Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/750021-15 Datum uitspraak: 15 maart 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [inrichting] , raadsman mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19, 21, 22, 23, 29 september 2016; 4, 24, oktober 2016; 15, 16, 30 november 2016; 9, 10, 13, 18, 26 januari 2017; 15 maart 2017. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 15 maart 2017. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 21 september 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie nader is omschreven. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. J. Spaans en M. Boheur hebben gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest. 4Vrijspraak feit 2 (voor zover het betreft de zaak Vlet) en feit 3 (zaak Vlet) Het dossier Vlet betreft het transport van twee containers uit Panama naar Nederland. In deze containers zaten ananassen waarin een grote hoeveelheid cocaïne was verborgen. De verdachte heeft elke betrokkenheid bij dit transport ontkend. Hoewel uit het dossier blijkt van mogelijk belastende zogenaamde PGP-gesprekken – in mei 2015 -door de verdachte met medeverdachten, kan hieruit niet volgen dat deze gesprekken zagen op het transport in deze zaak. Immers, in de gespreken wordt gesproken over Costa Rica, terwijl het transport zijn oorsprong had in Panama. Bij gebrek aan overig bewijs, wordt de verdachte van feit 2 (voor zover het de zaak Vlet betreft) en feit 3 dan ook vrijgesproken. 5Waardering van het bewijs OVC-gesprekken In het dossier bevindt zich een groot aantal OVC-gesprekken; OVC-gesprekken die voornamelijk zijn opgenomen in de woning van de verdachte [medeverdachte 1] . Het openbaar ministerie heeft zich bij de vraag of de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen, voornamelijk gebaseerd op deze gesprekken. De vraag die derhalve moet worden beantwoord, is welke bewijswaarde aan deze gesprekken kan worden toegekend. Uit de jurisprudentie volgt dat wanneer de verdachte ontkent, dan wel de gesprekken niet voor één uitleg vatbaar zijn, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan. Om de betekenis en strekking van die gesprekken niettemin te duiden als – kort gezegd – betrekking hebbend op cocaïne, is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. Immers, wanneer het ten aanzien van de betekenis van deze gesprekken in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig. Deze behoedzaamheid brengt mee dat aan afgeluisterde en opgenomen gesprekken de door het openbaar ministerie voorgestelde betekenis slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud, het onderling verband daarvan en het verband met eventuele andere bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Meer in het bijzonder zal moeten worden nagegaan of de voor het bewijs te gebruiken verslagen van die gesprekken, gelet op hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken deelnemen in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid bij cocaïne. Voorts kunnen onder omstandigheden en in het licht van overig bewijs ten nadele van de verdachte conclusies worden getrokken uit het zwijgen of niet-verifieerbaar verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde telefoongesprekken. In de eerste plaats dient hier te worden opgemerkt dat de kwaliteit van de OVC-gesprekken, zeker die in de woning van [medeverdachte 1] , goed is. De rechtbank heeft zelf kennisgenomen van de kwaliteit van de OVC-gesprekken door fragmenten (ter terechtzitting) te beluisteren. Voor zover nog is gesteld dat de kwaliteit van de opnames in de weg staat aan het gebruik ervan voor het bewijs, merkt de rechtbank op dat alle procesdeelnemers de OVC-gesprekken op een geluidsband hebben mogen ontvangen, om op die manier de gesprekken te beluisteren. Daarnaast is ter terechtzitting een aantal fragmenten beluisterd. De rechtbank heeft hierbij vastgesteld dat hetgeen door de politie is weergegeven ook daadwerkelijk op de opnames is te horen. De omstandigheid dat een enkele keer is weergegeven dat iets “niet te verstaan (NTV)” was, terwijl dit wel het geval bleek, maakt dit niet anders. Dit geldt temeer nu, met uitzondering van commentaar op een aantal punten, de weergave van de gesprekken inhoudelijk niet is bestreden. Gelet op het hiervoor overwogene, is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van de (OVC-)gesprekken, zoals deze in de bijlage II zijn opgenomen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende blijkt van betrokkenheid van de verdachte, zoals ook per feit nader zal worden weergegeven. De verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat terughoudendheid bij het gebruik van de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] voor het bewijs is geboden. Er zijn immers aanwijzingen dat door het openbaar ministerie met [medeverdachte 2] , ten gunste van diens procespositie, afspraken zijn gemaakt en dat [medeverdachte 2] slechts zijn eigen straatje heeft willen schoonvegen. [medeverdachte 2] is dan ook niet volledig betrouwbaar in hetgeen hij heeft verklaard. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank als volgt. Een verhoor in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zal in de regel niet een gezellig samenzijn zijn. Immers, de verhorende verbalisanten – in onderhavig geval zeer ervaren rechercheurs – zijn op zoek naar de waarheid achter de mogelijk gepleegde feiten en willen die graag van de verdachte vernemen. In deze zaak was een serieuze verdenking van invoer van cocaïne. Dat tijdens dit soort verhoren de druk wordt opgebouwd, is dan ook niet vreemd en evenmin ontoelaatbaar. Dat sprake is geweest van ontoelaatbare druk is uit de (verbatim-)verhoren noch uit de geluidsbanden gebleken. Evenmin is gebleken van het feit dat sprake zou zijn van een “deal” tussen de verdachte en de rechercheurs, waardoor de verdachte overeenkomstig de wens van de verhoorders zou hebben verklaard. Het enkele feit dat er een overlegmoment met de officier van justitie is geweest en vervolgens een duim omhoog is gestoken, is hiervoor onvoldoende. Uiteraard is het voor een persoon die niet eerder (in Nederland) als verdachte is aangehouden dan wel in voorlopige hechtenis is gesteld niet aangenaam om in een verhoorsituatie te belanden. Het consultatierecht (Salduz) is in dat verband dan ook een goed tegenwicht, nu de advocaat de verdachte kan bijstaan om diens procespositie te bepalen. De verdachte is daar ook steeds op gewezen, zo blijkt uit de verklaringen, alsmede op het recht om geen antwoord te hoeven geven. Daarnaast is hem aan het einde van de verhoren telkens de gelegenheid geboden de verhoren door te lezen en zo nodig aan te passen. De omstandigheid dat de verdachte heeft willen verklaren om op die manier mogelijk sneller uit de voorlopige hechtenis te komen en daarbij verklaringen heeft afgelegd die belastend zijn voor zichzelf en zijn medeverdachten komt dan ook voor zijn eigen rekening. Daarnaast blijkt dat de inhoud van de verklaringen, meer specifiek met betrekking tot de bedoeling om vanuit Zuid-Amerika een drugslijn op te zetten, in grote lijnen wordt ondersteund door de verklaringen van de verdachte zelf. De verklaringen van [medeverdachte 2] kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt. Zaak Antofagasta De tenlastegelegde invoer van een hoeveelheid cocaïne heeft – kort gezegd – betrekking op het volgende. Op 6 februari 2015 is het schip Hammonia Antofagasta (hierna: Antofagasta) vertrokken vanuit Panama. Op dit schip waren onder meer drie containers aanwezig, die waren geladen met ananassen, afkomstig van het bedrijf [onderneming 1] uit Panama. De betreffende containers waren ingevolge de zogenaamde Bill of Lading bestemd voor het bedrijf [onderneming 2] te Ridderkerk. Dit bedrijf had het bedrijf van [medeverdachte 2] , genaamd [onderneming 3] , gemachtigd alle formaliteiten af te handelen. Op 20 februari 2015 is de Antofagasta aangekomen in de haven van Rotterdam. Een van de drie containers, te weten de container met nummer MNBU3316038 is apart van de andere containers opgehaald op 21 februari 2015. Deze container is vervolgens vervoerd door een chauffeur van het bedrijf [onderneming 4] te Barendrecht en diezelfde middag afgeleverd bij een loods aan de Tiendweg te Krimpen aan de Lek. Aldaar is de container leeggehaald en zijn de pallets met ananassen verkocht aan een opkoper. In de desbetreffende loods noch bij de verdachten is een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Heeft er cocaïne in de container MNBU3316038 gezeten? De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze container een hoeveelheid cocaïne heeft bevat, welke tussen de lading met ananassen was verborgen. Deze cocaïne is er in de loods aan de Tiendweg uitgehaald en verkocht. De verdediging heeft betoogd dat niet is gebleken dat er cocaïne in de betreffende container heeft gezeten. De container is bij de douane door de scan gehaald en vervolgens onderworpen aan een 100%-controle. Nu niet is gebleken van onregelmatigheden op die scan, voor zover dat al te zien is geweest op de in het dossier aanwezige scanafdruk, en de officier van justitie de container daarna heeft vrijgegeven, kan niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van invoer van cocaïne. De rechtbank overweegt het volgende. Uit de jurisprudentie volgt dat als uitgangspunt wordt genomen dat de opzettelijke invoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveel cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van de bewijsmiddelen waaronder bijvoorbeeld OVC-gesprekken, in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat de tenlastegelegde invoer kan worden bewezen. In dat geval is dit naar het oordeel van rechtbank ook het geval waarbij in het bijzonder de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen (OVC-)gesprekken en de modus operandi van betekenis zijn. Overigens is voor die conclusie geen plaats indien de verdachte een aannemelijke verklaring heeft weten te geven voor de inhoud van aan hem voorgehouden relevante (OVC-)gesprekken of andere uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden en die verklaring niet kan worden weerlegd. Uit het dossier Antofagasta blijkt het volgende. Op 16 juli 2014 vond een ontmoeting plaats bij [activiteitencomplex] tussen in elk geval [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en twee andere personen. Er is toen een opname gemaakt van hetgeen werd besproken en daaruit blijkt – ook als rekening wordt gehouden met de kanttekeningen die de verdediging van diverse verdachten daarbij hebben geplaatst – dat er werd gesproken over de invoer van verdovende middelen. Op 22 januari 2015 spreken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met elkaar over een schip, waarvan [medeverdachte 3] het boekingsnummer wil hebben. Hierop zegt [medeverdachte 1] dat hij pas over twee weken, 6 februari, weggaat. Op 2 februari 2015 wordt dan wederom gesproken over “dat ie 6 februari de boot op gaat”, in combinatie met genoemde geldbedragen en hoeveelheden kilo’s. Op 2 februari 2015 wordt door [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] gezegd: “Kijk we pakken al op een kilo, 10 rooien”. Hierop zegt [medeverdachte 1] dat zij ook wat krijgen, gewoon de helft. Dat dit gaat over het vertrek van de boot op 6 februari 2015, blijkt uit dat [medeverdachte 1] vraagt: “vrijdag toch?”. Hierop antwoordt [medeverdachte 3] : “6 februari gaat ie op de boot, dat staat op de papieren”. Op 5 februari 2015 wordt in het gesprek met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gezegd: “of het ding er op staat”. [medeverdachte 1] reageert daarop door te zeggen dat je dat pas zaterdag of vrijdag laat weet. De rechtbank merkt op dat 6 februari 2015 op een vrijdag was. Vervolgens wordt door [medeverdachte 1] gezegd: “Ja ik vind 220 toch best wel eh .. ze geloven je toch eh zomaar he. Is toch 6 miljoen, zeg maar” Met betrekking tot de aankomstdatum blijkt uit de gesprekken van 6 en 7 februari 2015 tussen [medeverdachte 1] en zijn vriendin M. [medeverdachte 4] het volgende. [medeverdachte 1] zegt dat 19 en 20 februari heel belangrijk zijn. Hij zegt daarbij dat ze moet zorgen dat ze 18, 19 en 20 niets te doen heeft. Vervolgens zegt hij dat hij dan zwaar gaat verdienen. Hij denkt wel een half miljoen. Op 21 februari 2015, te weten de datum dat de container is aangekomen, vinden er diverse gesprekken plaats tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] . Uit deze gesprekken blijkt onder meer dat er grote geldbedragen worden geteld; het is blijkbaar zoveel geld dat er een geldtelmachine nodig is en wordt gekocht. Zo wordt onder meer gezegd : ”Help mij eens effe...tel eens 1 pakketje, ik denk dat het 10 ruggen zijn...nee van dit, en er een van deze....”, “Zit op de 50en half ...hoeveel heb je daar?”, “lk eh denk dat er dit inderdaad 10 zijn , ik heb er hier al 4. lk zit al bijna op de helft...”, “ Eerst zien, dat is ook 50 he bij elkaar?”, “Ah ik ken het wel gaan tellen maar ken niet ntv, je moet een telmachine, ik ga morgen een telmachine kopen want dat ken... dat ken niet”. Diezelfde avond wordt ook gesproken over de inhoud van de afgeleverde container. [medeverdachte 3] zegt “Maar dat maakt helemaal niet uit. Je haalt 6 pallets er uit” en “dan pak je de pallet waar het in zit, die breng hij gelijk naar de eerste loods” en “lk gaat ook morgen proberen die ananassen weg te doen”. [medeverdachte 1] reageert hierop: “ Ja ik kon die pallets niet heel laten”, “lk heb lekker gegooid ermee, ze zijn helemaal verrot”. [medeverdachte 3] : “Voor mij part verrotten ze, ik moet die gozer toch betalen, ik ga 10-12 rooien betalen en klaar”. Vervolgens zegt [medeverdachte 3] : “ Maar eh nou heb ik nog een vraag wat moet ik met die kanker brokken van die Mokumers? [medeverdachte 1] reageert: lk heb ... Jan was die ananassen liggen gewoon op de grond ntv”, “Ja dat kon niet anders, die dingen zaten er helemaal tussen”, “Hun hebben 21, 2 — 50, ze hebben 2 kilo eh 42 gehad ze moeten die Pan 750 gram terug geven”. Vervolgens wordt in dit gesprek gesproken over de verdeling van geld. Onder meer komt aan de orde: “en die Silva krijgt nog 250 ruggen?”, “Dan hebben wij nog 800 en dan moet je Ernst geven, wat wil je Ernst geven? 2 ton of zo?”, “Nee, 150 of zo, ik ga tegen die mensen gewoon zeggen er zit weinig in”. “Dus als Ernst 150 ruggen heb dan hebben wij 6 en een halve ton plus die kilo, die 750 dus hebben wij bijna”. Voorts wordt gesproken over de wijze van verpakken: “lk zeg tegen die die die Panamees zat heel de tijd te wijzen naar die pallet ik zeg ... ik zeg kom ik zeg eh... wijzen, ik zeg kom op, hij was blij jongen die ene grote die kleine ook”, “ Nah ze hadden het niet goed verpakt”, “Nee luister ze had, ...verpakking eh weet je wat het is? Ze hadden het te vol gedaan, heel de doos zat vol, als douane langs loopt, die kon zo de pakken zien zitten”, “Ze hadden het wel goed verpakt qua verpakking”, “Als er een hond erin had gezet, de hond had het zo geroken”. Over de wijze van het innen en de verdere verdeling van het geld wordt het volgende besproken. [medeverdachte 1] : “Ze hebben het omgegooid, hij pakte die auto mee, hij zeg wacht, ik heb 10 minuten binnen gezeten, ze kwamen terug geven die tas, zeg, hier heb je die auto...doei”. [medeverdachte 3] reageert daarop: ”Goed tellen he!”. [medeverdachte 1] : “Het zijn allemaal vijftigjes als het goed is”. [medeverdachte 3] : ”Durf je het niet allemaal mee te nemen in de stash auto?” Hierop reageert [medeverdachte 1] : “Maar waarom zou ik het risico nemen snap u? Het is godverdomme zaterdag, stel ik rij echt in een fuik, fuik met een hond...Ze ruiken drugs en heel die auto gaat open, ben ik alles kwijt”. Nog weer iets later die avond vertelt [medeverdachte 1] : “die blokken die heb ik gewoon aangeraakt met die handschoenen”, “Ja, die blokken, die gozer zegt ze zien er goed uit maar ik ga ze morgen pas testen” en “Het enigste wat het probleem was sommige waren nat door die ananassen”. Tot slot wordt in het gesprek van 25 februari 2015 wederom gesproken over de lading van de container en waarom [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] denken dat de lading niet is gepakt. “Maar weet je waarom ze het niet gepakt hebben? Omdat die pallets tegen elkaar aan staan. Als het goed weer was geweest”, “Hadden ze waarschijnlijk open effe gelost”. “Dan zouden ze wel echt... of ja maar kijk weet je wat het kutte was, hun hebben het op die bovenste pallet gedaan dus als er eentje op de ladder gaat staan ken die kijken”. Over de inhoud van de container wordt dan nog gezegd: “Hoeveel van die ananassen zaten er in een doos? Maar ik bedoel luister er zitten 5 blokken in dan leggen er 2 ananassen op en klaar”. Over hetgeen na het lossen van de container in de loods aan de Tiendweg is gebeurd, verklaren een tweetal getuigen, te weten [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] heeft verklaard dat hij is benaderd door [medeverdachte 3] met de vraag of hij ananassen kwijt kon. Naar aanleiding van dit contact is hij samen met [getuige 2] naar een loods in Krimpen aan de Lek gegaan. [getuige 1] verklaart daarover dat de ananassen in een ongekoelde ruimte lagen en dat, gelet op de wijze waarop het contact was gelegd en de wijze waarop hij de ananassen zijn aangetroffen, “ze er wel iets mee gedaan hadden”. De getuige [getuige 2] bevestigt dat hij degene is geweest die de ananassen heeft gekocht. Hij heeft verklaard dat hij voor deze lading € 6,- per doos heeft betaald. Hij vond dit zelf ook een laag bedrag, maar dacht dat het “die gasten” niet zou uitmaken als het een dekmantel was. Hij heeft voorts verklaard dat hij in de loods de origineel verpakte pallets heeft aangetroffen, waarbij één pallet in het folie was verpakt. Later bij het uitladen bleek dat de ananassen uit die betreffende pallet geen kroontje meer hadden. Dit vond de getuige gek. Gelet op de inhoud van voornoemde OVC-gesprekken, kan de conclusie worden getrokken dat door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] wordt gesproken over de container die op 6 februari 2015 op de Antofagasta is gegaan en 20 februari 2015 in Rotterdam is aangekomen. Dat het daarbij niet om de lading ananassen in die container ging, maar om een verborgen bijproduct, blijkt wel uit het feit dat met de ananassen is gegooid en hen dat niets kon schelen. Dat dit “bijproduct” cocaïne is geweest, volgt tevens uit de gesprekken die zijn gevoerd op de dagen nadat de container was vrijgegeven en vervoerd naar de Tiendweg, te weten 21 februari 2015. Vanaf dat moment is men druk doende geweest met het tellen van grote hoeveelheden geld en de verdeling ervan. Tevens wordt die dag gesproken over blokken en het testen daarvan, honden die drugs zouden kunnen ruiken, de wijze van laden en de reden waarom deze lading niet is aangetroffen. Tot slot betreft het een container uit Midden-Amerika, een gebied waarvan bekend is dat vaker dergelijke containers worden gebruikt voor het vervoer van cocaïne. Kortom, gelet op de inhoud van deze gesprekken, de deelnemers aan de gesprekken en de periode waarin de gesprekken hebben plaatsgevonden kan uit deze gesprekken blijken dat in de container van het schip Antofagasta een hoeveelheid cocaïne heeft gezeten. Dat de getuige [getuige 3] (werkzaam bij de douane en het Harc team) – zoals de verdediging heeft aangevoerd – heeft verklaard dat hij er niet van overtuigd is dat er daadwerkelijk iets in de container heeft gezeten, maakt dit niet anders. In het zelfde verhoor verklaart hij namelijk ook dat hoewel er die avond niet geconstateerd is dat er cocaïne in de lading zat, niet wil zeggen dat de cocaïne er niet in zat. Een 100%-garantie kun je daar namelijk niet op geven, aldus de getuige. Niet kan worden vastgesteld wat de exacte hoeveelheid cocaïne in de container is geweest; er worden diverse hoeveelheden (kilo’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.