Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/750302-16 Datum uitspraak: 21 februari 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, opgegeven adres: [adres] , [geboorteplaats 2] ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Krimpen aan den IJssel. Raadsman mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2017. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest; verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen bestelauto, Ford Transit, kleur wit. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte willens en wetens mensen heeft gesmokkeld. De verdachte heeft steeds verklaard dat hij niet wist dat er zich personen in zijn bestelbus bevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij de reis van [plaats 7] via Frankrijk en België naar Nederland heeft gemaakt met als doel autobanden te kopen en deze in [plaats 7] door te verkopen. Zijn verklaring is verifieerbaar juist gebleken. 4.1.2. Beoordeling De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. Op 2 augustus 2016 zijn in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] , in het midden van het laadruim van een mini vrachtwagen / bestelbus met Brits kenteken [kentekennummer] vier Afghaanse personen aangetroffen (een man, vrouw en hun twee minderjarige kinderen). De laadruimte was geladen met 139 autobanden die niet gezekerd waren. De verdachte was de chauffeur van het betreffende voertuig. Op grond van de verklaring van de verdachte en overige bewijsmiddelen stelt de rechtbank verder het volgende vast. De verdachte is op donderdag 28 juli 2016 vanuit [plaats 3] in [plaats 4] aangekomen en heeft hier de nacht doorgebracht. De verdachte had een retourticket [plaats 5] voor 30 juli 2016. Op vrijdag 29 juli 2016 is de verdachte vanuit [plaats 6] naar Nederland gereden. De verdachte is echter niet op 30 juli 2016 van [plaats 6] naar [plaats 7] teruggegaan, maar heeft in plaats daarvan een ticket geboekt voor de ferry van [plaats 1] naar [plaats 8] ( [plaats 7] ). De verdachte heeft van vrijdag (29 juli 2016) tot maandag (1 augustus 2016) in [plaats 9] overnacht. De verdachte is op 1 augustus 2016 naar België gereden en heeft in ieder geval in [plaats 11] 50 autobanden gekocht. De verdachte is vervolgens naar Franrijk gereden en heeft de nacht van 1 augustus 2016 op 2 augustus in [plaats 6] doorgebracht. De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van de gesmokkelden vast dat zij op 2 augustus 2016 te [plaats 6] in het voertuig zijn gegaan. De verdachte is op 2 augustus 2016 vanuit [plaats 6] naar [plaats 9] gereden. De verdachte heeft verklaard dat hij op twee adressen banden heeft gekocht. Van het eerste bedrijf waar hij in België autobanden zou hebben gekocht, weet de verdachte het adres niet meer en is er geen aankoopbon van die autobanden aangetroffen. Het andere bedrijf waar de verdachte banden heeft gekocht, was gevestigd in [plaats 10] Uit de verklaring van de verdachte en een proces-verbaal bevindingen (p. 135) volgt dat de verdachte zelf samen met de autohandelaar op 1 augustus 2016 de autobanden in [plaats 11] in zijn voertuig heeft geladen. De gekochte 50 banden pasten er nog net bij, omdat de laadruimte al vol lag met andere autobanden. Verbalisanten hebben echter geconstateerd dat er op 2 augustus 2016 in de laadruimte achter twee lagen gevlochten autobanden een door autobanden omringde verborgen ruimte was waar het Afghaanse gezin is aangetroffen. De verdachte kan niet verklaren waarom een dergelijke open ruimte is aangetroffen, terwijl de laadruimte op 1 augustus 2016 nog volledig gevuld met autobanden was. Hierbij is tevens van belang dat de verdachte heeft verklaard dat hij het voertuig op 1 augustus 2016 had afgesloten. Slechts het rolluik kan eventueel van buiten handmatig zonder sleutel worden geopend, maar dat geldt niet voor de laadklep die zich voor het rolluik bevond. Deze laadklep heeft een hoogte van 180 centimeter vanaf de grond gemeten. De rechtbank merkt verder in dit verband op dat bij de controle van het voertuig van de verdachte, de verbalisanten eerst een laag banden moesten weghalen om vervolgens over de banden te kunnen klimmen om zo bij de open ruimte te komen waar de gesmokkelden zich bevonden. Verder is relevant dat het rolluik niet van binnenuit kon worden geopend, zodat de gesmokkelden het laadruim niet zelf konden verlaten. De getuige [naam getuige] , een van de gesmokkelden, heeft verklaard dat ze moesten kloppen als ze in [plaats 7] zouden zijn aangekomen. Op de vloer van de laadruimte is zowel aan de linkerachterzijde als de rechterachterzijde een gat met een diameter van 2 centimeter aangetroffen. Deze gaten stonden in directe verbinding met de open lucht. De rechtbank heeft verder acht geslagen op de telefonische oproepen op 3 en 4 augustus 2016 van Engelse telefoonnummers, die niet in de contactenlijst stonden van verdachtes telefoon (pag. 111-112). Wat met name opvalt zijn de negen oproepen van hetzelfde nummer ( [telefoonnummer] ) op 3 augustus 2016 in een relatief korte periode, te weten van 11.44 uur tot 18.54 uur. Deze oproepen zijn gedaan op de dag dat de verdachte volgens planning met zijn bestelauto terug zou zijn in Groot-Brittannië, ware het niet dat hij op 2 augustus 2016 was aangehouden. Met hetzelfde nummer is vervolgens ook nog op 4 augustus 2016 tweemaal naar de verdachte gebeld. Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat hij vanuit [plaats 6] naar [plaats 1] de vier Afghaanse personen heeft vervoerd. Dat de gesmokkelden hebben verklaard dat zij de verdachte niet hebben gezien doet aan het vorenstaande niet af. Uit deze conclusie volgt dus ook dat de rechtbank de door de verdachte gegeven alternatieve verklaring voor zijn onlogische en kostbare reis niet aannemelijk of geloofwaardig acht. Winstbejag De Hoge Raad heeft geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van winstbejag kan worden gesproken “indien het handelen van de dader is ingegeven door een gerichtheid op verrijking, waarbij het niet noodzakelijk behoeft te gaan om een op geld waardeerbaar voordeel, en evenmin bepalend is of het beoogde voordeel ook daadwerkelijk werd behaald. Voldoende is dat blijkt dat de dader op de bedoelde verrijking uit is geweest” (HR 13 november 2012, NJ 2012, 672, LJN: BX5419). De term ‘winstbejag’ strekt er slechts toe om handelen met zuiver ideële motieven uit de werkingssfeer van art. 197a tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht te houden. Uit het procesdossier volgt dat voor de reis van de gesmokkelden is betaald en dat het geld vrij zou komen op het moment dat de gesmokkelden in Groot-Brittannië zouden zijn aangekomen. De verdachte maakt als transporteur deel uit van een keten in dit geheel. Van ideële motieven aan de zijde van de verdachte is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het handelen van de verdachte erop was gericht om zichzelf te verrijken. Te duchten levensgevaar De gesmokkelden, waaronder twee kleine kinderen en een zwangere vrouw, hebben urenlang tussen niet-gezekerde autobanden gezeten, die konden verschuiven en omvallen. Hierbij wordt opgemerkt dat de gesmokkelden niet zelfstandig het laadruim konden verlaten. De rechtbank is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels sprake was van te duchten levensgevaar, temeer zij nog een bootreis van ten minste tien uren in het vooruitzicht hadden. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 2 augustus 2016 te [plaats 1] , gemeente [plaats 9] , althans in Nederland, België en Frankrijk , 4 (vier) personen met de Afghaanse nationaliteit, - behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door, en - uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie of die ander daartoe gelegenheid en middelen heeft verschaft terwijl hij, verdachte wist dat die toegang of die doorreis en dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, - bovengenoemde personen in een bestelauto, te weten een Ford Transit, vervoerd van Frankrijk naar Nederland en door Nederland, en - een ticket aangeschaft voor de ferry ( [plaats 1] ) naar Groot-Brittannië, en (aldus) het verblijf in Nederland en het transport en de doorreis door Nederland van die bovengenoemde pers(o)on(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.