vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/535047 / KG ZA 17-1027 Vonnis in kort geding van 13 oktober 2017 in de zaak van [naam eiser 1] , wonende te De Meern , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. dr. M. Brink te Utrecht, tegen [naam gedaagde 1] , wonende te Lexmond , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaten mrs. V.R.M. Appelman en M.D. Klompenhouwer, beiden advocaat te Rotterdam. Partijen zullen hierna [naam eiser 1] en [naam gedaagde 1] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 21 september 2017, met producties 1 tot en met 25; de aanvullende producties 26 tot en met 28; de producties 1 tot en met 17 van [naam gedaagde 1] ; de vervangende producties 8 en 13 van [naam gedaagde 1] ; de conclusie van eis in reconventie; de mondelinge behandeling op 29 september 2017; de akte tot wijziging van eis (in conventie); de pleitnota van [naam eiser 1] ; de pleitnota van [naam gedaagde 1] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [naam gedaagde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf] (hierna: de holding). [naam gedaagde 1] exploiteert (middels verschillende dochtermaatschappijen) onder de naam ‘ [naam bedrijf] ’ fitnesscentra in Utrecht en omgeving. De dochtermaatschappijen vormen tezamen de [naam bedrijf] groep. 2.2. [naam eiser 1] is in 2011 in dienst getreden bij [naam bedrijf] . [naam eiser 1] is titulair directeur en vertegenwoordigingsbevoegd. 2.3. De Rabobank is de huisbankier van [naam bedrijf] . Bij e-mail van 1 augustus 2017 heeft de Rabobank [naam gedaagde 1] het volgende bericht: “Uw onderneming is in de kern gezond maar kampt met ernstige liquiditeitsproblemen die een bedreiging vormen voor de continuïteit van uw onderneming. De oorzaak van deze problemen is grotendeels terug te herleiden maar de bovenmatige privé onttrekkingen. De afgelopen maand hebben wij hier uitvoerig over gesproken en aangegeven dat de bank uitsluitend bereid is medewerking te verlenen aan een structurele oplossing. Een verzoek tot uitbreiding van de financiering om een deel van het liquiditeitstekort op te vangen is dan ook afgewezen in afwachting van de uitwerking van de scenario’s om tot de beoogde structurele oplossing te komen. Inmiddels hebben wij een reflectiedocument ontvangen met betrekking tot een MBI, MBO of externe verkoop van de onderneming. Dit document vormt een goede basis om tot een structurele oplossing te komen maar vereist nog een nadere uitwerking. Van belang is dat er een keuze worden gemaakt, die ook financierbaar zijn. Wij adviseren u zich goed hierin te laten begeleiden door deskundigen. Vorige week hebben wij het verzoek ontvangen om extra middelen ter beschikking te stellen voor de betaling van belastingen en huren. Helaas kunnen wij dit verzoek niet honoreren omdat de huidige financiële positie zich daar niet toe leent en er nog geen duidelijkheid is over een structurele oplossing. Wij doen een dringend verzoek op u om op korte termijn met passende oplossing voor de huidige problematiek te komen om te voorkomen dat de continuïteit van uw onderneming echt in gevaar komt.” 2.4. Op 1 augustus 2017 heeft een conference call plaatsgevonden waaraan [naam eiser 1] , [naam gedaagde 1] , [naam 1] (advocaat van [naam bedrijf] ), [naam 2] (accountant en administrateur van [naam bedrijf] ) en [naam 3] (voormalig accountant van [naam bedrijf] ) hebben deelgenomen. Tijdens dit gesprek is tussen partijen gesproken over het feit dat een structurele oplossing gevonden moest worden. Er is onder andere gesproken over het scenario waarin [naam eiser 1] via een Management Buy In (MBI) aandelen zou verwerven. 2.5. Op 2 augustus 2017 heeft [naam 1] [naam eiser 1] en [naam gedaagde 1] per e-mail een door hem opgestelde conceptovereenkomst toegezonden. 2.6. Op 3 augustus 2017 heeft [naam 1] [naam eiser 1] en [naam gedaagde 1] per e-mail een aangepaste versie van voornoemde conceptovereenkomst toegezonden. Deze conceptovereenkomst houdt het volgende in: [Tekst conceptovereenkomst] 3Het geschil in conventie 3.1. [naam eiser 1] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair [naam gedaagde 1] te veroordelen tot nakoming van zijn verbintenissen als op 1 augustus 2017 tussen hem en [naam eiser 1] tot stand gekomen, inhoudende dat negenenveertig procent van de aandelen in het kapitaal van de holding door [naam eiser 1] wordt gekocht onder het voorbehoud van financiering tegen de prijs als uiteindelijk vast te stellen door Rembrandt Fusies & Overnames te Amsterdam, met inachtneming van een redelijke termijn om financiering voor de koopprijs aan te vragen en te verkrijgen; [naam gedaagde 1] te veroordelen om, zodra de koopprijs definitief is berekend en de financiering is verkregen, te verschijnen bij de notaris en mee te werken aan levering van de aandelen; [naam gedaagde 1] te veroordelen om een besluit buiten vergadering te nemen en schriftelijk vast te leggen, krachtens welk besluit [naam eiser 1] wordt benoemd tot statutair bestuurder van de holding met zelfstandige bevoegdheid en – voor zoveel nodig – alles zal verrichten om de statuten van de holding zo in te richten dat [naam gedaagde 1] alleen tezamen met een medebestuurder gerechtigd zal zijn de holding te vertegenwoordigen; Subsidiair [naam gedaagde 1] te veroordelen om door te onderhandelen met [naam eiser 1] , met als doel verkrijging door [naam eiser 1] van negenenveertig procent van de aandelen in het kapitaal van de holding onder de voorwaarden als blijkend uit de op 2 augustus 2017 door [naam 1] aan partijen verzonden overeenkomst; Primair en subsidiair [naam gedaagde 1] te veroordelen om zich, gedurende de tijd die Rembrandt Fusies & Overnames nodig heeft om tot berekening van de definitieve koopprijs te komen en [naam eiser 1] om de financiering te verkrijgen, te onthouden van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat de waarde van de aandelen wordt aangetast, en Rembrandt Fusies & Overnames en [naam eiser 1] alle door hen gewenste medewerking ter zake te verlenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [naam gedaagde 1] in de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [naam gedaagde 1] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna ingegaan. Opgemerkt wordt dat de voorzieningenrechter voorbij gaat aan de door partijen betrokken stellingen omtrent de werkverdeling tussen partijen, de ziekte van [naam gedaagde 1] , de oorzaak van het liquiditeitstekort en de verdere voorgeschiedenis, omdat deze zaken voor de beoordeling van het thans voorliggende geschil niet van doorslaggevende betekenis zijn. 4Het geschil in reconventie 4.1. [naam eiser 2] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op te heffen het op 30 augustus 2017 door [naam gedaagde 2] ten laste van [naam eiser 2] gelegde conservatoire beslag op de aandelen in het kapitaal van [naam bedrijf] 4.2. [naam gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. 5De beoordeling in conventie Ten aanzien van het spoedeisend belang 5.1. [naam eiser 1] stelt ten aanzien van het spoedeisend belang bij het gevorderde dat gegronde vrees bestaat dat [naam gedaagde 1] de aandelen aan een ander zal overdragen of een ander rechten op die aandelen zal verlenen, nu [naam gedaagde 1] [naam eiser 1] heeft laten weten dat hij aandelen zal overdragen aan een derde partij, bij wie ook alle zeggenschap over [naam bedrijf] zal komen te liggen. Het spoedeisend belang bij het gevorderde is daarmee gegeven. Ten aanzien van de primaire vorderingen 5.2. [naam eiser 1] legt aan zijn primaire vorderingen ten grondslag dat sprake is van toerekenbare niet-nakoming van een koopovereenkomst. [naam eiser 1] stelt dat tijdens de conference call op 1 augustus 2017 een overeenkomst tot koop en verkoop van negenenveertig procent van de aandelen in het kapitaal van [naam bedrijf] tot stand is gekomen en dat daarbij tevens afspraken zijn gemaakt over de inrichting van het bestuur van [naam bedrijf] . [naam eiser 1] onderbouwt deze stelling onder andere met verklaringen van de overige deelnemers aan de conference call, zijnde [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] (producties 9, 17 en 18). [naam eiser 1] stelt dat [naam gedaagde 1] zich vervolgens heeft bedacht en zich nu tracht te onttrekken aan nakoming van de verbintenis om de aandelen te leveren. [naam gedaagde 1] heeft te kennen gegeven de aandelen niet aan [naam eiser 1] te zullen leveren en daardoor is sprake van toerekenbare niet-nakoming aan de zijde van [naam gedaagde 1] , aldus [naam eiser 1] . De vorderingen strekken tot nakoming van de op 1 augustus 2017 – volgens stellingen van [naam eiser 1] – gemaakte afspraken (hierna: de gestelde afspraken). 5.3. [naam gedaagde 1] betwist dat hij met [naam eiser 1] is overeengekomen dat hij negenenveertig procent van de aandelen in het kapitaal van de holding, dan wel in de [naam bedrijf] groep, mag verwerven. Hij stelt dat tijdens de conference call op 1 augustus 2017 slechts is afgesproken dat [naam eiser 1] een voorstel op papier zou zetten. [naam gedaagde 1] onderbouwt deze stelling met verklaringen van familieleden en vrienden die zouden hebben meegeluisterd met de conference call (producties 4 tot en met 8 van [naam gedaagde 1] ). [naam gedaagde 1] betwist voorts dat hij de overige (in de door [naam 1] opgestelde overeenkomst opgenomen) afspraken met [naam eiser 1] heeft gemaakt. Hij stelt onderbouwd dat dit neerkomt op eliminatie van zichzelf en dat nergens uit blijkt dat hij, tijdens de conference call op 1 augustus 2017, daarmee heeft ingestemd. 5.4. Vooropgesteld wordt dat in het algemeen geldt dat de in kort geding beslissende rechter zich heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de (eventuele) bodemprocedure (HR 21 april 1995, NJ 1996, 462, r.o. 3.4). De vraag die derhalve ter beantwoording voorligt, is in hoeverre waarschijnlijk is dat de vordering strekkende tot nakoming van de gestelde afspraken in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter baseert zijn oordeel omtrent de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure op de aannemelijkheid van de door partijen betrokken stellingen. 5.5. De voorzieningenrechter acht, mede op grond van de door [naam eiser 1] overgelegde, aan [naam gedaagde 1] gerichte, e-mail van de Rabobank van 1 augustus 2017 en de schriftelijke verklaringen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , voorshands aannemelijk dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.