Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/750209-14 Datum uitspraak: 15 maart 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam , meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats 1] , [adres 1] , raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19, 21, 22, 23, 27, 29 september 2016; 24 oktober 2016; 13, 16, 18, 25 januari 2017; 15 maart
(3)Uit een OVC van 12 april 2015 in de woning van medeverdachte [naam medeverdachte 1] , uit een getapt gesprek tussen hem en zijn vriendin van 11 april 2015, uit een foto op de telefoon van [naam medeverdachte 1] en uit de verklaring van 1 mei 2015 van [naam medeverdachte 1] , blijkt dat dit ziet op een witte Audi die bij [naam medeverdachte 1] kwam en dat [naam medeverdachte 2] voor [naam medeverdachte 1] heeft nagegaan wie de bestuurder daarvan is. Uit de telefoon van [naam verdachte] blijkt dat deze op 5 april 2015 aan de ontvanger met de gebruikersnaam ‘ [naam 5] ’ het boekingsnummer en de naam van de [naam containerschip] heeft doorgegeven. Op 10 april 2015 is de naam van dit schip en het adres van de door [naam verdachte] gehuurde loods doorgegeven vanaf de telefoon van [naam verdachte] in een PGP-bericht aan ‘ [naam 5] ’. Gebruiker ‘ [naam 5] ’ maakt gebruik van hetzelfde emailadres als de gebruiker ‘ [bijnaam verdachte] ’ uit de telefoon van [naam medeverdachte 6] – en van ‘ [bijnaam verdachte] ’ is hiervoor vastgesteld dat dit de verdachte [naam medeverdachte 2] betreft. Gelet op het gebruikte email adres, maar ook gelet op het feit dat ‘ [naam 5] ’ op 10 april 2015 van [naam verdachte] de naam [naam containerschip] doorkrijgt en ‘ [bijnaam verdachte] ’ zeven minuten later deze naam doorzendt aan [naam medeverdachte 6] en het gebrek aan enige uitleg door de verdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] , concludeert de rechtbank dat [naam medeverdachte 2] degene is die als ‘ [naam 5] ’ in de telefoon van [naam verdachte] staat. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusies. Gelet op het [naam horecagelegenheid] gesprek, de ontmoeting van de verdachte [naam medeverdachte 2] met [naam getuige 1] en [naam getuige 2] en de inhoud van de OVC-gesprekken in de woning van [naam medeverdachte 1] kan slechts geconcludeerd worden dat de verdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] een drugslijn hebben opgezet vanuit [pleegplaats 1] , [pleegplaats 2] naar Nederland. Daarbij waren de [naam natuurproduct] containers dummies, een term die regelmatig terug komt in de OVC’s in de woning van [naam medeverdachte 1] . In die OVC-gesprekken hebben [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] het ook regelmatig over [naam natuurproduct] . Wanneer de OVC’s worden bezien in combinatie met de aanwezigheid van verdachte [naam verdachte] bij het [naam horecagelegenheid] gesprek en het gegeven dat hij [naam natuurproduct] verzond vanuit [pleegplaats 1] naar Nederland, dan blijkt dat het gaat om de [naam natuurproduct] die deze verdachte uit [pleegplaats 1] verzond. In dit verband kan gewezen worden op het OVC-gesprek van 5 januari 2015 waarin [naam medeverdachte 2] het heeft over ‘ [naam verdachte] ’, op het OVC-gesprek van 12 januari 2015 met de verwijzing naar Wilk, de vrouw van [naam verdachte] , als ‘het wijf van [naam verdachte] ’ en op het OVC-gesprek van 16 februari 2015 waarin [naam medeverdachte 2] aangeeft een afspraak te hebben voor de [naam natuurproduct] met de man van [naam tuincentrum] (de door [naam verdachte] beoogde koper van de [naam natuurproduct] ) en dat ‘hij de gegevens van [naam verdachte] ’ bij zich heeft. De uiteindelijke vondst in de [naam deelstaat] container bevestigt dat het om een drugslijn gaat, meer specifiek om cocaïne. De PGP-contacten over de [naam deelstaat] container tussen [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 6] bevestigen eens te meer de betrokkenheid van deze verdachten bij de smokkel van drugs in die container. Het verweer van de verdediging van [naam medeverdachte 2] dat de drugs mogelijk in de [naam deelstaat] container zijn geplaatst nadat de [naam deelstaat] [pleegplaats 1] had verlaten, slaagt gelet op het voorgaande niet, waarbij het bovendien op de weg van deze verdachte had gelegen om tekst en uitleg te geven over de hiervoor geschetste omstandigheden. Over de rol van de individuele verdachten wordt nog het volgende overwogen. Over de rol van [naam medeverdachte 2] had de leiding. Hij gaf geld aan [naam verdachte] om de dekladingen en containertransporten te regelen en hij bepaalde wanneer [naam verdachte] de drugs aannam. Hij had veelvuldig contact met medeverdachte [naam medeverdachte 1] en zij voerden veel gesprekken die betrekking hadden op de smokkel van drugs samen met [naam verdachte] vanuit [pleegplaats 2] . [naam medeverdachte 2] was mede betrokken bij de verkoop van de deklading [naam natuurproduct] . Hij had verder contacten met [naam medeverdachte 6] , die hij omkocht voor de invoer van cocaïne en van wie hij informatie verkreeg over de werkwijze van de douane. Deze link tussen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 6] blijkt, naast de verklaring van [naam medeverdachte 6] en [naam 3] , ook uit het feit dat regelmatig ontmoetingen tussen [naam medeverdachte 6] en deze verdachte door de politie zijn waargenomen in de periode januari tot en met april 2015 en dat zij per PGP-contact over de [naam deelstaat] hadden. Uit de inhoud van de OVC-gesprekken, de verklaring van [naam medeverdachte 6] dat hij zeveneneenhalf procent kreeg en hij ‘een [schuilnaam medeverdachte 1] was’ en de vastgestelde contacten en PGP-berichten tussen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 6] , maakt de rechtbank – mede bij gebreke van enige verklaring van de zijde van [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1] daarover – op dat met ‘ [schuilnaam medeverdachte 1] ’ in de OVC-gesprekken [naam medeverdachte 6] wordt bedoeld. Het verweer van de verdediging van [naam medeverdachte 2] dat de politie en justitie de drugs mogelijk in de haven van [pleegplaats 4] in de container hebben geplaatst heeft zelfs niet het begin van aannemelijkheid. Over de rol van [naam medeverdachte 1] Uit het voorgaande blijkt dat [naam medeverdachte 1] veelvuldig overlegde met [naam medeverdachte 2] over de zaken [naam natuurproduct] en [naam deelstaat] , dat hij het daarbij heeft over ‘wij’ (en niet alleen [naam medeverdachte 2] ) die geld verliezen of verdienen en dat hij meebeslist over de verdeling van de opbrengsten. Weliswaar blijkt uit de OVC-gesprekken dat [naam medeverdachte 2] de grootste inbreng heeft en duidelijk beter dan [naam medeverdachte 1] weet wat de laatste ontwikkelingen zijn, maar anders dan de verdediging van [naam medeverdachte 1] aanvoert, praat [naam medeverdachte 1] niet alleen maar wat met [naam medeverdachte 2] mee. Hij beschikte ook over een PGP-telefoon, hetgeen zich moeilijk verhoudt tot ‘alleen maar meepraten’. Dat verdachte [naam medeverdachte 1] in drugs handelde, blijkt ook uit gesprekken die [naam medeverdachte 1] heeft met zijn vriendin. Hij beschrijft in een gesprek van 30 november 2014 waar ‘we’ – en daarmee wordt gezien de andere OVC’s in ieder geval bedoeld: [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] – al vier maanden mee bezig zijn, dat ze ‘afhankelijk zijn van mensen in dat andere apenland’ en dat ‘de containers, de goederen, de papieren goed moeten zijn’, dat ‘er een hoop geld in zit’ en dat ‘de prijs hoog staat’, ‘rond 37 en 38’ en daarbij gaat het duidelijk om de prijs van cocaïne zoals blijkt uit zijn verwijzing naar cokeprijs.nl. De vriendin van [naam medeverdachte 1] concludeert in dat gesprek dat hij een cokehandelaar is. In een gesprek van 23 november 2014 zegt [naam medeverdachte 1] tegen zijn vriendin dat hij acht tot 12 jaar kan krijgen voor wat het werk dat hij doet en dat het volgende maand gaat beginnen en hij dan de kans loopt dat hij vast komt te zitten. Over het gesprek van 30 november 2014 heeft de verdediging van [naam medeverdachte 1] aangevoerd dat daaruit blijkt dat hij de cocaïneprijs op internet moet nazoeken en dus juist niet van de hoed en de rand weet. Dit verweer berust op een te beperkte lezing van dit OVC-gesprek. [naam medeverdachte 1] geeft tijdens het gesprek juist aan dat hij dat gewoon weet, de verwijzing naar cokeprijs.nl is niet serieus bedoeld. Gelet op de samenhang met de OVC-gesprekken tussen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , in samenhang met het [naam horecagelegenheid] gesprek en de gevonden drugs in de [naam deelstaat] , kan uitgesloten worden dat dit alleen maar grootspraak van [naam medeverdachte 1] is, zoals door de verdediging van [naam medeverdachte 1] was aangevoerd. Over de rol van [naam verdachte] De verdachte [naam verdachte] regelde de dekladingen en het vervoer van de [naam natuurproduct] en [naam deelstaat] containers. Het verweer van de verdachte [naam verdachte] dat hij niet wist dat een drugslijn werd opgezet en dat er drugs in de [naam deelstaat] container zat, slaagt niet. Hij was aanwezig bij het [naam horecagelegenheid] gesprek. Het is ondenkbaar dat [naam medeverdachte 2] in aanwezigheid van [naam verdachte] over de invoer van drugs zou praten, als [naam verdachte] daar niet mee bekend was. Dat hij bij dat gesprek nauwelijks zelf aan het woord komt, doet daar niet af. Daar komt bij dat [naam verdachte] per PGP over de [naam deelstaat] container met [naam medeverdachte 2] in contact stond. Het gebruik van PGP-berichten is, zoals door diverse verdachten is aangevoerd, op zich niet verboden. Echter, als twee deelnemers uit een eerder gesprek over drugssmokkel later per PGP berichten uitwisselen over een container waarin drugs worden gevonden, dan is dat een situatie die schreeuwt om een uitleg en die uitleg weigert verdachte [naam verdachte] te geven. Gelet op het voorgaande en de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II zijn de feiten 1. zaak [naam deelstaat] ) en 2 (zaak [naam natuurproduct] ) wettig en overtuigend bewezen. In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op of omstreeks [pleegdatum 1] te [pleegplaats 4] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 400 kilogram (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. hij in de periode van [pleegdatum 2] tot en met [pleegdatum 1] in Nederland en te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer ander(
- en)heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en} te (doen) plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of - zich en/of (een) ander(
- en)gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van de/het hierboven bedoelde feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders: - in persoon, telefonisch en via email (o.a. via encryptie PGP) contacten onderhouden; - in [pleegplaats 2] verbleven; - geld overgemaakt c.q. laten overmaken naar bedrijven in [pleegplaats 2] ; - gesprekken gevoerd over het versturen van “dummy's”; - contact gelegd met personen en bedrijven in [pleegplaats 2] met als doel een of meer containers met [naam natuurproduct] en water naar Nederland te verschepen; - een handelshoeveelheid [naam natuurproduct] georganiseerd/gekocht en een partij flesjes water aangekocht; - containers met [naam natuurproduct] (als lijntesters) vanuit [pleegplaats 2] naar Nederland verscheept; - een douane ambtenaar benaderd voor inlichtingen over het laden van containers, de stand van zaken mb.t. vaarschema's en de tactiek en werkwijzen van douanecontroles en; - een loods gehuurd/geregeld voor het lossen van containers. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: de voortgezette handeling van 1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; en 2. medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen of om voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne, verborgen een zeecontainer afkomstig uit [pleegplaats 2] , in Nederland en bovendien aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe. Het aandeel van de verdachte binnen de groep van medeplegers was actief en omvangrijk. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte hierbij heeft gefungeerd als facilitator, onder meer door een loods te regelen waar de verboden lading van de drugscontainer gelost moest worden. Aldus heeft de verdachte bijgedragen aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers van verdovende middelen veelvuldig strafbare feiten plegen om aan geld voor drugs te komen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert aan alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 augustus 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gezien de ernst van de feiten dient te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. Gelet hierop prevaleren de persoonlijke omstandigheden niet langer ten opzichte van het strafvorderlijk belang en zal de schorsing van de voorlopige hechtenis bij bevel van heden worden opgeheven. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 47 en 56 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet. 9Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 10Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. J. van der Groen, voorzitter, en mrs. N. Doorduijn en S. Jordaan, rechters, in tegenwoordigheid van R. Meulendijk en mr. L.S. Zawierko, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2017. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. Zaak [naam deelstaat] hij op of omstreeks [pleegdatum 1] te [pleegplaats 4] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 400 kilogram (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; art. 2 jo. 10 Opiumwet 2. Zaak [naam natuurproduct] hij in of omstreeks de periode van [pleegdatum 2] tot en met [pleegdatum 1] te [pleegplaats 4] , [pleegplaats 5] , [pleegplaats 6] , [pleegplaats 7] en [pleegplaats 8] , althans in Nederland en te [pleegplaats 1] , althans in [pleegplaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst t voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer ander(
- en)heeft getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te (doen) plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of - zich en/of (een) ander(
- en)gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van de/het hierboven bedoelde feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders: - in persoon, telefonisch en via email (o.a. via encryptie PGP) contacten onderhouden; - in [pleegplaats 2] verbleven; - geld overgemaakt c.q. laten overmaken naar bedrijven in [pleegplaats 2] ; - gesprekken gevoerd over het versturen van “dummy’s”; - contact gelegd met personen en bedrijven in [pleegplaats 2] met als doel een of meer containers met [naam natuurproduct] en water naar Nederland te verschepen; - een handelshoeveelheid [naam natuurproduct] georganiseerd/gekocht en een partij flesjes water aangekocht; - containers met [naam natuurproduct] (als lijntesters) vanuit [pleegplaats 2] naar Nederland verscheept; - een douane ambtenaar benaderd voor inlichtingen over het laden van containers, de stand van zaken mb.t. vaarschema’s en de tactiek en werkwijzen van douanecontroles en; - een loods gehuurd/geregeld voor het lossen van containers. art. 10A Opiumwet Dit tijdsverschil blijkt uit p. 958 (6:57:43 PM UTC+0 – op de telefoon [naam verdachte] ) en p. 833 (7:05:13 PM UTC+0 – op de telefoon van [naam medeverdachte 6] ) uit het zaaksdossier [naam deelstaat] .