vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/495705 / HA ZA 16-186 Vonnis van 22 februari 2017 in de zaak van de naamloze vennootschap CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V., gevestigd te Haarlem, eiseres, advocaat mr. G. Ruardij, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid THE PEOPLE CORPORATION B.V., gevestigd te Delft, 3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats] , 4. [gedaagde sub 4], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. M.L. Veldhuijzen. Partijen zullen hierna Connexxion, [gedaagde sub 1] , TPC, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk zullen worden aangeduid als [gedaagden] 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 februari 2016, met producties; de conclusie van antwoord; het tussenvonnis (de brief) van 11 mei 2016, waarin een comparitie van partijen is bepaald; de brief van de zijde van Connexxion van 1 september 2016, waarbij producties in het geding zijn gebracht; het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 september 2016; de ter zitting door mr. Ruardij (Connexxion) overgelegde aantekeningen; de ter zitting door mr. Visscher ( [gedaagden] ) overgelegde aantekeningen; het faxbericht van mr. Ruardij van 5 oktober 2016, waarin hij opmerkingen heeft gemaakt over het proces-verbaal; het faxbericht van mr. Visscher van 4 oktober 2016, waarin hij opmerkingen heeft gemaakt over het proces-verbaal; het faxbericht van mr. Ruardij van 11 oktober 2016, waarin hij heeft gereageerd op het faxbericht van mr. Visscher van 4 oktober 2016; het faxbericht van mr. Visscher van 11 oktober 2016, waarin hij heeft gereageerd op het faxbericht van mr. Ruardij van 5 oktober 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast. 2.1. Tussen Connexxion en MHIR B.V. (verder: MHIR) is op 28 mei 2010 een overeenkomst gesloten. MHIR exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met het werven, opleiden en aan derden ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Connexxion is een vervoersbedrijf. 2.2. TPC is de bestuurder van MHIR. [gedaagde sub 1] is de bestuurder van TPC. 2.3. In de overeenkomst tussen Connexxion en MHIR, die namens MHIR is ondertekend door [gedaagde sub 1] , is onder meer het volgende vermeld: 2De scope van de dienstverlening en levering omvat: Het leveren van getrainde en opgeleide informatie- en promotiemedewerkers ten behoeve van het uitfaseren van de strippenkaart in de bus (…). 8Eigendom Opdrachtgever De leverancier zal door de Opdrachtgever in het kader van de nakoming van de overeenkomst aan hem toevertrouwde zaken bewaren met inachtneming van de zorg van een goed bewaarder. Onverminderd het hiervoor bepaalde, blijft de eigendom van de betreffende goederen ten alle tijden bij de Opdrachtgever berusten. 2.4. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Connexxion van toepassing verklaard. In artikel 12 leden 4 en 5 van de algemene voorwaarden is het volgende vermeld: 4. In geval CONNEXXION aan Leverancier Goederen, zoals, maar niet uitsluitend, grondstoffen, hulpstoffen, gereedschappen, tekeningen, modellen, ontwerpen, berekeningen, monsters, brochures, foto’s, specificaties en/of software ter beschikking stelt ten behoeve van de nakoming van zijn verplichtingen, blijven deze eigendom van CONNEXXION. 5. Leverancier zal de in artikel 12.4 genoemde materialen en/of documentatie zorgvuldig beheren. Tevens zullen de genoemde materialen en/of documentatie zorgvuldig worden bewaard, afgescheiden van voorwerpen welke toebehoren aan hemzelf of aan derden. Leverancier zal deze materialen en/of documentatie merken als eigendom van CONNEXXION. 2.5. In 2011 heeft MHIR arbeidskrachten ter beschikking gesteld aan Connexxion die zich (onder meer) bezig hielden met de verkoop van combinatiekaarten ten behoeve van de Keukenhof en met de verkoop van zogenoemde A-kaarten. 2.6. Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 17 september 2014 is MHIR veroordeeld tot betaling aan Connexxion van € 287.303,45 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 3 maart 2012 tot aan de dag van algehele voldoening. Daarbij is MHIR tevens veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van Connexxion zijn vastgesteld op € 7.197,00 (in conventie) en op € 894,00 (in reconventie). De vordering in conventie van MHIR (een verklaring voor recht dat de vorderingen over en weer ten belope van € 164.914,84 door verrekening teniet zijn gegaan, althans veroordeling van Connexxion tot betaling van laatstgenoemd bedrag) is in dit vonnis afgewezen. 2.7. In het tussenvonnis van 3 juli 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland onder meer het volgende overwogen: 4.7. Nu is vast komen te staan dat er 31.000 Keukenhofkaarten en 4.520 A-kaarten zijn geleverd aan MHIR en er geen kaarten (tussentijds) retour zijn genomen, dient MHIR aan Connexxion de tegenwaarde van de geleverde kaarten, dan wel de kaarten zelf, terug te geven. Gelet op het aantal retour gezonden kaarten (waarover tussen partijen geen geschil bestaat), dient MHIR (behoudens verrekening) een bedrag van € 332.216 aan Connexxion te voldoen. 2.8. In het eindvonnis van 17 september 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland onder meer als volgt overwogen: 2.14. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat Connexxion een bedrag van MHIR te vorderen heeft van € 332.216,- ter zake de kaarten (…). Daartegenover staat de vordering van MHIR op Connexxion ter hoogte van € 44.912,55, ter zake de niet (langer) betwiste facturen (…). 2.15. In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat verrekening mogelijk is. Dat betekent dat de vordering van MHIR in conventie zal worden afgewezen. In reconventie zal aan Connexxion een bedrag worden toegewezen van € 287.303,45 inclusief BTW (€ 332.216,- minus € 44.912,55). 2.9. Op 15 december 2014 is tussen Connexxion en MHIR een vaststellingsovereenkomst gesloten. De vaststellingsovereenkomst is namens MHIR ondertekend door [gedaagde sub 1] . Daarin is onder meer het volgende vermeld: 1.1. MHIR voldoet een bedrag groot € 200.000,- aan Connexxion volgens het navolgende schema: Maand Bedrag December 2014 € 11.300,- Januari 2015 € 11.300,- Februari € 50.000,- Maart € 50.000,- April € 15.480,- Mei € 15.480,- Juni € 15.480,- Juli € 15.480,- Augustus € 15.480,- 1.2. Iedere betaling van de in artikel 1.1 vermelde maandbedragen dient voor iedere 15e van de desbetreffende maand plaats te vinden op het door Connexxion aan MHIR aan te geven rekeningnummer, en op uiterlijk de 15e van die maand dient het bedrag op rekening van Connexxion te zijn bijgeschreven. De betaling van december 2014 vindt plaats 3 werkdagen na het door beide partijen tekenen van de vaststellingsovereenkomst. 2.2. Zodra MHIR een betaling onder artikel 1.1 niet op tijd heeft verricht, vervalt deze vaststellingsovereenkomst, en zal Connexxion het Vonnis (inclusief het uit hoofde daarvan verschuldigde bedrag € 287.303,45, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten) verder executeren en vrij zijn om iedere vordering in rechte aanhangig te maken die zij raadzaam acht. (…) 2.10. Bij e-mailbericht van 30 juni 2015 heeft [gedaagde sub 1] onder meer het volgende geschreven aan (de advocaat van) Connexxion: U geeft aan dat er diverse malen is gesproken over het terugbetalen van de vordering, hetzij in een keer, hetzij gefaseerd. Dit is correct. Wij hebben een aantal bedragen overgemaakt tot een bedrag van naar wij menen € 60.000,00. Mede door het functioneren van de belangrijkste trekker binnen MHIR destijds, de heer [persoon 1] , en veranderende marktomstandigheden niet alleen binnen MHIR, maar ook binnen een tweetal andere besloten vennootschappen binnen de Groep, waren wij niet in staat ons aan de gemaakte afspraken te houden. U geeft ons t/m 30 juni 2015 de tijd om het verschuldigde bedrag over te maken op de rekening van Connexxion. Dit gaat ons helaas niet lukken op deze datum. Wij zitten op dit moment in de afronding van een financieringstraject met buitenlandse investeerders. De handtekeningen zijn gezet, maar door de compliance procedure bij ING zal het nog enkele weken duren voordat wij ook echt over het geld kunnen beschikken en betalingen kunnen doen. Wij hebben regelmatig contact met ING over de vorderingen hiervan. Het is dan ook niet zo dat wij niet willen betalen, maar over het geld op de rekening moeten beschikken om te kunnen betalen. Wij verzoeken u dan ook om de overeenkomst te handhaven en MHIR nog een keer uitstel te geven en wel tot 29 juli 2015 om de vordering te voldoen. (…) 2.11. Bij brief van 5 augustus 2015 heeft [gedaagde sub 1] onder meer het volgende geschreven aan (de advocaat van) Connexxion: Zoals eerder aangegeven is onze groep bezig met herfinanciering. Ter illustratie hiervan doe ik u hierbij een hardcopy toekomen van een SWIFT die thans ter behandeling bij ING ligt. Dat er dus in uw opinie geen sprake is van een investeerder is onjuist en dat de gelden dus niet klaarstaan is ook onjuist. Wij zijn echter afhankelijk van de procedures bij de bank en daar hebben wij helaas geen invloed op. Zeker gezien de aangescherpte wetgeving inzake financiële transacties kost dit tegenwoordig meer tijd. Daarnaast wachten wij nog op een grote betaling van een debiteur. De investering hebben wij al gedaan. Wij zijn zeker van plan de vordering te voldoen, maar het duurt allemaal langer dan verwacht. (…) Wij zijn ervan overtuigd dat wij de vordering kunnen betalen en wij schatten hiervoor nog een paar weken nodig te hebben. Wij verwachten zelf dat onze gelden bijgeschreven zijn rond de 15e van september. (…) 2.12. Door MHIR zijn tot op heden geen (verdere) betalingen meer verricht aan Connexxion. 3Het geschil 3.1. Connexxion heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van: - primair € 287.303,45 inclusief BTW, alsmede € 7.197,00 en € 894,00 en - subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 3 maart 2012 tot aan de dag van algehele voldoening; [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, de beslagkosten daarin begrepen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente. 3.2. [gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Connexxion in de kosten van de procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het gaat in de onderhavige procedure om de vraag of [gedaagde sub 1] , TPC, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] aansprakelijk zijn voor de schade die Connexxion lijdt wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering op MHIR. Dat MHIR geen verhaal biedt voor haar schuld aan Connexxion is niet in geschil. [gedaagde sub 1] heeft ter comparitie verklaard dat er (vrijwel) niets meer op de bankrekening van MHIR staat en Connexxion heeft onbetwist gesteld dat de door haar ten laste van MHIR gelegde beslagen geen doel hebben getroffen. 4.2. De rechtbank zal eerst de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] beoordelen. Volgens Connexxion zijn zij feitelijk bestuurders van MHIR en uit dien hoofde op grond van artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk voor de schuld van MHIR jegens Connexxion. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hebben dat betwist. Voor de beantwoording van de vraag wanneer in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW sprake is van feitelijk bestuurderschap, kan aansluiting worden gevonden bij het criterium dat daarvoor geldt bij bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement (artikel 2:248 lid 7 BW). Concreet betekent dit dat sprake moet zijn van feiten waaruit volgt dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als feitelijk bestuurders van MHIR het beleid hebben bepaald of mede hebben bepaald en dat dit met terzijdestelling van het formele bestuur is gebeurd. Voor dat laatste is voldoende dat het formele bestuur feitelijk heeft toegelaten dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als bestuurders optraden en het beleid bepaalden. Ook indien er een formele bestuurder is die mede het beleid bepaalt, kan sprake zijn van feitelijk bestuur door een (door de formele bestuurder gedoogde) persoon die feitelijk mede het beleid bepaalt als ware hij bestuurder. 4.3. Ten aanzien van [gedaagde sub 3] is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het hiervoor weergegeven criterium. [gedaagde sub 3] heeft ter comparitie weliswaar erkend dat hij kort voorafgaand aan 1 juli 2011 een bespreking met Connexxion heeft bijgewoond en zich daarbij heeft gepresenteerd als directeur van MHIR, maar die enkele omstandigheid rechtvaardigt nog niet de conclusie dat [gedaagde sub 3] het beleid van MHIR (mede) heeft bepaald. [gedaagde sub 3] heeft verklaard dat [persoon 1] (die destijds in dienst was van MHIR) hem in de laatste week van het project met Connexxion heeft gevraagd als directeur op te treden in de gesprekken over de uitvoering van het project, omdat de heer [persoon 2] van Connexxion niet met een normale verkoper maar met een directeur of manager wilde overleggen. Dat het optreden van [gedaagde sub 3] als directeur bij MHIR verder ging dan het bijwonen van één bespreking met Connexxion, is onvoldoende gesteld en evenmin gebleken. Hetgeen Connexxion overigens heeft aangevoerd - dat [gedaagde sub 3] in dienst is van een zusteronderneming van MHIR (Dima Drukkerij B.V.) en de broer is van [gedaagde sub 1] - kan evenmin tot het oordeel leiden dat sprake is van feitelijk bestuurderschap. De vordering tegen [gedaagde sub 3] zal dan ook worden afgewezen. 4.4. Ten aanzien van [gedaagde sub 4] heeft Connexxion aangevoerd dat zij zich in de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland heeft gepresenteerd als statutair directeur van de MHIR-groep (blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor van [gedaagde sub 3] , gehouden op 2 oktober 2013) en dat zij zichzelf op LinkedIn ‘managing director’ van MHIR noemt. Met deze stellingen heeft Connexxion onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 4] - die ter comparitie in de onderhavige procedure heeft verklaard dat zij binnen de MHIR-groep werkzaam was als managementassistente - als feitelijk bestuurder van MHIR moet worden aangemerkt. Connexxion heeft in het geheel niet toegelicht op welke wijze [gedaagde sub 4] het beleid binnen MHIR (mede) zou hebben bepaald. Dat zij zich in een eerdere procedure en op een online sociaal netwerk statutair directeur respectievelijk managing director zou hebben genoemd, is in de gegeven omstandigheden onvoldoende. Ook de vordering tegen [gedaagde sub 4] zal dus worden afgewezen. 4.5. Vervolgens moet worden beoordeeld of TPC - bestuurder van MHIR - en [gedaagde sub 1] - bestuurder van TPC en dus indirect (tweedegraads) bestuurder van MHIR - aansprakelijk zijn voor de schuld van MHIR jegens Connexxion. Bij de vraag of TPC aansprakelijk is gaat het om de feitelijke gedragingen die zijn verricht door [gedaagde sub 1] als haar bestuurder. Grondslag van de vorderingen tegen TPC en [gedaagde sub 1] is artikel 6:162 BW. Connexxion heeft tevens artikel 2:11 BW als grondslag genoemd, welk artikel bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Nu ook in dat geval sprake moet zijn van een persoonlijk ernstig verwijt van de tweedegraads bestuurder, zal de rechtbank de vorderingen tegen TPC en [gedaagde sub 1] gezamenlijk beoordelen op grond van artikel 6:162 BW. De rechtbank stelt in dat kader het volgende voorop. 4.6. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. 4.7. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.