Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/742056-15 Datum uitspraak: 14 december 2016 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [de verdachte], geboren te [plaats] op [datum], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres], raadsman mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 november 2016. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest; verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen. 4Vrijspraak 4.1. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 4.1.1. Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde gewoontewitwassen en aan het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde witwassen. De verdachte heeft zich bezig gehouden met het zogenoemde ondergronds bankieren. Hij figureerde als tussenpersoon en koerier. De verdachte heeft meerdere keren ontmoetingen gehad waarbij hij grote contante geldbedragen in ontvangst heeft genomen dan wel heeft overgedragen. Daarmee heeft hij het geld steeds voorhanden gehad. Ten aanzien van de herkomst van het geld kan niet anders worden gezegd dan dat het van misdrijf afkomstig is geweest. Dit volgt uit de tapgesprekken en de wijze waarop de ontmoetingen plaatsvonden. Van de ontmoeting op 19 mei 2014 is immers waargenomen dat een groot geldbedrag op straat in een plastic tas is overgedragen. 4.1.2. Beoordeling Niet in geschil is dat de verdachte op 19 mei 2014 rond 16:38 uur in Amsterdam een ontmoeting heeft gehad met een onbekende man die een Albert Heijn tas bij zich had. Deze man is bij de verdachte in de auto gestapt en is kort daarna weer uitgestapt zonder deze tas. Korte tijd later is de verdachte aangehouden en is bij hem in de auto de Albert Heijn tas aangetroffen met daarin € 101.400,-- aan contant geld. De verdachte had bij zijn aanhouding ook een mobiele telefoon bij zich met daarin een simkaart van een nummer eindigend op -994 (hierna: T944). Vaststaat dat eerder die middag via T994 de afspraak is gemaakt voor deze ontmoeting. Bij de fouillering is bij de verdachte € 1.630,-- aan contant geld aangetroffen en bij een doorzoeking in het huis van de verdachte is een geldmachine en € 42.700,-- aan contant geld aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij een uitkering ontving van € 800,-- netto per maand. Verder blijkt uit het dossier dat via T994 contacten zijn geweest in de periode van 12 april 2014 tot en met 16 mei 2014 waarbij vaak afspraken zijn gemaakt om elkaar op een bepaalde plek te treffen. Daarbij is onder meer gesproken over tokens, bedragen, een bedrag dat nep blijkt te zijn en “papers”. Er is geen sprake van direct bewijs dat het geld van enig misdrijf afkomstig is. Op basis van voorgaande omstandigheden is wel sprake van een vermoeden van witwassen. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het geldbedrag van € 1.630,-- – dat is aangetroffen bij zijn fouillering – over had na de koop van een nieuwe auto die ochtend. Met betrekking tot het geldbedrag dat bij de verdachte thuis is aangetroffen heeft hij verklaard dat daarvan een gedeelte groot € 3.000,-- de borg van huurders betreft. Ten aanzien van de overige aangetroffen geldbedragen van € 101.400,-- en € 39.700,-- heeft de verdachte ter terechtzitting het volgende verklaard. Op 19 mei 2014 is de verdachte benaderd door iemand met wie hij af en toe wat dronk, ene [man]. [man] heeft hem eerder wel eens verteld dat hij spaargeld inzamelt van Indiërs en Pakistanen en dat dit ingezamelde geld naar India en Pakistan gaat. [man] heeft op 19 mei 2014 de telefoon met T994 en een tas met geld – naar later is gebleken € 39.700,-- – aan de verdachte gegeven met het verzoek om hem te helpen door iets op te halen, omdat er iemand was uitgevallen. [man] zou het later aan de verdachte uitleggen. [man] zou het geld later die dag bij de verdachte ophalen, aldus nog steeds de verdachte. Hoewel de verklaring van de verdachte die erop neerkomt dat hij betrokken is geweest bij ondergronds bankieren, ook wel bekend als Hawala-bankieren, voor het eerst op de terechtzitting is gegeven, wordt deze verklaring wel gesteund door tapgesprekken in het dossier. Dit betreft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.