Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/750222-17 Uitspraakdatum: 18 oktober 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-West te Dordrecht, bijgestaan door mr. W.M. Oosthoek, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2017. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. T.M. Rethmeier heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts de verbeurdverklaring gevorderd van de onder de verdachte in beslag genomen Samsung telefoon en de Volkswagen Caddy. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1 en 2 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de respectievelijk onder 1 en 2 ten laste gelegde invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe. Zij heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van de cocaïne. Vast staat immers dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen gericht op die invoer heeft verricht. Daar komt bij dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij een pallet met planten zou ophalen. Hij wist niet dat het cocaïne betrof en kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor de invoer van deze drugs noch voor de voorbereiding daarvan. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Vast staat dat op 19 juni 2017 vanuit Costa Rica een zeecontainer met een partij planten is aangekomen in Vlissingen. Deze lading was bestemd voor het bedrijf [naam bedrijf] , gevestigd aan de [adres delict] te [plaats delict] . Als enige bestuurder van dit bedrijf stond geregistreerd de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Na controle en onderzoek is gebleken dat in de container behalve planten ook vier dozen zaten met daarin pakketten cocaïne. In totaal was dit een hoeveelheid van netto 64,9 kilogram cocaïne. Hierna is de container geprepareerd om op 21 juni 2017 zijn oorspronkelijke route te vervolgen. Op beelden die zijn gemaakt met camera’s bevestigd aan het pand [adres delict] te [plaats delict] , zijn onder meer de volgende gebeurtenissen vastgelegd. Op 21 juni 2017, omstreeks 17:30 uur, is de verdachte met zijn Volkswagen Caddy aangekomen op het bedrijfsterrein van [naam bedrijf] . Nadat de verdachte zijn auto had geparkeerd, liep hij naar de kas. Op dat moment kwam de medeverdachte [naam medeverdachte 1] de kas uitlopen. Zij gaven elkaar een hand en spraken met elkaar. Op enig moment reed een vrachtwagen met daarop een container van ‘ [naam cargadoor] ’ bij het pand. De vrachtauto reed achteruit de loods in. [naam medeverdachte 1] liep naar binnen om de container te lossen. De verdachte bevond zich tijdens het lossen zowel in als in de directe nabijheid van de loods. Korte tijd later zijn zowel de verdachte als [naam medeverdachte 1] aangehouden. De verdachte heeft verklaard dat hij in opdracht van een zekere ‘ [naam medeverdachte 2] ’ naar de [adres delict] te [plaats delict] is gegaan om een pallet met planten op te halen. Daar heeft hij zich overeenkomstig met [naam medeverdachte 2] gemaakte en bij [naam medeverdachte 1] bekende afspraken aan [naam medeverdachte 1] voorgesteld als [nickname verdachte] en de naam van [naam medeverdachte 2] genoemd. De onder de verdachte in beslag genomen Samsung telefoon had de verdachte speciaal hiervoor van [naam medeverdachte 2] gekregen. Nadat de verdachte de pallet had opgehaald, zou [naam medeverdachte 2] hem op deze Samsung telefoon laten weten waar hij deze kon afleveren. De verdachte zou voor deze ene haal- en brengklus een bedrag van € 25.000,- ontvangen. Ook moest hij een emmertje dat hij van [naam medeverdachte 2] had gekregen aan [naam medeverdachte 1] overhandigen. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzet - in voorwaardelijke zin - heeft gehad op de invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe. De verdachte heeft er immers mee ingestemd om tegen een wel zeer riante vergoeding van € 25.000,- een pallet met planten, afkomstig uit een zeecontainer, naar [naam medeverdachte 2] te brengen. De uiteindelijke ontvanger van de pallet met planten had kennelijk een zodanig groot belang bij de ontvangst daarvan, dat de beperkte werkzaamheden die de verdachte moest verrichten, deze ontvanger € 25.000 waard waren. Dit gegeven heeft bij de verdachte blijkens zijn verklaring ter zitting ook geleid tot het vermoeden dat het met de inhoud van de pallet weleens ‘niet zou kunnen kloppen’. Desalniettemin heeft de verdachte geen enkel onderzoek verricht naar de herkomst en de inhoud van de pallet. Uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de verdachte, op zijn minst, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er sprake was van de invoer van verdovende middelen en dat deze ook in de door hem te vervoeren pallet zouden zitten. Vast staat voorts dat de handelingen die de verdachte heeft verricht, gericht waren op het verdere vervoer en de aflevering van de cocaïne. Dat levert verlengde invoer op in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet op. Dat de verdachte, anders dan zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1] , geen handelingen heeft verricht die het daadwerkelijk geografisch binnen Nederland brengen van de cocaïne betroffen, doet daaraan niet af. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de respectievelijk onder 1 en 2 ten laste gelegde (verlengde) invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe. 4.2. Bewijsoverweging met betrekking tot feit 3 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde witwassen. Niet is komen vast te staan dat de in het voertuig van de verdachte aangetroffen geldsom van € 65.000,- van misdrijf afkomstig was, nog daargelaten of de verdachte dit wist dan wel had moeten vermoeden. Voorts heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij niet wist dat er geld in de emmer zat. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist wat er in de emmer zat, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank komt tot deze conclusie onder meer gelet op het feit dat bewezen zal worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) invoer van cocaïne en de daarmee verband houdende voorbereidingshandelingen en dat hij in dat kader de bewuste emmer aan zijn medeverdachte moest overhandigen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er geen direct bewijs is voor het bestaan van een zogenoemd brondelict. Dan dient allereerst te worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld. Vast staat dat in de Volkswagen Caddy van de verdachte een bedrag van € 65.000,- is aangetroffen in een emmer. Dit bedrag bestond uit 1020 coupures van € 50,- en 28 coupures van € 500,-. De verdachte heeft verklaard dat hij de emmer van [naam medeverdachte 2] heeft gekregen. Hij moest deze nadat hij de pallet meekreeg van [naam medeverdachte 1] , overdragen aan laatstgenoemde. Bovenstaande handelwijze vond plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Er was sprake van het fysiek transporteren van een groot geldbedrag zonder daarbij gebruik te maken van het normale gangbare financiële verkeer. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld, vaak ook bestaande uit € 500,- biljetten. Het zonder bescherming voorhanden hebben en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden legaal chartaal geld is ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete en verifieerbare verklaring geeft voor het voorhanden hebben van het geldbedrag. Die verklaring heeft de verdachte niet gegeven. Er is hierdoor geen andere conclusie mogelijk dan dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden had uit enig misdrijf afkomstig is. Gelet op voornoemde omstandigheden had de verdachte dit ook moeten vermoeden. Nu uit het dossier niet blijkt en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat het geldbedrag afkomstig is uit enig door de verdachte zelf begaan misdrijf, houdt de rechtbank het ervoor dat het geldbedrag uit door een ander of anderen begaan misdrijf afkomstig is en de verdachte zich door het voorhanden hebben daarvan schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in de periode van 19 tot en met 21 juni 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 64,9 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 2. hij op 21 juni 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 64,9 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.