vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/503193 / HA ZA 16-551 Vonnis van 18 januari 2017 in de zaak van
(2016); aftrek in Box III 1,2 % per jaar netto rentelast voor [eiser sub 2] 1,64% per jaar kosten o.b.v. effectieve belastingdruk 43,75% 0,7175% per jaar. De effectieve kosten van het financieren van de dividendbelasting van € 562.500,- bedragen voor [eiser sub 2] (indicatief) € 4.035,94 per jaar. De rechtbank gaat voor de schadeberekening uit van staken van de onderneming en afrekenen met de fiscus bij het bereiken van de leeftijd van 72 jaar, dat wil zeggen in augustus 2028 (bindende eindbeslissing). Op basis van dit uitgangspunt heeft [eiser sub 2] als gevolg van de beroepsfout gedurende 14 jaren extra financieringskosten moeten maken van in totaal (indicatief en zonder rekening te houden met de contante waarde) 14 X € 4.035,94 zijnde € 56.503,
- 2.
- De gehele schade kan dan (voorlopig, onder voorbehoud van een door partijen zo nodig aan te leveren meer exacte berekening op basis van de bindend vastgestelde uitgangspunten) als volgt worden begroot: financieringskosten (indicatief) € 56.503,13 heffingsrente IB € 8.385,-- notariskosten (netto) € 551,25 advieskosten Facet (netto) € 442,97 schaderapport Bol (bruto) € 3.500,-- totaal: € 66.182,
- De kosten van het schaderapport van Bolk en Bekker merkt de rechtbank niet aan als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (bindende eindbeslissing). Er had kunnen worden volstaan met het rapport van Bol, nu de vordering tot het daarin begrote bedrag is beperkt. Partijen kunnen zich er nog over uitlaten of de kosten van Bol bruto of netto (na aftrek van Vpb) in aanmerking moeten worden genomen. 2.
- Uit deze indicatieve schadebegroting volgt dat (hoogstwaarschijnlijk) niet aan de beperking van aansprakelijkheid tot € 300.000,- wordt toegekomen. Evenmin wordt toegekomen aan een uitsluiting van gevolgschade, aangezien de hiervoor onder 2.5 opgenomen (voorlopige) schadebegroting uitsluitend directe schade en kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW betreft. Het in voorwaardelijke reconventie aan de orde gestelde beroep op vrijwaring van Facet (en [gedaagde sub 2] ) door Parkzoom zal worden aangehouden, nu niet valt uit te sluiten dat een schade in de omvang als indicatief begroot door assuradeuren zal worden gedekt. Hetzelfde geldt voor de vraag in hoeverre [gedaagde sub 2] medeaansprakelijk is voor de beroepsfout van Facet. 2.
- Zoals ter comparitie besproken zal tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis worden opengesteld. De zaak zal worden verwezen naar de parkeerrol van 4 oktober
- Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De rechtbank in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 3.
- bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, 3.
- verwijst de zaak naar de parkeerrol van 4 oktober 2017, 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 18 januari
- 2504/2711