← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2017:10410

RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 6261611 CV EXPL 17-6159 uitspraak: 21 december 2017 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, in de zaak van de naamloze vennootschap VGZ Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Arnhem, eiseres, gemachtigde: M.G. de Jong Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [plaatsnaam], gedaagde, procederend in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 15 augustus 2017, met producties; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek, met producties; de conclusie van dupliek, met producties. 1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast. 2.1 [gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten. 2.2 Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] bij vooruitbetaling premie verschuldigd. 3De vordering, de grondslag en het verweer 3.1 VGZ heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten. 3.2 VGZ stelt dat zij op grond van de overeenkomst tussen partijen een bedrag van € 759,15 heeft te vorderen ter zake van premie (periode april t/m oktober 2013) en acceptgirokosten, een bedrag van € 23,38 aan vervallen rente en een bedrag van € 137,78 aan buitengerechtelijke kosten. VGZ beperkt echter haar vordering op [gedaagde] tot een bedrag van € 500,- aan hoofdsom, waarbij VGZ al haar rechten reserveert met betrekking tot de invordering van het nog resterende deel van de vordering van € 420,31. 3.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1 [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in Spanje woonachtig is en aldaar een verzekering heeft afgesloten. De kantonrechter begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij vanaf het moment dat hij naar Spanje verhuisde niet meer verzekeringsplichtig was. 4.2 Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (zoals geldend van 1 januari 2008 tot 1 januari 2015) is degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht een zorgverzekering af te sluiten. Op grond van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d, van de Zorgverzekeringswet eindigt een door partijen gesloten zorgverzekering van rechtswege wanneer de verzekeringsplicht van de verzekerde eindigt. 4.3 De AWBZ (oud) bepaalt in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, dat verzekerd zijn zij die in Nederland wonen. Waar iemand woont in het kader van de AWBZ, wordt ingevolge artikel 3, eerste lid, AWBZ naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel 5c van de AWBZ bepaalt ten slotte dat de Sociale Verzekeringsbank ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vaststelt of een natuurlijke persoon voldoet aan de voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge de AWBZ. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd hierin een exclusieve bevoegdheid aan de Sociale verzekeringsbank toe te kennen (Kamerstukken II 2009/10, 32150, 3, p. 21 en Stb. 2011, 113). 4.4 [gedaagde] zal gelet op het voorgaande in de gelegenheid worden gesteld om een verklaring van de Sociale Verzekeringsbank op te vragen en over te leggen met betrekking tot de vraag of hij in de periode van april tot en met oktober 2013 al dan niet als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt en daarmee of hij in die periode al dan niet verplicht verzekerd was op grond van de AWBZ. De procedure zal daartoe worden aangehouden. 5De beslissing De kantonrechter: verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 15 februari 2018 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen de in rechtsoverweging 4.4 genoemde verklaring van de Sociale Verzekeringsbank in het geding te brengen; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 33945

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.