vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/511015 / HA ZA 16-956 Vonnis in verzet van 22 maart 2017 in de zaak van de vennootschap onder firma A&E CONSULTING, gevestigd te Rotterdam, eiseres, gedaagde in het verzet, advocaat mr. M.M.C. van der Sanden, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE REPUBLIEK COLOMBIA, zetelend te Bogota, Colombia, gedaagde, eiseres in het verzet, advocaat mr. O. Huisman. Partijen zullen hierna A&E Consulting en Colombia genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verstekvonnis van 6 juli 2016 in de zaak met zaak-/rolnummer 503199 / HA ZA16-552 (hierna: het verstekvonnis), alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken, waaronder de inleidende dagvaarding van 9 februari 2016; de verzetdagvaarding van 30 augustus 2016, met producties; het tussenvonnis (de brief) van 2 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast; de zittingsagenda van 11 januari 2017; de akte uitlaten en indiening producties van Colombia, met producties; de brief van de advocaat van A&E Consulting van 24 januari 2017, met producties; de pleitaantekeningen van A&E Consulting; het proces-verbaal van comparitie van 9 februari 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1. A&E Consulting heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Colombia veroordeelt tot betaling van€ 54.816,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 juli 2015 tot de dag van de algehele voldoening alsmede met de buitengerechtelijke incassokosten op basis van het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, kosten rechtens. 2.2. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van A&E Consulting integraal toegewezen en is Colombia veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van A&E Consulting tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 2.900,75. 2.3. Colombia vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van A&E Consulting alsnog worden afgewezen, met veroordeling van A&E Consulting in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis. 2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3De beoordeling inleiding 3.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat Colombia in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen. artikel 3a Gerechtsdeurwaarderswet 3.2. Aanvankelijk voerde Colombia het verweer dat A&E Consulting niet had voldaan aan het bepaalde in artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet en dat daarom Colombia niet-ontvankelijk moest worden verklaard in haar verzet althans de inleidende dagvaarding nietig moest worden verklaard. Colombia heeft dit verweer ter zitting echter ingetrokken, kennelijk omdat A&E Consulting aan dit voorschrift heeft voldaan. immuniteit van jurisdictie 3.3. Colombia doet een beroep op immuniteit van jurisdictie (immuniteit van rechtsmacht). Immuniteit van jurisdictie, evenals immuniteit van executie, is geregeld in het op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen, maar nog niet in werking getreden, Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna: VN-Verdrag). Het VN-Verdrag behelst (ten dele) een codificatie van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de aan een en ander gestelde grenzen (vgl. HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236 en met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie in het bijzonder HR 5 februari 2010, LJN BK6673 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45). Partijen zijn het erover eens dat het VN-Verdrag daarom reeds kan worden toegepast, waar de rechtbank zich bij aansluit. 3.4. Volgens artikel 5 VN-Verdrag geniet een staat ten aanzien van zichzelf en van zijn eigendommen immuniteit van de rechtsmacht van de rechters van een andere staat behoudens het bepaalde in het VN-Verdrag. In de artikelen 10-17 VN-Verdrag zijn uitzonderingen op deze hoofdregel opgenomen. Artikel 10 VN-Verdrag houdt uitzonderingen in met betrekking tot ‘commerciële transacties’. Onder het begrip ‘commerciële transactie’ valt onder meer, ingevolge artikel 2 lid 1 onder c(i), ‘elke commerciële overeenkomst of transactie voor de verkoop van goederen of levering van diensten’. Artikel 10 VN-Verdrag luidt - weergegeven voor zover relevant - als volgt: 1 Indien een staat een commerciële transactie aangaat met een buitenlandse natuurlijke persoon of rechtspersoon en geschillen ter zake van die commerciële transactie krachtens de toepasselijke regels van het internationaal privaatrecht vallen onder de rechtsmacht van de rechter van een andere staat, kan de staat in gedingen die voortvloeien uit die commerciële transactie, geen beroep doen op immuniteit ten aanzien van die rechtsmacht. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. in het geval van een commerciële transactie tussen staten; of b. indien de partijen bij de commerciële transactie uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. 3.5. In de inleidende dagvaarding heeft A&E Consulting betaling gevorderd van een hoofdsom van € 54.816,00. Hieraan legt zij een overeenkomst ten grondslag die zij op 3 juni 2014 zou hebben gesloten met het Consulaat-Generaal van Colombia in Amsterdam (hierna: het Consulaat) voor - samengevat - het tegen betaling verrichten van diverse diensten ten behoeve van het Consulaat. Colombia betwist het bestaan van deze overeenkomst. 3.6. Niet in geschil is dat A&E Consulting al op een eerdere datum dan 3 juni 2014 een overeenkomst met het Consulaat heeft gesloten voor het tegen betaling verrichten van diensten, een ‘commerciële transactie’ in de zin van artikel 10 VN-Verdrag derhalve. De stelling van A&E Consulting dat zij op 3 juni 2014 een aangevulde, althans gewijzigde, ‘commerciële transactie’ met het Consulaat heeft gesloten in combinatie met de lopende commerciële transactie tussen partijen is voor de rechtbank voldoende om aan te nemen dat in deze zaak de uitzondering van artikel 10 VN-Verdrag van toepassing is op de immuniteit van jurisdictie van Colombia. Het immuniteitsverweer van Colombia faalt dan ook. rechtsmacht van de Nederlandse rechter 3.7. Colombia betwist de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. 3.8. Formeel, dat wil zeggen, geografisch gezien, missen in deze internationale zaak de voor Nederland geldende internationale bevoegdheidsregelingen toepassing, zoals Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel Ibis-Vo). Colombia, de gedaagde, heeft immers geen woonplaats op het grondgebied van een land dat partij is bij zo’n internationale bevoegdheidsregeling en evenmin is sprake van een forumkeuze voor een gerecht uit zo’n land. Dat betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft beantwoord moet worden aan de hand van de rechtsmachtregels van de artikelen 2-10 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 3.9. In contractuele geschillen met een buitenlandse gedaagde komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 6, aanhef en sub a, Rv rechtsmacht toe indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. In het geval van de verstrekking van diensten is, tenzij anders is overeengekomen, deze plaats van uitvoering in Nederland gelegen indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, zo is bepaald in artikel 6a, aanhef en onder b, Rv. Colombia betwist de toepasselijkheid van deze rechtsmachtregeling. Hiertoe voert zij aan dat genoemde overeenkomst van 3 juni 2014 niet bestaat. 3.10. Voor de rechtsmachtregeling van artikel 6, aanhef en sub a, Rv en artikel 6a Rv hebben model gestaan artikel 5, aanhef en sub 1, van de Brussel I-Verordening en haar voorgangster artikel 5, aanhef en sub 1, van het EEX-Verdrag. De eiser kan zich ook tot de in artikel 6, aanhef en sub a, Rv en artikel 6a Rv aangewezen Nederlandse rechter wenden in het geval dat de gedaagde, (mede) in het kader van de rechtsmachtvraag, betwist dat de overeenkomst bestaat of tot stand gekomen is. Vergelijk het in het kader van de uitleg van artikel 5, aanhef en sub 1, van het EEX-Verdrag gewezen arrest van het HvJEG van 4 maart 1982 in de zaak Effer/Kantner (zaak 38/81, NJ 1983, 508). De enkele betwisting door Colombia van de aangevulde, althans gewijzigde, overeenkomst waar A&E Consulting haar vordering op baseert, is dus niet voldoende voor het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter die volgt uit de rechtsmachtregeling van artikel 6, aanhef en sub a, Rv en artikel 6a Rv. De Nederlandse rechter mag bij de beoordeling van zijn rechtsmacht in beginsel uitgaan van de stellingen van eiser met betrekking tot het bestaan van deze overeenkomst. Anderzijds is er steun voor de opvatting dat het recht van de gedaagde om op de voet van artikel 26 Brussel Ibis-Vo (art. 11 Rv) de bevoegdheid van de aangezochte rechter te betwisten, vergt dat die rechter in zijn oordeelsvorming acht slaat op hetgeen de gedaagde heeft aangevoerd ter betwisting van de stellingen die de eiser in verband met de rechterlijke bevoegdheid heeft ingenomen (vgl. HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:36). A&E Consulting heeft voor de rechtbank voldoende gesteld om er voorshands, in het kader van de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, van uit te kunnen gaan dat tussen A&E Consulting en Colombia op 3 juni 2014 een al dan niet gewijzigde overeenkomst gold. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op hetgeen Colombia heeft aangevoerd, te weten dat tussen partijen wel een overeenkomst ter zake van vertaal- en facilitaire diensten was gesloten maar dat geen wilsovereenstemming bestond over uitbreiding van die diensten. 3.11. Bij de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter gaat deze rechtbank derhalve uit van het bestaan van een al dan niet gewijzigde overeenkomst van 3 juni 2014. Colombia heeft de stelling van A&E Consulting niet betwist dat de plaats van uitvoering van deze (al dan niet gewijzigde) overeenkomst als bedoeld in de rechtsmachtregeling van artikel 6, aanhef en sub a, Rv en artikel 6a Rv in Nederland ligt, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Aangezien de vordering van A&E Consulting meer beloopt dan het in lid 1 van artikel 110 Rv genoemde bedrag van€ 25.000,00 en geen verweer is gericht tegen de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank maar uitsluitend tegen de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, is deze rechtbank dan ook op grond van een stilzwijgende forumkeuze in de zin van artikel 110 Rv relatief bevoegd kennis te nemen van deze vordering. toepasselijk recht op de rechtsverhouding tussen A&E Consulting en Colombia 3.12. Een rechtskeuze is gesteld noch gebleken. De kenmerkende prestant in de zin van de Rome I-Vo (Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) is A&E Consulting, de verlener van diensten. A&E Consulting is gevestigd in Nederland. Temeer omdat de diensten die A&E Consulting heeft verricht voor (en is overeengekomen met) het Consulaat verricht zijn in Nederland, is dan ook Nederlands recht van toepassing op de rechtsverhouding tussen A&E Consulting en Colombia. het geschil in de hoofdzaak over de overeenkomst van 3 juni 2014 3.13. A&E Consulting baseert haar vordering voornamelijk op de beweerdelijke overeenkomst van 3 juni 2014. Gebleken is dat het hier niet gaat om een door beide partijen ondertekend schriftelijk stuk. Samengevat stelt A&E Consulting (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.