 2] denkt dat ze Pools of Hongaars was, in december 2012 naar een notaris gegaan om te tekenen. Het meisje tekende en [betrokkene 2] ook. [medeverdachte 2] swas daarbij. Er werd daarna gezegd dat [betrokkene 2] nu hun werknemer was. [betrokkene 2] wist niet wat hij tekende. Een blauw mapje, dat hij van de notaris meekreeg, werd door [medeverdachte 2] van hem in de auto afgepakt. [BEDRIJF 3] (hierna: [BEDRIJF 3]) Op 5 februari 2012 werd een partij van 35,5 kg cocaïne in de haven van Antwerpen (België) in beslag genomen. Deze partij cocaïne zat in een container met bananen en was afkomstig van het motorschip CSAV Lingue. De verzender was [bedrijf 20] te Ecuador en als ontvanger stond [BEDRIJF 3], gevestigd aan de [adres 3] te Rotterdam, vermeld. Op 12 februari 2012 werd in de haven van Guayaquil te Ecuador in een zeecontainer voorzien van het nummer MSCU7387304 en geladen met bananen ongeveer 1.056 kg cocaïne aangetroffen en inbeslaggenomen. De zeecontainer zou kort daarna in de haven van Guayaquil, Ecuador worden geladen aan boord van het CSAV schip, MIS Llanquihue voor transport naar de haven van Antwerpen, België, in opdracht van de Ecuadoraanse onderneming [bedrijf 20]. De container was bestemd voor de geadresseerde (consignee) [BEDRIJF 3], [adres 3] Rotterdam. De Commanditaire vennootschap [bedrijf 16] is opgericht op 1 januari 2007 en ontbonden op 19 juli 2010. Handelsnaam van deze CV is [handelsnaam 1]. De gevolmachtigd directeur is [betrokkene 3], geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats]. Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat door [bedrijf 16] in 2009 alleen in het eerste kwartaal aangifte omzetbelasting is gedaan. Daarna werd in 2009 geen aangifte meer gedaan. In 2010 werd alleen in de maand januari aangifte gedaan. Blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel is [BEDRIJF 3] een Groothandel in Groenten en Fruit in oprichting. Het betreft een besloten Vennootschap (rechtspersoon in oprichting) met als startdatum 19 augustus 2010. De bevoegd functionaris sedert 20 april 2012 is [bedrijf 21]. Blijkens gegevens uit het Handelsregister was de bevoegd functionaris van [bedrijf 21] [betrokkene 3], geboren [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats]. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat [BEDRIJF 3] alleen in het vierde kwartaal van 2010 aangifte heeft gedaan voor de Omzetbelasting. In 2011 werd er door [BEDRIJF 3] alleen in de eerste drie kwartalen aangifte gedaan voor de Omzetbelasting. In 2012 werd er door [BEDRIJF 3] geen aangifte gedaan voor de Omzetbelasting. Voorts blijkt dat [betrokkene 3] in de jaren 2011 en 2012, blijkens de loonopgave van [BEDRIJF 3], géén inkomen heeft genoten. Gelet op de informatie die is verkregen van het inklaringsbedrijf [bedrijf 11] te Antwerpen, heeft [BEDRIJF 3] in de periode 25 november 2011 tot en met 15 maart 2012 via [bedrijf 11] zeven containers (met cassaves en bananen) ingevoerd. De naam [bedrijf 19] te Ecuador stond vermeld op één van de documenten. 1n totaal werd een bedrag van € 92.362,22 betaald aan bedrijven in Zuid Amerika, waaronder [bedrijf 20]. Uit de administratie van [bedrijf 11] bleek verder dat één container niet werd gescand, terwijl deze daar wel voor was geselecteerd. Dit impliceerde een boete voor [BEDRIJF 3] van € 1.250,-. Verder was bij één container herlabeling noodzakelijk in verband met het ontbreken daarvan. Dit betekende extra kosten van € 5.984,20. [BEDRIJF 3] heeft in de periode van november 2011 tot en met maart 2012 gebruik gemaakt van andere telefoonnummers dan de telefoonnummers die voorheen van het bedrijf bekend waren. De houder van de zakelijke rekening [bankrekeningnummer 4] t.n.v. [bedrijf 16] wordt op 27 april 2012 gewijzigd in [BEDRIJF 3]. De rekeninghouder (algeheel bevoegd) bleef [betrokkene 3]. Uit analyse van de ABNAMRO rekening [bankrekeningnummer 4] blijkt dat in de periode van 14 januari 2011 tot en met 2 oktober 2012 een totaal bedrag van € 743.768,- is bijgeschreven op deze rekening. Hiervan is in totaal € 625.420,- contant gestort op deze rekening. Bij al deze stortingen werd gebruik gemaakt van de aan deze bankrekening verstrekte bankpas. Er werden onder meer betalingen gedaan aan [bedrijf 20]. De overmaking van bedragen aan Zuid-Amerikaanse leveranciers en aan de inklaarder [bedrijf 11], werd telkens voorafgegaan door contante stortingen op de rekening, daags ervoor of dezelfde dag, waarbij de bedragen nagenoeg overeenkwamen. Daarnaast is er geld overgemaakt naar [bedrijf 1] (€ 44.864,-). De kosten voor de registratie van de domeinnaam [domeinnaam 1] ad € 2,37 werden door middel van iDeal op 14 september 2011 betaald aan [bedrijf 22]. Uit de verstrekte rekeningafschriften van [medeverdachte 2] bleek dat op 14 september 2011 door middel van iDeal een bedrag van € 2,37 werd overgemaakt naar [bedrijf 22] met als omschrijving: webhost bestelling 843155. [betrokkene 3] verklaarde dat in 2011 zijn dochter ernstig ziek was, waardoor hij nauwelijks nog werkzaam was in zijn bedrijf. Eind 2011 of begin 2012 sprak hij [medeverdachte 2]. Deze vertelde hem dat hij moest gaan stoppen met [bedrijf 1], en vroeg hem of hij zijn lopende zaken af kon handelen via [BEDRIJF 3]. [medeverdachte 2] heeft hem een vergoeding betaald van € 10.000 contant voor het gebruik van kantoorruimte op de Groothandelsmarkt. [betrokkene 3] heeft [medeverdachte 2] de ABNAMRO bankpas van de zakelijke rekening van [BEDRIJF 3] gegeven. [betrokkene 3] weet niet exact wat hij met die bankrekening heeft gedaan, maar weet wel dat de contante stortingen die zijn gedaan waarmee betalingen zijn gedaan aan Zuid-Amerikaanse bedrijven, gedaan moeten zijn door [medeverdachte 2], want hij had de bankpas. Ook alle betalingen aan het Belgische bedrijf [bedrijf 11] moeten volgens [betrokkene 3] door [medeverdachte 2] zijn gedaan. [betrokkene 3] verklaarde verder dat hij niet weet wat een internet domeinnaam is, en dat hij niet weet wie de domeinnaam [domeinnaam 1] heeft geregistreerd. [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) Op 7 mei 2012 werd in een pakhuis van de havenstad Paita, Peru in een container een partij cocaïne aangetroffen van in totaal 1.686,123 kilogram. De uiteindelijke bestemming van de container was [bedrijf 4] te Rotterdam. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreft [bedrijf 4] een groothandel in groente en fruit. De datum van vestiging / oprichting is 31 december 1969. In de periode van 01 januari 2011 tot de datum van het faillissement van [bedrijf 4] op 3 september 2013 heeft de onderneming verschillende bestuurders / aandeelhouders gekend. Het betreft [betrokkene 4], tot 28 maart 2011, [betrokkene 5] van 28 maart 2011 tot 15 oktober 2012, en [betrokkene 6], vanaf 15 oktober 2012. Het emailadres betreft [e-mailadres 2]. Uit de gegevens verkregen van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 4] in het jaar 2007 een omzet heeft aangegeven van € 656.754,- maar over de navolgende jaren géén omzet heeft ingediend. In januari 2011 is een negatieve aangifte omzetbelasting gedaan van € 159,00. Het betrof een terugvordering van de voorbelasting. Uit verstrekte informatie aangaande de bankrekening [bankrekeningnummer 5] (ABN Amro bank) van [bedrijf 4] blijkt dat de rekening is afgegeven op naam van [bedrijf 4], t.a.v. dhr. [betrokkene 4]. Er is geen kredietdossier van de klant opgesteld. Middels internetbankieren hebben in de periode 27 maart 2012 tot en met 22 mei 2012 overboekingen naar het buitenland ten laste van de betaalrekening [bankrekeningnummer 5] plaatsgevonden. Hierbij werden bedragen van € 18.000,-; € 39.000,- ; € 39.000,- en € 43.000,- overgemaakt. Tevens is gebleken dat hierbij gebruik werd gemaakt dat verschillende IP-adressen. Eén van de gehanteerde IP-adressen blijkt te zijn uitgegeven aan [bedrijf 5], [adres 4] te Rotterdam. Rabobank rekeningnummer [bankrekeningnummer 6]betreft een Rekening courant rekening, zonder krediet. Deze is in september 2009 geopend (door [betrokkene 4],). Na 27 mei 2011 wordt door afschrijvingen het saldo op de rekening negatief. De rekening wordt na deze datum niet meer gevoed met bijschrijvingen. Op 2 maart 2012 zijn de domeinnamen [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3] aangemaakt. [betrokkene 7] is de houder van deze domeinnamen. Als contactgegeven voor [domeinnaam 2] werd [e-mailadres 3] en [e-mailadres 4] opgegeven. Uit een op 11 september 2012 ontvangen rechtshulpverzoek van Peru blijkt dat het bedrijf [bedrijf 15] in totaal 11 containers had besteld voor het vervoeren van bananen. Vervolgens werden 8 van deze containers geladen met als bestemming de haven van Antwerpen. In één van deze 8 containers is op 7 mei 2012 een partij cocaïne van 1.686,123 kilogram aangetroffen. Deze container, met nummer MEDU 904888 -3 was bestemd voor [bedrijf 4] te Rotterdam. Van het HARC-team Rotterdam, een onderdeel van de politie Rotterdam-Rijnmond, is de informatie ontvangen dat slechts drie van de elf containers vanuit Peru waren verscheept naar de haven van Antwerpen. Dit betreffen de containers met de nummers MEDU 9031812, TRIU 8173453 en de TRIU 8863720 en waren volgens de manifestgegevens afkomstig van de onderneming [bedrijf 15] te Peru en bestemd voor de Nederlandse onderneming [bedrijf 4] te Rotterdam. De inhoud van de drie containers bestond uit bananen. De containers zijn vanuit Paita (Peru) verscheept met MV Frisia Loga en in mei 2012 gelost in Antwerpen. Uit informatie afkomstig van Mediterranean Shipping Company (MSC) blijkt echter dat de inhoud van bovengenoemde drie containers is vernietigd. [bedrijf 4] wilde de containers niet accepteren dan wel afhalen en geeft opdracht tot vernietiging van de inhoud ervan. Van het inklaringsbedrijf [bedrijf 11] zijn gegevens verkregen inzake de inklaringen van containers voor [bedrijf 4]. Daaruit blijkt dat slechts één container is ingeklaard. Het betreft een lading van 5.544 dozen met verse mango's met verwachte aankomst in de haven van Antwerpen op 4 juni 2012. De container met fruit is afkomstig vanuit Paita, Peru, en wordt vervoerd met het schip CSAV Lianquihue. Het fruit is afkomstig van [bedrijf 15] uit Peru. Het Bill of lading nummer betreft M8CUP0944354 en het containernummer betreft CXRU10235718. In het dossier van [bedrijf 11] zitten afdrukken van e-mailverkeer tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 11]. De e-mails afkomstig van [bedrijf 4] met e-mailadres [e-mailadres 5] worden digitaal ondertekend met "(Manager) [betrokkene 5]". Op 18 april 2012 mailt [bedrijf 11] aan [bedrijf 4] dat de container met mango's is afgekeurd in verband met boomgaardschimmel en dat de partij vernietigd zal moeten worden. De kosten zullen worden verhaald op [bedrijf 4]. [bedrijf 4] is akkoord gegaan met de vernietiging van de mango’s en het dragen van de kosten. De factuur d.d. 6 maart 2012 van [bedrijf 15] aan [bedrijf 4] ten aanzien van de 5.544 dozen mango’s bedraagt $ 24.005,52. [betrokkene 5] verklaarde dat hij een onderneming in groente en fruit, genaamd [bedrijf 23] leidt. In maart 2011 heeft hij [bedrijf 4] gekocht. De reden was dat hij zich met zijn bedrijf op de Groothandelsmarkt in Rotterdam wilde vestigen. Hij had het bedrijf gekocht van [betrokkene 4], die hij kende van het bedrijf [bedrijf 5]. Tegenover [bedrijf 5] lag het bedrijfspand van [bedrijf 4]. [bedrijf 5] gebruikte dat pand als opslagruimte, aldus [betrokkene 5]. Op het adres van [bedrijf 4] is hij vervolgens met [bedrijf 23] zaken gaan doen. Met [bedrijf 4] heeft hij verder niets gedaan. Er waren geen activiteiten binnen dat bedrijf, aldus [betrokkene 5]. Hij had alleen het adres nodig. Hij weet niets van domeinnamen en het e-mailadres van [bedrijf 4]. Hij weet niet wie [e-mailadres 2] aangemaakt heeft en kan zich dat e-mailadres ook niet herinneren. Ook de domeinnaam [domeinnaam 2] kent hij niet. Hij weet ook niet wie die domeinnaam geregistreerd heeft. Hij weet verder niets van klanten, omzet, bankrekeningen of contante stortingen. Ook ontkent [betrokkene 5] een overeenkomst te hebben gesloten met [bedrijf 11]. Hij wijst erop dat zijn voornaam onjuist is weergegeven op die overeenkomst. Datzelfde geldt voor de e‑mailberichten die in zijn naam zijn verzonden. Hij geeft aan geen mango’s of bananen bij [bedrijf 15] besteld te hebben. In april 2012 heeft hij [bedrijf 4] weer verkocht. De uiteindelijke overdracht is in oktober 2012 geweest. [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5]) Op 9 mei 2012 werd in de haven van Antwerpen door de Belgische Douane in een zeecontainer met fruit 35 kilogram cocaïne aangetroffen. De cocaïne zat in een zwarte sporttas die boven op de lading stond. De betreffende container maakte deel uit van een zending van vijf zeecontainers afkomstig van de Ecuadoraanse onderneming [bedrijf 24] en was volgens de Bill of Lading bestemd voor de Nederlandse onderneming: [bedrijf 5], [adres 4] Rotterdam. Telefoon: [telefoonnummer 1] Uit de gegevens van de kamer van koophandel blijkt dat [bedrijf 5] een besloten vennootschap is, opgericht op 21 juni 2007. Het bezoekadres is de [adres 4] te Rotterdam. Het internet adres en de e-mail adressen zijn: [domeinnaam 4]; [e-mailadres 6]; en [e-mailadres 7]. Vanaf 21 juni 2007 tot 22 mei 2012 is de enig aandeelhouder en directrice: [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]) Vanaf 22 mei 2012 tot 23 mei 2012 was de aandeelhouder: [betrokkene 8] (vanaf 1 maart 2012 tot 28 september 2012 was hij ook bestuurder) Vanaf 23 mei 2012 is aandeelhouder: [betrokkene 9] (vanaf 28 september 2012 was hij ook bestuurder). Met ingang van 17 juni 2014 is de rechtspersoon in staat van faillissement verklaard. [bedrijf 5] is vlak voor het faillissement overgedragen van [betrokkene 9] aan [betrokkene 10]. De curator is buiten een aantal jaarrapporten van [bedrijf 5] niet in het bezit gekomen van de boekhouding van het bedrijf ondanks diverse pogingen daartoe. De rechtspersoon [bedrijf 6] is een besloten vennootschap, opgericht op 21 juni 2006. Het bezoekadres is [adres 5] te Zoetermeer. De oude statutaire naam van dit bedrijf is [bedrijf 25]. Deze naam werd gevoerd tot 12 juni 2012. Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 25] was [betrokkene 4]. Hij trad uit functie op 12 juni 2007. Vanaf 23 mei 2012 is de enig aandeelhouder van [bedrijf 6]: [betrokkene 11]. Vanaf 28 september 2012 is hij ook bestuurder. Bestuurder / enig aandeelhouder vanaf 4 maart 2014 is [betrokkene 10]. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 5] vanaf het vierde kwartaal 2007 tot en met het jaar 2012 aangifte heeft gedaan voor de omzetbelasting. Over het jaar 2013 zijn geen gegevens met betrekking tot de omzetbelasting van [bedrijf 5] ontvangen. Gezien de aangiften liep de omzet van [bedrijf 5] in de jaren 2008 tot en met 2012 terug van ruim 10 miljoen euro in 2008 naar ruim 3,5 miljoen euro in 2012. In de vier kwartalen van 2013 bedroeg die omzet tussen de 479.850 euro en 939.550 euro. Volgens de gegevens van de belastingdienst had de [bedrijf 5] een bankrekening bij de Rabobank Nederland met het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 7]. Uit gegevens verkregen van [bedrijf 11] te Antwerpen, België blijkt dat er twee dossiers zijn die betrekking hebben op een levering van containers fruit voor de rechtspersoon [bedrijf 5] welke door [bedrijf 11] is ingeklaard. Het eerste dossier heeft betrekking op 2 containers met samen 2.160 dozen bananen (totaal 422,18 kilo) met verwachte aankomst in de haven van Antwerpen op 05 mei 2012. De containers zijn afkomstig van de leverancier [bedrijf 24]., Equador, en worden vervoerd met het schip CSAV Laraquette. De tweede levering bestaat uit zeven containers met samen 7.560 dozen bananen (totaal 147.763,63 kilo) met verwachte aankomst in de haven van Antwerpen op 11 mei 2012. De containers zijn eveneens afkomstig van [bedrijf 24], en worden vervoerd met het schip Santa Rosanna. Uit de door [bedrijf 11] verstrekte gegevens blijkt verder dat het totaal aan facturen dat [bedrijf 5] moet betalen aan [bedrijf 24] $35.209,- en $130.788,- bedraagt. Op 2 maart 2012 zijn de domeinnamen [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3] aangemaakt. [betrokkene 7] is de houder van deze domeinnamen. Als contactgegevens voor [domeinnaam 2] werd [e-mailadres 3] en [e-mailadres 4] opgegeven. Als contactgegevens voor [domeinnaam 3] werd [e-mailadres 8] opgegeven. Voor de inklaring van containers met fruit uit Ecuador (via [bedrijf 11]) werd gecommuniceerd met het emailaccount [e-mailadres 9]. De e-mails zijn telkens verzonden vanaf het IP-adres van [bedrijf 5]. Zoals hiervoor reeds vermeld, is op 9 mei 2012 in de haven van Antwerpen, in een zeecontainer met fruit, 35 kilogram cocaïne aangetroffen. Volgens de Bill of Lading was deze lading fruit bestemd voor de Nederlandse onderneming: [bedrijf 5], [adres 4] Rotterdam, Telefoon: [telefoonnummer 1]. Dit telefoonnummer komt niet overeen met het telefoonnummer zoals vermeld op het uittreksel van de kamer van koophandel van [bedrijf 5]. Gebleken is dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1]in gebruik is geweest bij [bedrijf 2]. Het telefoonnummer was aan [bedrijf 2] toegewezen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 augustus 2012. [betrokkene 8] was aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 5] ten tijde van het aantreffen van de 35 kilogram cocaïne. [betrokkene 8] (geboren op [geboortedag] 1991) verklaarde dat hij bij [bedrijf 5] is komen werken op zijn 17e jaar. Hij heeft daar alle soorten taken en werk gedaan, van verkoop tot inkoop in verschillende periodes. Hij heeft dat ook een tijdje alleen gedaan, toen [betrokkene 4] en [betrokkene 9] op vakantie waren. [betrokkene 9] is aangetrouwde familie van [betrokkene 8]. [betrokkene 4] is een vriend van zijn vader. Hij verklaarde dat hij niet wist dat hij een tijdje aandeelhouder was van het bedrijf. Hij verklaarde verder dat hij door [betrokkene 4] aangesteld werd als bestuurder. Hij was voor 90 % bezig met de in- en verkoop van groenten en fruit en deed geen administratie. [medeverdachte 1] werkte er ook; hij kocht in en verkocht fruit. Het e-mailadres [e-mailadres 10] kent [betrokkene 8] niet. Ook de e-mails aangaande de import van zeven containers kent hij niet. De buitenlandse leveranciers van [bedrijf 5] waren volgens hem leveranciers uit Turkije, Duitsland en Spanje. Leveranciers van buiten Europa werden door [naam 2] [medeverdachte 1] gedaan, aldus [betrokkene 8]. [betrokkene 8] wist wel dat er bananen waren binnengekomen uit Zuid-Amerika. [medeverdachte 1] heeft ermee gehandeld en deed alles daarin zelf. [betrokkene 8] verklaarde verder dat hij zag dat er geen winst uit die handel in bananen kwam. In die tijd kocht [bedrijf 5] zijn bananen in bij een buurman op de Groothandelsmarkt die gespecialiseerd was in bananen en de beste kwaliteit had. Mijn klanten willen dat merk bananen hebben, zo verklaarde [betrokkene 8]. Over de `overeenkomst aansprakelijke vertegenwoordiger onder globaal nummer', een overeenkomst tussen [betrokkene 8] van [bedrijf 5] en [bedrijf 11] van 26 april 2012, verklaarde hij dat hij dat ondertekend en geparafeerd heeft. [medeverdachte 1] kwam met dat formulier en vroeg of hij dat wilde ondertekenen. [naam 2] vertelde hem dat het nodig was om bananen te importeren. [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreft [bedrijf 2] een besloten vennootschap, met als adres [adres 6] te Rotterdam. De datum van oprichting is 26 november 1986. Met ingang van 2 april 2012 betreffen de activiteiten: een Groothandel in groenten en fruit en de im-, export en handel in groenten en fruit. Van 14 maart 2012 tot aan 02 mei 2012 was [betrokkene 12] (hierna: [betrokkene 12]) enig aandeelhouder van [bedrijf 2]. Zij werd opgevolgd door [betrokkene 13], die enig aandeelhouder bleef tot 27 juni 2013. Op 12 augustus 2014 is [bedrijf 2] failliet verklaard. Uit de gegevens verkregen van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 2] in de jaren 2007 tot en met 2011 aangifte heeft gedaan voor de omzetbelasting. In het jaar 2011 werd er alleen maar in de eerste twee kwartalen aangifte gedaan voor de Omzetbelasting. In de vier kwartalen van 2012 en van 2013 werd geen aangifte gedaan voor de omzetbelasting. Uit de aangiften Vennootschapsbelasting kan worden opgemaakt dat [bedrijf 2] in de jaren 2007 tot en met 2011 een negatief vermogen heeft gehad. Op 15 november 2012 vond er een gesprek plaats tussen de Belastingdienst en de directeur grootaandeelhouder [betrokkene 13] van [bedrijf 2], op het adres [adres 7] te Den Haag. [betrokkene 13] deelde daarbij mede dat de activiteiten van [bedrijf 2] werden gestaakt op 15 oktober 2012. De belangrijkste klant was volgens [betrokkene 13] [betrokkene 14] op de Groothandelsmarkt. De boekhouder van [bedrijf 2] was [betrokkene 15]. [betrokkene 13] wist echter niet waar zijn boekhouder woonde en wat zijn telefoonnummer was. Hij kon geen contact meer met zijn boekhouder krijgen. [betrokkene 13] heeft richting de Belastingdienst verder geen administratie overgelegd. Klanten van [bedrijf 2] zijn niet bekend geworden. Op 4 december 2012 werd vastgesteld dat [betrokkene 13] en [bedrijf 2] onbekend waren in de administratie van [betrokkene 14]. [bedrijf 2] had twee bankrekeningen in gebruik: een ING rekening [bankrekeningnummer 8] en een Rabobank rekening [bankrekeningnummer 9]. Uit de bankafschriften van de Rabobank rekening [bankrekeningnummer 9] blijkt dat in de periode van 19 juli tot en met 17 augustus 2012 zeven bijschrijvingen plaatsvonden van [bedrijf 5] onder vermelding van twee factuurnummers. Het totaalbedrag was € 55.684,58. Uit de bankafschriften van de Rabobank rekening blijkt verder dat in de periode van 25 mei tot en met 18 september 2012 twintig contante stortingen plaatsvonden met een totaalbedrag van € 109.960,-. Aan de hand van de bankafschriften van de Rabobank rekening werd verder vastgesteld dat er in de periode van 31 juli 2012 tot en met 14 september 2012 overboekingen plaatsvonden met een totaalbedrag van € 116.766,62 naar het Ecuadoraanse bedrijf [bedrijf 19]. Na 24 september 2012 werden er geen betalingen meer verricht vanaf de RABO bankrekening. Uit het historisch overzicht van de gebruikte IP-adressen bij het inloggen op de Rabobank rekening [bankrekeningnummer 9] blijkt dat er op 20 juni 2012 werd ingelogd vanaf het adres van [bedrijf 5] en dat op 3 en 28 september 2012 werd ingelogd vanaf het adres van [bedrijf 6] aan de [adres 5] te Zoetermeer. De ING bankrekening [bankrekeningnummer 8] werd op 3 april 2012 door [betrokkene 12] geopend. Zij ontving de betaalpas, de bijbehorende pincode, de gebruikersnaam/wachtwoord van Mijn ING Zakelijk en de TAN activeringscode. Uit de bankafschriften van de ING rekening blijkt dat in de periode van 5 april tot en met 2 mei 2012 zes contante stortingen plaatsvonden met een totaalbedrag van € 29.870,-. Uit de bankafschriften blijkt verder dat op 10 april 2012 een bedrag van € 24.940,02 ($ 32.432,-) werd overgeboekt naar [bedrijf 26]. Door het inklaringsbedrijf [bedrijf 11] te Antwerpen, werden gegevens overgelegd met betrekking tot de inklaringen van containers voor [bedrijf 2]. Uit deze gegevens blijkt dat [bedrijf 11] ten behoeve van [bedrijf 2] 22 containers heeft ingeklaard in een tijdsbestek van 4 maanden te weten van april 2012 tot en met juli 2012 uiteenvallend in drie leveringen met alleen maar bananen. Deze 22 containers met bananen zijn afkomstig van de Zuid-Amerikaanse ondernemingen [bedrijf 26] en [bedrijf 27]. Uit de ontvangen informatie van [bedrijf 11] blijkt tevens dat twee containers van de eerste lading afgekeurd werden in verband met rotting van het fruit. De inhoud van deze containers is vernietigd. De kosten daarvan waren voor rekening van [bedrijf 2]. Een nadere analyse van de door [bedrijf 11] verstrekte informatie wees uit dat het totaal te betalen bedrag van de invoices van [bedrijf 27] aan [bedrijf 2] $ 411.696,-. bedroeg ($ 64.184,40, $ 121.888,80, $ 42.789,60 en $182.833,20). In e-mails van 25 april 2012 en 11 juli 2012 verzoekt [bedrijf 2], [bedrijf 11] haar te informeren over de transportkosten naar het adres Groothandelsmarkt, Postcode 3044 HA. In een e-mail van 19 juli 2012 geeft [betrokkene 13], namens [bedrijf 2] aan dat het bezorgadres voor het eindtransport voor vijf containers met verse bananen is: [bedrijf 5], [adres 4] Rotterdam, Tel.: [telefoonnummer 2]. [betrokkene 12] verklaarde over haar rol in het bedrijf dat zij het bedrijf voor €1,- had overgenomen. Kort daarop stelde [verdachte] aan haar voor om in de fruithandel te gaan. Daarop is de activiteit in het handelsregister aangepast. [verdachte] was daarbij. Zij heeft een bankrekening geopend, maar moest de bankpassen en inlogcodes aan [verdachte] afgeven. Zij heeft zelf geen gebruik gemaakt van de bankrekeningen. Zij weet ook niets van contante stortingen op de bankrekeningen. Zij is slechts twee keer op kantoor geweest is. Na de tweede keer moest zij de sleutel inleveren en mocht niet meer op het kantoor komen. Zij weet verder niet of het bedrijf een website had, en weet ook niet wie de leveranciers van fruit waren of de klanten waren. Zij wist verder dat [betrokkene 15] voor [bedrijf 2] werkte. Alles werd onder de verantwoording van [verdachte] gedaan binnen het bedrijf. [verdachte] had de totale zeggenschap, aldus [betrokkene 12]. Na anderhalve maand is zij gestopt met [bedrijf 2]. Zij heeft geen geld gekregen bij de overdacht van het bedrijf. [betrokkene 13] verklaarde dat hij door [betrokkene 3] werd gevraagd een bedrijf op zijn naam te zetten, voor 2 à 3 maanden. Hij zou hier 20.000 euro voor krijgen. [betrokkene 13] verklaarde dat hij dit bedrijf in juni of juli op zijn naam heeft gekregen, en dat hij niet zelf naar de kamer van koophandel is geweest. Hij is wel naar de notaris geweest. [naam 5] heeft hem toen 800 euro contant meegegeven om de notaris mee te betalen. [betrokkene 13] moest naar de bank gaan om een betaalrekening te openen op naam van het bedrijf. De pas van deze rekening heeft hij vervolgens afgegeven aan zijn zwager [betrokkene 16]. De pincode die hij toegestuurd kreeg heeft hij ook afgegeven aan [naam 5]. Hij heeft ook van [betrokkene 3] 2.000 euro contant gekregen om de achterstallige huur van het pand te betalen. Van de beloofde 20.000 euro heeft hij maar 200 of 300 euro gekregen. Hij heeft niets voor [bedrijf 2] betaald. Op de akte stond dat hij er 1 euro voor betaald had. [betrokkene 13] verklaarde dat hij geen verstand had van fruithandel. Hij vroeg nog aan [naam 5] wie de belasting zou gaan betalen, waarop [naam 5] zei dat dat allemaal geregeld zou worden. [betrokkene 13] verklaarde dat hij het kantoor van [bedrijf 2] nooit heeft gezien, geen werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 2], en geen salaris heeft ontvangen. Toen hij van het bedrijf af wilde heeft [naam 5] iemand gezocht en een notaris geregeld. [betrokkene 15] heeft verklaard dat hij via [betrokkene 12] in contact was gekomen met een Turkse man uit Rotterdam genaamd [naam 6] of [naam 7]. Deze man had een leidinggevende rol en meer overwicht. Hij had het vermoeden dat [betrokkene 12] een soort zetbaas van [naam 7] was. Hij werd gevraagd om voor [betrokkene 12] in de fruithandel te komen werken voor een paar uur per dag. Bij het laatste gesprek dat hij met [betrokkene 12] had voordat hij voor [bedrijf 2] ging werken was [naam 7] aanwezig, gelooft [betrokkene 15]. Het leek erop of [naam 7] de beslisser was. [betrokkene 12] kwam maar sporadisch op het kantoor langs, aldus [betrokkene 15]. [betrokkene 15] verklaarde verder dat hij de eerste keer dat hij bij [bedrijf 2] ging werken, in de eerste week van april 2012, door [naam 7] met de auto thuis werd opgehaald. Op kantoor werd hem door [naam 7] uitgelegd waar hij moest zitten en wat hij moest doen. [betrokkene 15] verklaarde dat hij in de periode van april tot en met juni 2012 werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf 2] aan de [adres 6] 102-120. Hij heeft verder verklaard dat op kantoor meerdere computers van meerdere bedrijven stonden. Zo ook van het bedrijf [bedrijf 5] op de Groothandelsmarkt. Naast deze bedrijven stonden er ook nog zeker twee computers van andere bedrijven. Begin mei werd [betrokkene 15] door kleine [naam 4] meegenomen naar de Mac Donalds in de Spaanse polder. Daar zag hij [naam 8] voor het eerst. Er was ook een neef van [naam 7] aanwezig. Er werd toen tegen [betrokkene 15] gezegd dat er problemen waren maar dat er doorgewerkt zou worden vanaf een andere locatie. Vanaf dat moment werd er gewerkt vanaf de Goothandelsmarkt in Rotterdam, aldus [betrokkene 15]. Kort daarna, ergens begin juni 2012, werd er aan [betrokkene 15] gevraagd of hij een andere locatie wilde zoeken met een grote opslagruimte. [betrokkene 15] is toen gaan zoeken en heeft drie locaties gevonden en deze voorgelegd aan kleine [naam 4] en [naam 8]. Uiteindelijk is door grote [naam 4] en [naam 8] de [adres 5] en de locatie in Spaanse Polder gekozen. De [adres 5] is begin juli in bedrijf genomen, zo verklaarde [betrokkene 15]. [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]) Op 8 oktober 2012 werd in de haven van Antwerpen een partij van 8.032,75 kilo cocaïne aangetroffen in een container met bananen uit Ecuador. De container was afkomstig van het schip CSAV dat op 7 oktober 2012 de haven van Antwerpen aandeed. De container was afkomstig van de onderneming [bedrijf 28] te Guayaquil, Ecuador en bestemd voor de onderneming [bedrijf 6], [adres 5] Zoetermeer t.a.v. [betrokkene 4]. Op 9 oktober 2012 werd de container onder politiecontrole vanuit Antwerpen getransporteerd naar de Groothandelsmarkt te Rotterdam en afgeleverd bij het bedrijf [BEDRIJF 3]. Toen de daar aanwezigen de container begonnen te lossen, werden alle betrokkenen ter plaatse aangehouden. Enig moment later volgde de aanhouding van een vijfde verdachte, [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn voor hun betrokkenheid in deze zaak in hoger beroep door het gerechtshof te Den Haag op 2 november 2016 elk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreft [bedrijf 6] een groothandel in groenten en fruit en winkels in aardappelen, groenten en fruit. De eerste inschrijving was 27 juni 2007. De laatste statutenwijziging dateert van 12 juni 2012. Het vestigingsadres is Zoetermeer aan de [adres 5]. Voorheen was de rechtspersoon genaamd [bedrijf 25] en zat het gevestigd aan de [adres 8] te Waalwijk. In die tijd was de bedrijfsomschrijving het beleggen en beheren van vermogen. Gedurende de onderzoeksperiode in onderzoek Murdoch van 01 januari 2011 tot april 2014 heeft [bedrijf 6] twee directeur grootaandeelhouders gekend te weten: 1. betrokkene 4], [geboortedatum en –plaats] tot 12 juli 2012; 2. [ betrokkene 11], [geboortedatum en –plaats] van 31 juli 2012 tot 5 september 2013. Op 5 september 2013 wordt [bedrijf 6] uitgeschreven uit de registers van de Kamer van Koophandel wegens opheffing van de vestiging. De inschrijving in de Kamer van Koophandel wordt ambtshalve doorgehaald. [bedrijf 6] heeft (blijkens de door de Rabobank verstrekte informatie, waaronder een Rapport van de financiële groep [bedrijf 6]) meer dan 50% aandelen van [bedrijf 29], meer dan 50% aandelen van [bedrijf 5] en meer dan 50% aandelen van [bedrijf 30]. De grootaandeelhouder van [bedrijf 6] is [betrokkene 4]. [bedrijf 29] heeft als bestuurder [bedrijf 6]. [bedrijf 5] heeft als bestuurder [bedrijf 6]. [bedrijf 30] heeft als bestuurder [bedrijf 6]. Uit de gegevens verkregen van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 6] over de jaren 2007 tot en met 2012 aangiften omzetbelasting ingediend. Daarbij is telkens aangegeven dat de omzet €0,- bedroeg. Over het derde kwartaal van 2012 heeft de belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd van € 250,-. Met betrekking tot deze naheffingsaanslag werd er door de belastingdienst een boete opgelegd van € 111,-. Uit de door de belastingdienst ter beschikking gestelde gegevens kan worden opgemaakt dat deze naheffingsaanslag, die gericht was aan [bedrijf 6] betaald is door [bedrijf 5] en dat daarbij de bankrekening van [bedrijf 5] bij de Rabobank is gebruikt met het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 7]. Volgens de gegevens van de Belastingdienst heeft [bedrijf 6] een bankrekening bij de Rabobank Nederland U.A. te weten: een bankrekening met nummer [bankrekeningnummer 10]. Uit de opgevraagde bankgegevens blijkt dat [betrokkene 4] de enige gemachtigde is op de bankrekening. Er zijn geen verdere volmachten aanwezig. Ook is er geen kredietdossier aanwezig. Uit analyse van de mutaties van dit rekeningnummer blijkt dat er in de periode van 01 januari 2011 tot 12 juni 2012 slechts een minimaal aantal afboekingen waren welke betrekking hadden op bancaire kosten en het opladen van een chipknip. Vanaf 12 juni 2012 vergroot de activiteit op de rekening. In de periode van 25 juli 2012 tot en met 26 september 2012 vinden tien overboekingen plaats aan [bedrijf 19] van in totaal € 123.433,18. Daarnaast zijn er overboekingen aan [bedrijf 11]. Voorafgaand aan deze 10 overboekingen naar [bedrijf 19] in Ecuador plus de overboekingen naar [bedrijf 11] vonden er steeds contante stortingen plaats op de Rabobankrekening om betreffende betalingen te kunnen verrichten. Het totaalbedrag aan kasstortingen in de periode 9 juli 2012 tot en met 9 oktober 2012 bedraagt € 194.500,-. Uit de verstrekte gegevens ten aanzien van de gebruikte IP-adressen bij de betalingen op de Rabobank rekening [bankrekeningnummer 10] van [bedrijf 6], bleek dat in de periode van 25 juli 2012 tot en met 9 oktober 2012 overboekingen/betalingen zijn verricht waarbij gebruik werd gemaakt van (onder meer) IP-adressen van [bedrijf 5] en [bedrijf 6]. Op 9 oktober 2012 werden er (binnen onderzoek Dazzler) bij een doorzoeking aan de [adres 5] te Zoetermeer, het vestigingsadres van [bedrijf 6], onder andere een laptop van het merk Acer en een USB stick in beslag genomen. In de daarop aangetroffen bestanden stond een brief die gericht was aan de heer [betrokkene 17] en die betrekking had op de onderneming [bedrijf 2]. Daarnaast is een aantal schermafdrukken aangetroffen. Daarop stond vermeld dat er bij de Rabobank ingelogd was als [bedrijf 5]. Op een overzicht stond ook de rekening courant van [bedrijf 5] vermeld, nummer [bankrekeningnummer 7]. Uit de gegevens die ontvangen zijn van het inklaringsbedrijf [bedrijf 11] te Antwerpen blijkt dat er vijf dossiers zijn die betrekking hebben op leveringen van containers fruit voor de rechtspersoon [bedrijf 6] welke door [bedrijf 11] zijn ingeklaard (respectievelijk drie containers met bananen, een container met ananassen, vier containers met bananen, drie containers met bananen en vijf containers met bananen.). Deze zestien containers vallen in drie leveringen uiteen te weten: drie containers op 14 september 2012 met bananen; vijf containers op 20 september 2012 met bananen en acht containers op 8 oktober 2012 waarvan één container met ananassen en zeven containers met bananen. Uit de facturen in de dossiers, afkomstig van [bedrijf 28] en gericht aan [bedrijf 6], blijkt dat er in totaal een bedrag van $ 258.836,64 is gefactureerd aan [bedrijf 6] voor de levering van het fruit in genoemde periode. Uit verschillende van die facturen blijkt dat de gefactureerde bedragen moeten worden overgemaakt naar de onderneming [bedrijf 19] in Guayaquil, Ecuador. [betrokkene 11] was directeur / groot aandeelhouder van [bedrijf 6] ten tijde van de invoer de lading welke bestemd was voor de onderneming [bedrijf 6], waarin cocaïne werd aangetroffen. Hij beriep zich tijdens zijn verhoren op zijn zwijgrecht. [bedrijf 12] (hierna: [bedrijf 12]) Op 28 mei 2013 werden in Ecuador vier personen aangehouden en 244 kilogram cocaïne in beslag genomen. Eén van de vier personen bleek in het bezit te zijn van de Bill of Lading voor de container CRLU1160914 met als bestemming [bedrijf 12] en als lading cassaves die afkomstig waren van [bedrijf 31]. Op 4 mei 2013 werd in de haven van Rotterdam een container met cassaves voor [bedrijf 12] gecontroleerd (containernummer CRLU1160914), in deze container werden geen verdovende middelen aangetroffen. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreft [bedrijf 12] een besloten vennootschap, waarvan de activiteiten primair zien op het drijven van een groothandel in groenten en fruit, waaronder begrepen het in- en verkopen, im- en export van groenten en fruit, alsmede de import van exotische vruchten en levensmiddelen. Het bezoekadres is [adres 9] te Ridderkerk. [medeverdachte 4] staat sinds 18 januari 2013 ingeschreven als enig aandeelhouder/directeur van dit bedrijf. Deze datum is ook de datum van de laatste statutenwijziging. Voordat [medeverdachte 4] als enig aandeelhouder/directeur stond ingeschreven was de bedrijfsomschrijving: exploitatie van een uitzendbureau. Uit de gegevens verkregen van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 12] voor 2013 (1e kwartaal) geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Uit de door de ING verstrekte gegevens blijkt dat de rekening [bankrekeningnummer 11] op 6 februari 2013 werd geopend op naam van [bedrijf 12], gevestigd [adres 9] te Ridderkerk. [bedrijf 12] werd vertegenwoordigd door [medeverdachte 4]. Er zijn twee bankpassen verstrekt op naam van [medeverdachte 4]. Er zijn geen volmachten afgegeven. Er is verder nooit een kredietdossier ten aanzien van de klant, [bedrijf 12] aangemaakt. De ING rekening [bankrekeningnummer 11] bleek in de periode 13 februari 2012 tot en met 14 maart 2013 gevoed te worden door contante stortingen (€ 8.500,-, € 2.300,- en € 13.500,-). Uit nader onderzoek naar de afschriften van het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 11] (vanaf 13 maart 2013 tot en met 19 november 2013) bleek onder andere dat deze rekening telkens werd gevoed met contante stortingen. In totaal werd op dit rekeningnummer vanaf 12 februari 2013 tot en met 19 november 2013 € 199.140,- contant gestort. Verder bleek dat deze stortingen telkens gedaan werden kort voordat grote bedragen naar het buitenland werden overgemaakt. Uit het verkregen overzicht bleek dat er een aantal betalingen waren gedaan naar bedrijven in Midden- en Zuid-Amerika, zijnde: [bedrijf 31]; [bedrijf 32]; [bedrijf 33]; en [bedrijf 34]. In totaal werd er ruim 120.000 euro overgeboekt naar deze bedrijven. Deze bedrijven houden zich bezig met het vervoer van containers over zee en de verkoop van fruit. Naar aanleiding van deze contante stortingen werden bij onderstaande stortingen/opnames de camerabeelden opgevraagd van de kantoren waar deze stortingen/opnames plaats hadden gevonden. Uit de verkregen beelden bleek dat [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [betrokkene 18], betrokken waren bij deze contante stortingen. [medeverdachte 4] verklaarde over zijn positie binnen [bedrijf 12] dat hij benaderd is door iemand met de bijnaam “[bijnaam 1]”. "De [bijnaam 1]", [naam 9] en hij hebben toen met elkaar gesproken. Hij zou voor het opstarten van het bedrijf 50.000 euro krijgen. De 50.000 euro heeft hij nooit gehad.De [bijnaam 1] heeft aan hem gevraagd of hij een bedrijf op naam wilde zetten en vertelde dat het de bedoeling was dat zij fruit en groenten zouden gaan bestellen in Zuid-Amerika en dat er iets bij de lading gestopt zou worden. [medeverdachte 4] verklaarde dat hij gelijk door had dat dit om drugs zou gaan. De [bijnaam 1] vertelde hen dat zij een bedrijf moesten zoeken wat overgenomen kon worden en reeds langere tijd bestond. Verder moesten zij een website, een kantoorpand, een e-mailadres en een telefoon regelen. Bij de tweede ontmoeting met "de [bijnaam 1]" kregen [naam 9] en hij te horen van de "[bijnaam 1]" dat het de bedoeling was om twee ladingen binnen te halen uit Zuid-Amerika. De eerste lading zou een proefzending zijn. [medeverdachte 4] geeft desgevraagd aan dat hij denkt dat dat inhield dat er weinig drugs in zouden zitten. Van “de [bijnaam 1]” heeft [medeverdachte 4] gehoord dat in de tweede lading minimaal 200 a 300 stuks moesten zitten. Na de twee ladingen mocht hij het bedrijf [bedrijf 12] houden en ermee doen wat hij wilde. Doorverkopen of doorgaan met de fruithandel. [medeverdachte 4] zou de B.V. op zijn naam zetten en een website voor [bedrijf 12] maken. [naam 9] zou zich bezig houden met het in- en verkopen van de groente en fruit. [naam 9] had daar namelijk ervaring mee, aldus [medeverdachte 4]. Van “de [bijnaam 1]” heeft [medeverdachte 4] € 6.000.- voor de overname van een B.V. gekregen. De optie voor een bedrijfspand aan de Handelsweg is voorgelegd aan “de [bijnaam 1]” die daarmee akkoord ging. Van “de [bijnaam 1]” kregen zij ook een briefje met daarop een e‑mailadres. Daar moesten twee containers cassaves besteld worden. Ook kregen zij van hem te horen dat zij een inklaarder moesten regelen. De inklaring is via [bedrijf 11] gegaan. De "[bijnaam 1]" heeft verder een aantal rederijen opgegeven waar gebruik van moesten worden gemaakt. Verder heeft de "[bijnaam 1]" aangegeven dat de containers binnen moesten komen in Antwerpen. [naam 9] heeft een telefoonnummer van een transporteur gekregen van "de [bijnaam 1]". Voor de inkoop kreeg [naam 9] geld van "de [bijnaam 1]" of van de mensen van "de [bijnaam 1]", Verder was afgesproken dat met de opbrengsten van de verkopen van het groente en fruit de rekeningen van [bedrijf 12] betaald werden. [naam 9] en hij mochten wat "zakgeld" ervan pakken. Wat overbleef werd weer aangevuld met geld van "de [bijnaam 1]" om weer een nieuwe bestelling te plaatsen. Ongeveer twee maanden nadat zij de cassaves hadden gekregen hebben zij limoenen besteld. Deze bestelling werd geplaatst omdat "de [bijnaam 1]" had aangegeven bij [naam 9] dat er limoenen besteld moesten worden bij een bepaald bedrijf. Dit bedrijf heette [bedrijf 35] en was weer een ander bedrijf dan waar de cassaves besteld waren. [naam 9] had ook weer van "de [bijnaam 1]" een emailadres op een briefje gekregen van "de [bijnaam 1]" of van één van zijn jongens. Deze bestelling zou ook weer een proefzending met drugs hebben, aldus [medeverdachte 4]. Na de limoenen zijn in opdracht van "de [bijnaam 1]" twee containers met pulp besteld. [medeverdachte 4] en [naam 9] kregen ook hier van "de [bijnaam 1]" een bedrijfsnaam door uit Zuid-Amerika waar zij de pulp moesten bestellen.[medeverdachte 4] herkent op een foto verdachte [verdachte] als “de [bijnaam 1]. Er zijn volgens [medeverdachte 4] vijf containers binnengekomen: twee met cassaves, één met limoenen, en twee met bevroren mango pulp. Vanaf de eerste container hadden er drugs in moeten zitten, aldus [medeverdachte 4]. [telefoonnummer 3] Uit de analyse van de door de ABN Amrobank verstrekte gegevens bleek dat de betalingen van [bedrijf 17] / [bedrijf 1] aan het buitenland in de periode van 19 april 2012 tot en met 3 mei 2012 via het internet werden verricht. Hierbij werd gebruik gemaakt van dynamische IP-adressen van KPN. Die IP-adressen waren alle uitgegeven aan het prepaid nummer [telefoonnummer 3]. Uit de door KPN verstrekte historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (een prepaid telefoon) blijkt dat in de periode van 8 maart 2012 tot en met 4 mei 2012 de internetverbindingen hoofdzakelijk plaatsvonden via telefoonmasten die gelegen zijn in de directe omgeving van de [adres 6] te Rotterdam, zijnde het toenmalig adres van [bedrijf 2]. In de periode van 7 mei 2012 tot en met 11 mei 2012 vonden de internetverbindingen plaats via telefoonmasten welke gelegen zijn in de directe omgeving van het bedrijf [bedrijf 5]. In de periode van 25 juli 2012 tot en met 11 september 2012 (en met name in augustus 2012) vonden er regelmatig internetverbindingen plaats via de telefoonmasten die gelegen zijn in de directe omgeving van de [adres 5] te Zoetermeer, het bedrijfspand van [bedrijf 6]. Uit bankafschriften bleek dat het beltegoed van het prepaidinternetnummer [telefoonnummer 3] onder meer werd opgewaardeerd door middel van iDeal-betalingen vanaf de bankrekeningen van [medeverdachte 2] (op 9 juli 2011 en op 12 en 13 augustus 2011), [bedrijf 1] (op 22 augustus 2011, op 8 september 2011 en op 17 en 28 oktober 2011), [bedrijf 16] (5 maart 2012 en op 13 april 2012) en [bedrijf 4] (op 28 maart 2012) [telefoonnummer 4] [betrokkene 7] heeft aangegeven dat hij twee KPN dongels had gekocht in opdracht van zijn klant. In zijn administratie staat als klantgegevens: [naam 2] [medeverdachte 1] [telefoonnummer 5]. Daarnaast had dat hij de lege doosjes van deze dongels nog. [betrokkene 7] heeft de foto's van de doosjes per mail opgestuurd. De eerste dongel had het imeinummer [imeinummer 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 4]. Uit de historische gegevens aangaande het gebruik van dit telefoonnummer blijkt dat op tijdstippen in februari en maart 2012 de internetverbindingen plaatsvonden via de telefoonmasten gelegen nabij het vestigingsadres van [bedrijf 1]. Op verschillende tijdstippen in maart 2012 vonden internetverbindingen plaats via de telefoonmasten gelegen in de nabijheid van de [adres 2] te Rotterdam, zijnde de woning waar [verdachte] op 4 mei 2012 aangehouden werd in het onderzoek Repin. In de periode van 8 maart 2012 tot en met 4 mei 2012 vonden de internetverbindingen hoofdzakelijk plaats via de telefoonmasten in de omgeving van het adres van het bedrijf [bedrijf 2]. In de periode van 7 mei 2012 tot en met 11 mei 2012 vonden de internetverbindingen plaats via telefoonmasten nabij de vestigingsplaats van het bedrijf [bedrijf 5], gevestigd op de [adres 4] te Rotterdam. In de periode van 16 juli 2012 tot en met 21 september 2012 vonden er regelmatig internetverbindingen plaats via de telefoonmast nabij het bedrijfspand van [bedrijf 6]. Uit bankafschriften bleek dat het beltegoed van het prepaidinternetnummer [telefoonnummer 4] werd opgewaardeerd door middel van internetbetalingen vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] (6 maart 2012) en [medeverdachte 2] (14 juli 2012). [telefoonnummer 6] De tweede dongel waarover [betrokkene 7] sprak en de gegevens van had overgelegd had het imei-nummer [imeinummer 2] en het telefoonnummer: [telefoonnummer 6]. Deze dongel is op 4 mei 2012 aangetroffen (op een nachtkastje, dan wel op een sidetable in de hal) bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres 2] te Rotterdam in het kader van het onderzoek Repin. [telefoonnummer 7] Op 25 februari 2012 werd in de haven van Guayaquil (Ecuador) een partij van 3.668 kg cocaïne in beslaggenomen. Deze partij zat verstopt in containers met cassave en ananas die bestemd waren voor een bedrijf genaamd [bedrijf 1]. Als telefoonnummer van [bedrijf 1] stond op het vervoersdocument vermeld: [telefoonnummer 7]. Uit de historische verkeersgegevens betreffende dit telefoonnummer blijkt dat de telefoonverbindingen hoofdzakelijk plaatsvonden via een telefoonmast in de nabijheid van het vestigingsadres van [bedrijf 1]. Echter werd er ook contact gelegd (op 17 januari 2012) via een mast gelegen nabij het pand van [bedrijf 5], en (op 4 januari 2012) via de telefoonmast gelegen in de directe omgeving van het verblijfadres van [medeverdachte 2]. Dit telefoonnummer werd op 2 november 2011 opgewaardeerd vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] en op 9 november 2011 vanaf de bankrekening van [bedrijf 16]. De opwaardering op 2 november 2011 vond plaats onder de klantnaam [naam 10]. [telefoonnummer 8] In het kader van het onderzoek Repin werden gegevens verkregen van de verhuurder van het pand alwaar [bedrijf 1] gevestigd was. Bij de verstrekte gegevens zat een e‑mailwisseling tussen [bedrijf 1] en de verhuurder. Daarbij werd als één van de telefoonnummers van [bedrijf 1] vermeld: [telefoonnummer 8]. Uit historische gegevens aangaande het gebruik van dit telefoonnummer blijkt dat in de periode 11 december 2011 tot en met 5 april 2012 de telefoonverbindingen hoofdzakelijk plaatsvonden via de telefoonmasten gelegen in de nabijheid van het vestigingsadres van [bedrijf 1]. Op 23 december 2011 vond de telefoonverbinding plaats via de telefoonmast die is gelegen in de directe omgeving van de woning van verdachte [medeverdachte 2]. Op verschillende data in april 2012 en op 1 mei 2012 vonden telefoonverbindingen plaats via telefoonmasten in de directe omgeving van het toenmalig verblijfadres van de verdachte [verdachte], de [adres 2] te Rotterdam. Op 20, 27 en 31 januari 2012, op 8 februari 2012, op 6 en 25 april 2012 en op 8 mei 2012 vonden de telefoonverbindingen plaats via telefoonmasten welke gelegen zijn nabij het pand van [bedrijf 5]. Op verschillende data in april 2012 vonden er telefoonverbindingen plaats via de telefoonmasten in de directe omgeving van het adres van [bedrijf 2]. Door middel van internetbankieren werd op 9 november 2011 het beltegoed van dit telefoonnummer opgewaardeerd vanaf de bankrekening van [bedrijf 16]. [telefoonnummer 9] De domeinnaam [domeinnaam 1] werd op 14 september 2011 geregistreerd. De aanvrager/houder van deze domeinnaam maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 9] en had als adres de [adres 10] te Rotterdam. Op dit adres was tot aan het faillissement op 8 november 2011 gevestigd: [bedrijf 17]. De naam [bedrijf 17] [bedrijf 1] werd gebruikt als handelsnaam van [bedrijf 1]. Uit de rekeningafschriften van [medeverdachte 2] bleek dat op 20 september 2011 een bedrag van 1 eurocent werd overgemaakt voor de activatiecode van het telefoonnummer [telefoonnummer 9]. De kosten voor de registratie van de domeinnaam [domeinnaam 1] op 14 september 2011 zijn betaald vanaf de ABN AMRO bankrekening [bankrekeningnummer 12]van [medeverdachte 2]. [telefoonnummer 10] Op 9 oktober 2012 werd bij een doorzoeking op het adres van [bedrijf 6] aan de [adres 5]te Zoetermeer in een bureau een dongel voorzien van het imeinummer 357534042257862 aangetroffen. Het imeinummer behoort bij het nummer [telefoonnummer 10]. Uit de historische gegevens aangaande het gebruik van dit telefoonnummer, dat alleen voor internet (dongel) gebruikt werd, blijkt dat de internetverbindingen in de periode van 10 april 2012 tot en met 4 mei 2012 en tussen 14 en 17 mei 2012 plaatsvonden middels de telefoonmasten in de nabijheid van de [adres 6] te Rotterdam, zijnde het adres waar het bedrijf [bedrijf 2] in april en mei 2012 activiteiten ontplooide. In de periode van 6 tot en met 11 mei 2012, op 18 mei en in de periode van 21 tot en met 24 mei 2012 vonden de internetverbindingen hoofdzakelijk plaats via de telefoonmasten in de nabijheid van het bedrijf [bedrijf 5], gevestigd op de [adres 4] te Rotterdam. Op 25 en 28 mei 2012 en op verschillende data in juni 2012 vonden er internetverbindingen plaats via telefoonmasten in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 2]. In de periode van 23 juli 2012 tot en met 9 oktober 2012 vonden de internetverbindingen hoofdzakelijk plaats via telefoonmasten te Zoetermeer, nabij het bedrijfspand van [bedrijf 6]. Uit verschillende bankafschriften blijkt dat het tegoed voor dit telefoonnummer werd opgewaardeerd van de bankrekeningen van [bedrijf 16](op 12 april 2012), [bedrijf 4] (op 11 mei 2012) en [bedrijf 6] (op 24 september 2012) [telefoonnummer 1] Op 9 mei 2012 werd in de haven in een zeecontainer 35 kg cocaïne aangetroffen. Volgens de Bill of Lading was de container bestemd voor de [bedrijf 5]. Als telefoonnummer stond op de Bill of lading vermeld: [telefoonnummer 1]. Uit door (kantoorverhuurder) Regus verstrekte informatie bleek dat dit telefoonnummer aan [bedrijf 2] was toegewezen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 augustus 2012. domeinnamen [domeinnaam 2]en [domeinnaam 3] De domeinnamen [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3] zijn door [betrokkene 7] aangevraagd. Beide domeinnamen werden op 2 maart 2012 geregistreerd en zijn op 2 maart 2013 verlopen omdat de registratie niet verlengd werd. De kosten verbonden aan de registratie voor de beide domeinnamen ter grootte van tweemaal € 36,76 werden door middel van iDeal betaald vanaf de Rabobankrekening [bankrekeningnummer 13] van [betrokkene 7] te Rotterdam. Deze internetbetalingen werden gedaan vanaf het lP-adres van [IP-adres 1]. Dit IP-adres werd in de periode van 20 januari 2012 tot en met 18 april 2012 gebruikt bij het internetbankieren op de ABN AMRO rekening [bankrekeningnummer 1] en op de Rabobankrekening [bankrekeningnummer 3] van [bedrijf 1]. [betrokkene 7] verklaarde dat hij vanuit [bedrijf 17] de internetbetaling (vanaf eigen rekening) heeft gedaan voor de domeinregistraties van [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3]. Hij heeft daar ook drie computers geïnstalleerd. Hij heeft drie dagen gewerkt bij [bedrijf 17] en daar ook het geld ontvangen. Wat later is hij bij [bedrijf 4] of [bedrijf 5] op de Groothandelsmarkt geweest. Hij heeft een pak geld in zijn handen gekregen. Dat was zo’n 3 of 5 duizend euro. Hij heeft daarvan computers gekocht en allerlei werkzaamheden verricht. Hij heeft de opdracht voor het maken van de website van [bedrijf 5] van dezelfde man als van [bedrijf 4] gekregen. Laptops [medeverdachte 2] / werkzaamheden [medeverdachte 2] In de slaapkamer van verdachte [medeverdachte 2] werd op 9 oktober 2012 een laptop, merk Acer, aangetroffen en in beslag genomen. Uit onderzoek naar het gebruik van deze laptop blijkt dat met de gebruikersnaam en het wachtwoord met de laptop werd ingelogd op het account [e-mailadres 4]. Ook werden logbestanden van het account [e-mailadres 5] aangetroffen en werden in een tijdelijk bestand emailfragmenten aangetroffen uit april 2012 tussen [e-mailadres 5] en [e-mailadres 11] die betrekking hebben op de verzending van containers met bananen en mango's. Op de laptop werd voorts een tijdelijk bestand aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat er met de laptop op 15 mei 2012 op de ABN AMRO rekening [bankrekeningnummer 5] van [bedrijf 4] met de gebruikersnaam en het wachtwoord ingelogd werd. Ook werd een factuur van [bedrijf 15] aan [bedrijf 4], d.d. 6 maart 2012, betreffende een partij mango’s, aangetroffen op de laptop, alsmede 3 bill of ladings met de nummers MSCUP0963909, MSCUP0963891 en MSCUP0963917. De eerste twee genoemde bill of ladings waren voorzien van de datum 30 april 2012 en hadden betrekking op partijen bananen. De verzender was [bedrijf 15] en de ontvanger [bedrijf 4] te Rotterdam. Op de documenten stonden de containernummers MEDU 9031812 en TRIU 8173453 vermeld. Onderzoek aan deze laptop toonde verder aan dat met deze laptop is gezocht op de zoekwoorden: [bedrijf 4], [bedrijf 14], [bedrijf 1], “klpd afluisteren”, “kan je afgeluistert worden als je gsm bij je heb” en “[medeverdachte 2]”. Ook bleek dat met deze laptop op 7 en 8 oktober 2012 met een gebruikersnaam en wachtwoord ingelogd werd in het e‑mailaccount van [bedrijf 6] Daarnaast werd een e-mail fragment aangetroffen die betrekking had op het bedrijf [bedrijf 1]. In de BMW van [medeverdachte 2] werd op 9 oktober 2012 een laptop, merk Acer, aangetroffen en in beslag genomen. Hierop werd e-mail verkeer afkomstig van, of bestemd voor, [e-mailadres 12] over de periode van 27 maart 2012 tot en met 9 oktober 2012 aangetroffen. Daarnaast werd daarin aangetroffen een overzicht van uitgaven en herkomst van middelen van [bedrijf 2] en een groot aantal documenten die betrekking hebben op de levering van containers aan [bedrijf 2]. Voorts bleek uit onderzoek naar de inhoud van de laptop dat gezocht was op de zoekwoorden [bedrijf 5] rotterdam groothandelsmark, [bedrijf 3], [bedrijf 6], spyshop, gps volgsysteem zeer geavanceerd, en gps tracker, en “glock tabanca fiyatlar". De zoekwoorden “glock tabanca fiyatlar" hebben betrekking op de prijzen van een pistool van het merk Glock. In de laptop zijn verder aangetroffen documenten die betrekking hebben op [bedrijf 5]. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 4]. Ook voor [bedrijf 2] heeft hij soortgelijke werkzaamheden verricht. Deze bedrijven waren onder één dak. De ene keer moest hij voor [bedrijf 4] thuis wat werkzaamheden verrichten en de andere keer voor [bedrijf 2]. Dit ging in opdracht van [verdachte]. Het is volgens [medeverdachte 2] dan ook de normaalste zaak van de wereld dat er documenten voorkomen van [bedrijf 4] en [bedrijf 2] op de laptop. Voor [bedrijf 5] en [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 2] ook werkzaamheden verricht, dit ging precies op dezelfde manier. Met het track en trace systeem op internet kon hij zien wanneer het fruit aankwam. Dit meldde hij vervolgens aan verkopers als [naam 2] [medeverdachte 1], [betrokkene 19] en [betrokkene 4]. Hij geeft aan dat hij in het bezit was van een toegangspas voor het Groothandelsterrein. Die was van [betrokkene 8], aldus [medeverdachte 2]. Hij kende [betrokkene 8] voor de rest echter niet. Deze pas had hij gekregen van [naam 2] [medeverdachte 1] omdat hij en [betrokkene 15] ook bezig zijn geweest met werkzaamheden voor [bedrijf 5], aldus [medeverdachte 2]. Werkzaamheden [medeverdachte 1] [medeverdachte 1] is blijkens een proces verbaal van bevindingen werkzaam geweest, dan wel heeft werkzaamheden verricht, bij [bedrijf 1], [bedrijf 5] en [bedrijf 6]. Van de laatste onderneming, [bedrijf 6], verklaart [medeverdachte 1] dat hij daar mogelijk loswerk heeft gedaan, maar er niet werkzaam te zijn geweest. Bij de andere twee bedrijven is hij daadwerkelijk in loondienst (geweest). Hij verklaarde verder dat hij door [medeverdachte 2] op de hoogte gesteld werd van de aankomst van de container bij [BEDRIJF 3]. Daarnaast geeft hij aan dagelijks telefonisch contact te hebben gehad met [betrokkene 3] van [BEDRIJF 3] en [medeverdachte 2]. Handschriftanalyse NFI Naar aanleiding van onderzoek naar kopieën van overeenkomsten ("overeenkomsten aansprakelijke vertegenwoordiger onder globaal nummer") tussen verschillende fruitbedrijven ([bedrijf 1], [bedrijf 4], [bedrijf 2], [bedrijf 5]) en [bedrijf 11] concludeerde het Nederlands Forensisch Instituut het waarschijnlijker te vinden dat de overeenkomsten op naam van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] door dezelfde persoon zijn ingevuld, dan dat zij door verschillende personen zijn ingevuld. Tot een zelfde conclusie kwam het NFI ten aanzien van de overeenkomsten op naam van [bedrijf 2] en [bedrijf 6]. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of, gelet op het voorgaande, de verschillende bedrijven, in onderlinge samenhang bezien, kunnen worden getypeerd als een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur. Daarbij kunnen elementen als gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, taakverdeling en hiërarchie van belang zijn. De rechtbank ziet, gelet op de voorgaande schets van de verschillende bedrijven, grote overeenkomsten in handelwijze. Alle bedrijven importeerden zuidvruchten van Zuid-Amerikaanse bedrijven. Telkens werd daarbij het inklaringsbedrijf [bedrijf 11] gebruikt. Ook het bedrijf [bedrijf 19] komt in de dossiers regelmatig voor als (intermediar van) de verschillende handelspartners. Opvallend is ook dat bij alle bedrijven de betalingen aan Zuid-Amerika voorafgegaan werden door stortingen van grote contante bedragen op de rekening van Nederlandse bedrijven. Ook werd er door het merendeel van de bedrijven geen omzetbelasting betaald in en rond de periode dat de containers met fruit binnenkwamen. Uit het dossier is verder niet gebleken van serieuze boekhouding door één van de bedrijven, gedurende de periode dat de containers werden besteld/ingevoerd. Tussen de bedrijven bestaat verder een grote mate van onderlinge verwevenheid. In de tijdspanne van juli 2011 tot en met november 2013 volgden, in meer of mindere mate, de bedrijven elkaar telkens op wat betreft activiteiten. Voorts zijn meerdere verdachten in dit onderzoek werkzaam geweest bij meerdere bedrijven. [medeverdachte 2] verklaarde werkzaamheden te hebben verricht voor [bedrijf 17], [bedrijf 1], [BEDRIJF 3], [bedrijf 4], [bedrijf 2] en [bedrijf 5]. Uit de verklaringen van [betrokkene 1] blijkt dat [medeverdachte 2] ook op de laptop van [BEDRIJF 3] heeft gewerkt. Gebleken is dat [medeverdachte 1] werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf 1], [bedrijf 4], [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 6]. Ook is gebleken dat [verdachte] betrokken is geweest bij [bedrijf 17], [bedrijf 1], [BEDRIJF 3], [bedrijf 4], [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 12]. [medeverdachte 2] verklaarde verder dat de bedrijven waarvoor hij werkzaamheden verrichtte, min of meer onder één dak zaten. [betrokkene 7] verklaarde overeenkomstig. Hij verklaarde dat hij van dezelfde persoon de opdracht had gekregen websites voor [bedrijf 5] en [bedrijf 4] te bouwen. Hij verklaarde verder dat hij vanuit [bedrijf 17] de internetbetaling heeft gedaan voor de domeinregistraties van [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3], en daar ook drie computers heeft geïnstalleerd. Hij heeft drie dagen gewerkt bij [bedrijf 17] en daar ook het geld ontvangen. Uit de stukken blijkt dat de betalingen voor de registratie van de domeinnamen voor [bedrijf 4] en [bedrijf 5], vanaf de rekening van [betrokkene 7], werden gedaan via het IP adres van [bedrijf 1]. [betrokkene 1] verklaarde dat een laptop van [naam 5] ([BEDRIJF 3]) bij [bedrijf 1] stond. Op die laptop heeft zij een ingescand visitekaartje van [bedrijf 4] gezien. [betrokkene 15] verklaarde dat hij werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf 2] en dat op dat kantoor meerdere computers van meerdere bedrijven stonden. Zo ook van het bedrijf [bedrijf 5]. Naast deze bedrijven stonden er ook nog zeker twee computers van andere bedrijven. Na begin mei werd er gewerkt vanaf de Groothandelsmarkt in Rotterdam. Kort daarna, ergens begin juni 2012, werd gezocht naar een andere locatie. De [adres 5] is begin juli in bedrijf genomen, zo verklaarde [betrokkene 15]. Opvallend acht de rechtbank verder dat regelmatig tegoeden voor de (prepaid-)telefoons van het ene bedrijf, opgeladen werden via een betaling door het andere bedrijf.Betalingen via het internet voor het ene bedrijf werden verder regelmatig gedaan via de IP-adressen van andere hier betrokken bedrijven. Zo werden betalingen voor [bedrijf 1] en [bedrijf 4] verricht vanaf het IP-adres van [bedrijf 5]. Bij betalingen vanaf de rekening van [bedrijf 2] werd ingelogd vanaf het adres van [bedrijf 5] en van [bedrijf 6]. Betalingen van de bankrekening van [bedrijf 6] werden (ook) gedaan van het IP‑adres van [bedrijf 5]. De onderlinge verwevenheid van de bedrijven blijkt verder uit het feit dat het telefoonnummer dat stond vermeld op de Bill of lading van een transport aan [bedrijf 5], een telefoonnummer was dat was toegewezen aan [bedrijf 2]. In een e-mail aan inklaarder [bedrijf 11] meldt [bedrijf 2] verder dat [bedrijf 5] het afleveradres van vijf containers met bananen is. Bij een doorzoeking bij [bedrijf 6] is een laptop en een USB stick aangetroffen. Daarop is een brief aangetroffen die betrekking had op de onderneming [bedrijf 2]. Daarnaast is een aantal schermafdrukken aangetroffen waaruit blijkt dat er bij de Rabobank ingelogd was als [bedrijf 5]. Op een overzicht stond ook de rekening courant van [bedrijf 5] vermeld. Bovendien blijkt van een veelheid aan geldstromen tussen de verschillende rechtspersonen. De bankrekening van [bedrijf 17] werd onder meer gevoed door betalingen door [bedrijf 5] en [BEDRIJF 3]. Uit de bankafschriften van de Rabobankrekening [bankrekeningnummer 9] van [bedrijf 2] blijkt dat in de periode van 19 juli tot en met 17 augustus 2012 zeven bijschrijvingen plaatsvonden van [bedrijf 5]. Naar aanleiding van onderzoek naar kopieën van overeenkomsten gesloten tussen een aantal van de bedrijven en [bedrijf 11] concludeerde het Nederlands Forensisch Instituut het waarschijnlijker te vinden dat de overeenkomsten op naam van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] door dezelfde persoon zijn ingevuld, dan dat zij door verschillende personen zijn ingevuld. Tot dezelfde conclusie kwam het NFI ten aanzien van de overeenkomsten op naam van [bedrijf 2] en [bedrijf 6]. Verder zal hieronder, bij de bespreking van de rol van [verdachte] aan de orde gekomen dat meerdere verdachten (telefonisch) contact met elkaar hadden. Meerdere verdachten zijn door observatieteams in elkaars gezelschap waargenomen. Uit tapgesprekken blijkt van contact tussen een aantal van de verdachten. Ook hebben meerdere verdachten verklaard dat zij één of meerdere medeverdachten (zakelijk) kenden. De rechtbank beschouwt, gelet op het voorgaande, de verschillende betrokken bedrijven als één samenhangende organisatie. Bij de handelingen van deze organisatie waren telkens meerdere verdachten betrokken, waarbij elke verdachte doorgaans een specifiek en vooraf afgesproken functie vervulde. Hierbij valt te denken aan het bestellen van containers, het verkopen van het fruit, het aansturen van de organisatie en het leveren van contante geldbedragen. De rechtbank komt tot de conclusie dat er, zij het in soms wisselende samenstellingen, in de periode van juli 2011 tot eind 2013 sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit onder meer uit de (kennelijk) bestaande rolverdeling tussen de diverse deelnemers, de planmatigheid waarmee de feiten zijn gepleegd en de daarvoor benodigde voorbereidingshandelingen. Voor zover er geen direct contact is geweest tussen verdachten, zijn zij via medeverdachten alsnog met elkaar in verband te brengen. Zo onderhield [verdachte] contacten met nagenoeg alle verdachten. 5.2.2 Crimineel oogmerk van de organisatie Verder ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of dit samenwerkingsverband een crimineel oogmerk heeft gehad. Zij overweegt daartoe als volgt: Bedrijfsvoering Uit de informatie van [bedrijf 11] blijkt van de invoer van een aantal containers. Van deze containers werd een substantieel aantal afgekeurd of niet afgenomen/opgehaald door het samenwerkingsverband. Uit de ontvangen informatie van inklaringsbedrijf [bedrijf 11] blijkt dat in de periode november 2011 tot en met maart 2012, 39 containers zijn besteld en verscheept, gericht aan [bedrijf 1]. Van deze 39 containers is de inhoud van 4 containers vernietigd en niet in ontvangst genomen door [bedrijf 1]. Van 1 van de 39 containers is 10% van de inhoud vernietigd omdat deze niet aan de kwaliteitsnormen voldeed. Ten aanzien van de leveringen aan [bedrijf 4] blijkt dat van de elf bij [bedrijf 15] bestelde containers, slechts drie zijn verscheept naar de haven van Antwerpen. Uit informatie afkomstig van Mediterranean Shipping Company (MSC) blijkt echter dat de inhoud van bovengenoemde drie containers is vernietigd. [bedrijf 4] wilde de containers niet accepteren dan wel afhalen en geeft opdracht tot vernietiging van de inhoud ervan. Uit gegevens verstrekt door het inklaringsbedrijf [bedrijf 11] blijkt voorts dat slechts één container voor [bedrijf 4] is ingeklaard. Het betreft een lading van 5.544 dozen met verse mango's met verwachte aankomst in de haven van Antwerpen op 4 juni 2012. Op 18 april 2012 mailt [bedrijf 11] aan [bedrijf 4] dat de container met mango's is afgekeurd in verband met boomgaardschimmel en dat de partij vernietigd zal moeten worden. De kosten zullen worden verhaald op [bedrijf 4]. [bedrijf 4] is akkoord gegaan met de vernietiging van de mango’s en het dragen van de kosten. De factuur d.d. 6 maart 2012 van [bedrijf 15] aan [bedrijf 4] ten aanzien van de 5.544 dozen mango’s bedraagt US$ 24.005,52. Ten aanzien van [bedrijf 5] overweegt de rechtbank dat [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij wel wist dat er bananen waren binnengekomen uit Zuid-Amerika. [medeverdachte 1] heeft ermee gehandeld en deed alles daarin zelf, aldus [betrokkene 8]. Hij verklaarde verder dat hij zag dat er geen winst uit die handel in bananen kwam. In die tijd kocht [bedrijf 5] zijn bananen in bij een buurman op de Groothandelsmarkt die gespecialiseerd was in bananen en de beste kwaliteit had. Mijn klanten willen dat merk bananen hebben, zo verklaarde [betrokkene 8]. De rechtbank leidt hieruit af dat de import van bananen, door [bedrijf 5], afweek van de reguliere handel in bananen. Uit de ontvangen informatie van [bedrijf 11] over [bedrijf 2] blijkt dat twee containers van de eerste lading afgekeurd werden in verband met rotting van het fruit. De inhoud van deze containers is vernietigd. De kosten daarvan waren voor rekening van [bedrijf 2]. [betrokkene 15] heeft verklaard dat hij na het vertrek van [betrokkene 12] bij [bedrijf 2], heeft aangekaart dat er te weinig winst werd gemaakt. Er werd te hoog ingekocht en te laag verkocht, onder meer aan ene [naam 5] die het op zijn beurt weer met winst verkocht, aldus [betrokkene 15]. Hij had wel ideeën om meer winst te maken en zowel kleine als grote [naam 4] hadden daar wel oren naar. Uiteindelijk is dit afgekapt. [betrokkene 15] mocht zich niet bezig houden met de verkoop, zo verklaarde hij. Ten aanzien van [bedrijf 2] heeft [betrokkene 15] verder verklaard dat door het bedrijf officieel werd gehandeld in groenten en fruit, maar hij alleen bananen en bakbananen en ananas heeft gezien. Hij heeft dat bekeken en zag dat er geen gezonde marges werden behaald. De inkoop was te duur en de verkoop te goedkoop aldus [betrokkene 15].Hij verklaarde verder dat aan de [adres 5] te Zoetermeer een container met gewone bananen werd geleverd. Hij vond dit raar, omdat bananen in een koeling moeten staan, anders bederven ze snel. In de [adres 5] te Zoetermeer was geen koeling aanwezig aldus [betrokkene 15]. De container is daar toen gelost door [naam 8]. Die pallets zijn toen gewoon in de loods neergezet. Bij [bedrijf 6] was hem verder opgevallen dat geld een probleem was. Het leek er volgens hem op of er niet veel geld voorhanden was. Er werd moeilijk gedaan om rekeningen te betalen. Hij trachtte te praten over de gezondheid van de onderneming maar daar werd niet op in gegaan. In het kader van het onderzoek Dazzler werd op 9 oktober 2012 uit de kofferbak van de BMW van [medeverdachte 2], een Acer laptop in beslag genomen. Op de laptop werden onder andere het bestand aangetroffen: "Overzicht uitgaven en herkomst van middelen P&T". Daaruit valt af te leiden dat [bedrijf 5] de enige klant van [bedrijf 2] was, en dat de inkomsten moesten worden aangevuld met bankstortingen (€ 139.820,- ) en betalingen met eigen geld: (€ 39.892,11). Ten aanzien van de inkoop van twee containers met cassaves door [bedrijf 12] is geconstateerd dat deze werden ingekocht voor (gemiddeld) €15,91 per doos (inclusief transport- en handlingkosten). Uit tapgesprekken is gebleken dat de cassaves uiteindelijk onder deze prijs zijn verkocht en de resterende pallets mogelijk zelfs gratis zijn weggegeven. Ook [medeverdachte 4] verklaarde hierover. Hij gaf aan dat de cassaves niet echt topspul waren. Er zaten heel veel rotte cassaves bij. De overige cassaves zijn weggegeven aan een varkensboer die de cassaves wilde gebruiken als varkensvoer. We kregen toen een doosje eieren als dank, aldus [medeverdachte 4]. Over de partij limoenen verklaarde [medeverdachte 4] dat twee dagen nadat de limoenen bij [bedrijf 12] stonden, er twee mannen van het bedrijf [bedrijf 13] langskwamen. Zij kwamen de helft van de limoenen halen. [medeverdachte 4] wist echter van niets. [bedrijf 13] heeft uiteindelijk de helft van de partij limoenen gekocht van [bedrijf 12], maar de rekening van de limoenen niet volledig betaald. De andere helft is aan verschillende partijen verkocht en het merendeel is naar Roemenië gegaan. [medeverdachte 4] verklaarde dat de verkoopprijs onder de prijs van inkoop lag. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] konden niet onderhandelen over de inkoopprijs en moesten ook snel weer van de limoenen af waardoor ze onder de inkoopprijs werd verkochten. De rest voor een volgende bestelling werd aangevuld door "de [bijnaam 1]" waardoor zij geen risico liepen, aldus [medeverdachte 4]. Over de twee containers met pulp verklaarde [medeverdachte 4] dat deze na de inklaring door [bedrijf 11] naar [bedrijf 36] zijn gebracht, en daar nog staan. Hij kreeg deze containers niet verkocht. [betrokkene 20] heeft nog geprobeerd om in Turkije de pulp te verkopen, maar dat is niet gelukt, aldus [medeverdachte 4]. Zoals hiervoor reeds aangegeven is uit de analyse van de verschillende bankrekeningen gebleken dat de bestelling van de containers met fruit, steeds werd voorafgegaan door contante stortingen op die rekeningen. In een groot aantal gevallen was de (totale som) van de stortingen nagenoeg gelijk aan het te betalen bedrag. Uit de gegevens van de Belastingdienst is echter niet gebleken van een (substantiële) omzet van elk van de onderdelen van het samenwerkingsverband in de hier besproken perioden. Ook de nadere analyse van de mutaties van de verschillende rekeningnummers geeft geen aanwijzingen voor een reguliere fruithandel. Op géén van de bankrekeningen kunnen immers handelsactiviteiten worden vastgesteld. De transactie van sommen geld van één deel van het samenwerkingsverband ([bedrijf 5]) naar andere delen ervan, acht de rechtbank in dit kader niet voldoende om te kunnen concluderen dat er reguliere handel in fruit heeft plaatsgevonden. Daarnaast is van een (zwarte) handel in geïmporteerd fruit niet gebleken. Gezien het feit dat het samenwerkingsverband geen aantoonbare omzet heeft behaald in de onderzoeksperiode alsmede het feit dat een substantieel aantal containers met fruit zijn vernietigd, of onder de inkoopprijs zijn verkocht, is de rechtbank van oordeel dat de handel in fruit niet de kernactiviteit van het samenwerkingsverband is geweest. Bevindingen aangaand [bedrijf 19] en [bedrijf 14] Door de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen is op 8 oktober 2012 in de haven van Antwerpen een partij van 8.023 kilogram cocaïne in beslag genomen. De cocaïne zat in een zeecontainer met bananen en was bestemd voor de Nederlandse onderneming [bedrijf 6]. In het Belgische drugsonderzoek is een rechtshulpverzoek gedaan aan de Ecuadoraanse autoriteiten. In februari 2013 werd in het kader van het onderzoek Murdoch een rechtshulpverzoek gedaan aan de Belgische autoriteiten. Hierin werd onder andere gevraagd om de bevindingen uit het rechtshulpverzoek aan Ecuador te mogen gebruiken voor het onderzoek Murdoch. Door de Belgische autoriteiten werden de relevante processen-verbaal verstrekt en er werd toestemming gegeven om de bevindingen te gebruiken. Uit het Belgische proces-verbaal blijkt dat door de Ecuadoraanse autoriteiten in Guayaquil onderzoek is gedaan naar een criminele organisatie die aanzienlijke partijen cocaïne uitvoerde naar Guatemala en Europa. De criminele organisatie beschikte over een netwerk van verschillende bedrijven die door hen waren opgericht voor het versturen van illegale transporten. In juli 2012 werd (in het kader van het onderzoek Repin) een rechtshulpverzoek gedaan aan de Ecuadoraanse autoriteiten. Hierin werd onder meer gevraagd om informatie over de inbeslagname van ruim 3.600 kilogram cocaïne in februari 2012 in de haven van Guayaquil in Ecuador. Door de Ecuadoraanse autoriteiten zijn de relevante processen-verbaal verstrekt en er werd toestemming gegeven om deze bevindingen te gebruiken. Hieruit blijkt dat in de haven van Guayaquil 3.697 kilogram cocaïne in beslag is genomen. De cocaïne zat verstopt in een zeecontainer met ananas en cassave. De verzender was het bedrijf genaamd [bedrijf 14] en de zending was bestemd voor [bedrijf 17] in Rotterdam. Volgens de Ecuadoraanse autoriteiten werd het bedrijf [bedrijf 14] in 2009 opgericht en was het bedrijf niet actief. Het bedrijf had als activiteiten: het verrichten van activiteiten op het gebied van veeteelt en landbouwindustrie. In de periode van september 2011 tot en met februari 2012 werd door [bedrijf 14] een bedrag van $ 241.724,- ontvangen van [bedrijf 1]. Tevens bleek [bedrijf 1] de enige opdrachtgever van [bedrijf 14] te zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de genoemde Zuid-Amerikaanse bedrijven: [bedrijf 19], [bedrijf 27], [betrokkene 37], [bedrijf 28] en [bedrijf 14], in verband kunnen worden gebracht met de handel (export) van verdovende middelen. De rechtbank overweegt dat het samenwerkingsverband voornamelijk zaken heeft gedaan met [bedrijf 19], [bedrijf 27], [betrokkene 37], [bedrijf 28] en [bedrijf 14]. Alleen al door [bedrijf 17], [bedrijf 6] en [bedrijf 2] werd in totaal € 508.474,47 aan het Ecuadoraanse bedrijf [bedrijf 19] overgemaakt. Papieren bedrijven Opvallend acht de rechtbank verder dat bij de betrokken bedrijven aan Nederlandse zijde in veel gevallen sprake lijkt te zijn van zogenoemde ’papieren’ firma’s en katvangers. Veel van de betrokken directeuren/grootaandeelhouders van de bedrijven ontkennen betrokkenheid bij het bedrijf. De controle over het bedrijf lag elders, zo wordt steeds verklaard door [betrokkene 1] ([bedrijf 17]-[bedrijf 1]), [betrokkene 3] ([BEDRIJF 3]), [betrokkene 5] ([bedrijf 4]), [betrokkene 8] ([bedrijf 5]), [betrokkene 12] ([bedrijf 2]), [medeverdachte 4] ([bedrijf 12]) en [medeverdachte 2]. Kennelijk, zo overweegt de rechtbank, werd door het Nederlandse samenwerkingsverband herhaaldelijk getracht de werkelijke belanghebbende achter de bedrijven te verhullen, dan wel, werd getracht de verantwoordelijkheid voor (fiscale of juridische) aanspraken in de toekomst af te schuiven op katvangers. Het aanmaken van nieuwe domeinnamen voor [bedrijf 4] en [bedrijf 5] (naast de reeds bestaande domeinnamen) duidt er naar het oordeel van de rechtbank eveneens op dat de werkelijk aard van de handelingen van (dat deel van) het samenwerkingsverband verhuld moesten worden. Verdovende middelen In een groot aantal containers, bestemd voor het samenwerkingsverband, is cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 4] verklaarde dat "de [bijnaam 1]", [naam 9] ([medeverdachte 5]) en hij met elkaar gesproken hebben. Het was de bedoeling dat er iets bij de lading gestopt zou worden. [medeverdachte 4] verklaarde dat hij gelijk door had dat dit om drugs zou gaan. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een crimineel samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft meermalen cocaïne Nederland binnen gebracht, of heeft daartoe pogingen gedaan. Ten aanzien van de invoer van cocaïne blijkt het samenwerkingsverband uit de omvang en hoeveelheid van de verschillende transporten en al de daarmee gepaard gaande logistieke handelingen, zoals het op (laten) zetten van papieren bedrijven, het doen van bestellingen in Zuid-Amerika, het storten van contant geld, het onderhouden van mailcontacten met de leveranciers en met de inklaarder. De rechtbank is van oordeel dat over deze werkzaamheden binnen de organisatie onderling contact is geweest en dat hier afspraken over zijn gemaakt. Dit blijkt uit de verklaringen van de verschillende katvangers, die bij herhaling [verdachte] een sturende en coördinerende rol toedelen, [medeverdachte 2] telkens een administratieve rol toedelen, en [medeverdachte 1] als ‘verkoper’ weergeven. De rechtbank ziet zich in haar oordeel over een gestructureerd verband gesteund door het tapgesprek (Registratie 26130291Z / Gespreksnummer 288300168) d.d. 13 juli 2012 waarin [medeverdachte 4] (onder meer) zegt: “Als het er is, wil ik meer dan waar ik recht op heb, meer dan wat we hebben afgesproken. ik moet zoveel maanden afzien. Daarom moet ik, moeten wij allemaal, méér krijgen dat wat er is (afgesproken). Hij zei iedereen krijgt gewoon waar hij recht op heeft. Ik heb gezegd in dat geval heb ik recht op veel meer. Alles staat op mijn naam. (…) Ik heb gezegd, in dat geval heb ik recht op veel meer.(…) ik heb al die maanden geen enkel inkomen gehad. Alles staat op mijn naam. Ik heb in dat geval recht op veel meer.”(…) Hij zei, nou ja, als het er is dan gaan wij allemaal om de tafel zitten. Iedereen zal dan zijn dinges krijgen.” Uit dit tapgesprek blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, zonder meer dat er binnen het samenwerkingsverband afspraken werden gemaakt. De duurzaamheid van het samenwerkingsverband is in dit geval gegeven door de tijdspanne waarin een en ander zich heeft afgespeeld, te weten de periode tussen begin juli 2011 tot december 2013 en de continue levering van containers in die periode. 5.2.3 Opzet [verdachte] op oogmerk criminele organisatie en deelname [verdachte] aan die organisatie Ten aanzien van de betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf 17], [bedrijf 1], [BEDRIJF 3], [bedrijf 4], [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 12] overweegt de rechtbank het volgende. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij bij [bedrijf 1] betrokken is geweest en dat hij bij dat bedrijf samen met [medeverdachte 2] het financiële plaatje was alsmede dat [medeverdachte 1] uitvoeringshandelingen verrichtte. Verder heeft hij verklaard dat hij na sluiting van [bedrijf 1] ook betrokken was bij onder andere [bedrijf 2]. [bedrijf 17] /[bedrijf 1] Op 14 juli 2011 is van een rekening van [bedrijf 17] € 14.000,- gestort op een rekening op naam van [verdachte], waarvan de bankpas op zijn woonadres is aangetroffen. Op 14 juli 2011 is € 10.000,- opgenomen van die rekening. Op 14 respectievelijk 15 juli 2011 heeft [betrokkene 21] in totaal drie moneytransfers ontvangen, elk ten bedrage van € 3.000,-, afkomstig van [verdachte], [medeverdachte 1] en [betrokkene 22], alle drie gerelateerd aan de [adres 10] te Rotterdam, het oude adres van [bedrijf 17]. In Guayaquil is op 25 februari 2012 ruim 3.668 kilogram cocaïne aangetroffen in een container, afkomstig van [bedrijf 14] (gevestigd te Ecuador) en bestemd voor ([bedrijf 17]) [bedrijf 1]. Volgens informatie van de UAF (de Ecuadoraanse FIU) was [bedrijf 1] de enige opdrachtgever van [bedrijf 14]. Onder andere in verband met voormelde inbeslagname is [betrokkene 21] wegens handel in verdovende middelen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar. [betrokkene 1] heeft verklaard dat [naam 3] de baas was van [bedrijf 1] en heeft over een haar getoonde foto van [verdachte] verklaard dat die persoon [naam 3] werd genoemd. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] de feitelijk eigenaar van [bedrijf 1] was en dat hij al zijn werkzaamheden in opdracht van [verdachte] heeft verricht. De taken van [medeverdachte 2] bij [bedrijf 1] waren het verzenden van e-mailberichten aan leveranciers in Ecuador, het onderhouden van contact met de logistiek dienstverlener en het havenbedrijf en het doen van betaalopdrachten in opdracht van [verdachte], ook de buitenlandse betalingen. Bij de doorzoeking op 4 mei 2012 van het woonadres van [verdachte] aan de [adres 2] te Rotterdam werd een emailbericht van 26 oktober 2011 aangetroffen via [e-mailadres 1] aan “[naam 1]” inhoudende dat “we van de douane 3 containers moeten laten scannen.” [BEDRIJF 3] Verder heeft [medeverdachte 2] het volgende verklaard. Na verloop van tijd besloot [verdachte] ook ten behoeve van [BEDRIJF 3] rechtstreeks te opereren vanuit de locatie van [bedrijf 1] en daartoe een laptop van [BEDRIJF 3] ten kantore van [bedrijf 1] te plaatsen. Bij de doorzoeking op 4 mei 2012 van het woonadres van [verdachte] aan de [adres 2] te Rotterdam zijn voorts twee uitdraaien van mailverkeer tussen [bedrijf 11] en [BEDRIJF 3] aangetroffen, onder meer betreffende een container met bananen die op onrechtmatige wijze is weggehaald uit de haven van Antwerpen, aangezien die container noch is gekeurd noch ingeklaard, terwijl deze onder douanetoezicht stond. [bedrijf 4], [bedrijf 2], [bedrijf 5] [medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat na de afstoting van [bedrijf 1] [verdachte] regelmatig andere bedrijven had waarmee hij dezelfde (groente-
  2. en)fruitinvoer verrichtte als bij [bedrijf 1]. [medeverdachte 2] werd telkens opnieuw ingezet om administratieve werkzaamheden te verrichten bij diverse ondernemingen zoals [bedrijf 4], [bedrijf 5] en [bedrijf 2]. Deze bedrijven opereerden vanuit één bedrijfskantoor. Alle werkzaamheden waren in verband met het importeren van fruit. (…) Ook voor de andere bedrijven heeft [medeverdachte 2] in opdracht van [verdachte] soortgelijke werkzaamheden als hiervoor vermeld verricht. [medeverdachte 2] heeft ten slotte verklaard dat [verdachte] de leiding had op het kantoor met betrekking tot de inkoop en alles wat daarmee te maken had voor [bedrijf 4], [bedrijf 5] en [bedrijf 2] en dat [verdachte] degene was die zei wat er moest gebeuren voor deze bedrijven. [bedrijf 2] [betrokkene 12] heeft verklaard dat [verdachte] degene was die zich bezighield met [bedrijf 2] en dat zij een nieuwe bankrekening heeft geopend en daar een betaalpas bij heeft gekregen, maar dat [verdachte] die pas heeft overgenomen.Voorts heeft zij verklaard dat [verdachte] bij [bedrijf 2] alles regelde, zij niet meer op kantoor mocht komen van hem en dat hij feitelijk de totale zeggenschap had over het bedrijf en alles onder zijn verantwoording gebeurde. Het was gewoon het bedrijf van [verdachte], maar dan op iemand anders naam. [betrokkene 15] heeft verklaard dat de eerste keer dat hij bij [bedrijf 2] is gaan werken, in de eerste week van april 2012, [verdachte] hem thuis heeft opgehaald met de auto en dat [verdachte] hem heeft uitgelegd waar hij moest zitten en wat hij moest doen, mailtjes lezen en beantwoorden, die betrekking hadden op het bestellen van groente en fruit. [bedrijf 4] Uit een ontvangen rechtshulpverzoek van Peru is gebleken dat [bedrijf 15] elf containers had besteld voor het vervoer van bananen. Vervolgens werden acht containers geladen met als bestemming de haven van Antwerpen. In één van deze acht containers is op 7 mei 2012 in Peru een partij cocaïne van ruim 1.686 kilogram aangetroffen. Deze container met nummer MEDU 9049888-3 was bestemd voor [bedrijf 4]. Van het HARC-team, onderdeel van de politie Rotterdam is voorts informatie ontvangen dat drie containers (met nummers MSCUP0963909, MSCUP0963891 en MSCUP0963917) vanuit Paita te Peru zijn verscheept en in mei 2012 zijn gelost in Antwerpen, afkomstig van [bedrijf 15] en bestemd voor [bedrijf 4]. Bij de doorzoeking van de slaapkamer van [medeverdachte 2] is een Acer laptop aangetroffen, met daarin onder andere drie Bills of lading voorzien van voormelde nummers MSCUP0963909, MSCUP0963891 en MSCUP0963917. Bij de doorzoeking op 4 mei 2012 van het woonadres van [verdachte] aan de [adres 2] te Rotterdam werden meerdere telefoons aangetroffen. In een telefoon zat een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 11]. Dit telefoonnummer is vermeld op een de Bill of Lading van 30 april 2012 betreffende [bedrijf 4]. Dit telefoonnummer stond op vrachtpapieren die in relatie stonden tot het op 7 mei 2012 uitgevoerde drugstransport, waarbij het vermeld was als nummer van het ontvangende bedrijf [bedrijf 4] en waarbij het versturende bedrijf [bedrijf 15] was. Ook op andere “Bills of Lading” betreffende dezelfde contractpartijen stond dit telefoonnummer. Bij de doorzoeking op 4 mei 2012 van het woonadres van [verdachte] aan de [adres 2] te Rotterdam is voorts een BlackBerry gevonden, waarbij de gebruiker van dit toestel de schermnaam [naam 3] heeft gekozen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit [verdachte] betreft, nu de BlackBerry in zijn woning is gevonden en [verdachte] ook wel [naam 3] wordt genoemd. In het geheugen van de BlackBerry zijn voorts de volgende contactpersonen aangetroffen: [naam 1], [naam 8], S., Christina en Jimdo. In die blackberry zijn berichten van “[naam 3]”, “[naam 1]” en “[naam 8]” aangetroffen van eind april 2012 en begin mei 2012 betreffende het storten of brengen van geld. De voornamen van [medeverdachte 2] zijn [naam 4] [naam 1]. Gebleken is dat [medeverdachte 1] ook wel [naam 8] wordt genoemd Op 3 mei 2012 vindt de volgende pingsessie plaats: [naam 3]: Wat vraagt lob [naam 1]: De stand is volgende 8 weten ze niet wanneer (…) [naam 1]: Ik vraag nu doc van die 3 en meer info over 8 ok? (…) [naam 1]: Ja ik snap in Pai, bedoel je [naam 3]: Zeg dat je niet kan zien. Gelet op hetgeen bij [verdachte] en [medeverdachte 2] is aangetroffen en de informatie uit Peru en van het HARC team over de 8 containers en de 3 containers uit Paita (Peru), gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] en [medeverdachte 2] over die containers van [bedrijf 15] pingen. Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2] Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor hieromtrent heeft overwogen. De rechtbank is van oordeel dat die verklaringen van [medeverdachte 2] gezien het voorgaande voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. [bedrijf 12]. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij het bedrijf [bedrijf 12] heeft opgericht voor iemand met de bijnaam “[bijnaam 1]”, die via [bedrijf 12] drugs wilde smokkelen. [medeverdachte 4] heeft over een hem getoonde foto van [verdachte] aangegeven dat die persoon de [bijnaam 1] is. [medeverdachte 4] heeft verder verklaard dat de [bijnaam 1] bij een ontmoeting met hem en [medeverdachte 5], opdracht heeft gegeven om alles voor de bedrijfsvoering te regelen. [medeverdachte 4] heeft voorts aangegeven dat hij de directeur/eigenaar was van [bedrijf 12], dat alleen [medeverdachte 5] en hij voor dat bedrijf werkten en dat [medeverdachte 5] en hij ervan op de hoogte waren dat het bedrijf gebruikt zou worden voor de import van drugs. Voorts heeft [medeverdachte 4] het volgende verklaard. De stortingen op de bankrekening van [bedrijf 12] werden gedaan door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4], die het geld van de [bijnaam 1] kregen en het geld was bestemd voor overboekingen naar Zuid-Amerika voor het bestellen van containers. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] moesten een inklaarder regelen en hebben [bedrijf 11] geregel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.