Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 10 april 2017 [naam] , [adres] [woonplaats] , verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 11 januari 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 3 april
- 2De feiten Verzoeker ontvangt inkomsten uit hoofde van de Participatiewet. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 43.217,
- Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een evidente fout, nu dezelfde schuld tweemaal op de schuldenlijst staat vermeld. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat de schuldenlast € 21.608,69 bedraagt. 3De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Verzoeker heeft slechts één schuld. Dit is een schuld aan ING Bank, ontstaan op 1 maart
- Verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2005 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuld aan ING Bank bedroeg toen ruim € 13.
- Deze schuldsaneringsregeling is bij vonnis van 11 december 2006 tussentijds beëindigd, aangezien verzoeker is tekortgeschoten in zijn verplichtingen (door middelen aan de boedel te onttrekken). Na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling is de schuld aan ING Bank verder opgelopen tot € 21.608,
- Verzoeker heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij sinds 2010 wel elke maand € 50 heeft afbetaald op de schuld aan ING Bank. ING Bank is niet akkoord gegaan met de aangeboden minnelijke regeling, omdat verzoeker zich in haar visie onvoldoende inspant om betaald werk te vinden. Schuldhulpverlening heeft zich op het standpunt gesteld dat ING Bank het minnelijke aanbod terecht heeft geweigerd, nu verzoeker zich passief opstelt ten aanzien van zijn mogelijkheden om te gaan werken. Hij is, in de visie van schuldhulpverlening, vaag over zijn klachten en heeft geen recent arbeidsrapport waar duidelijk uit naar voren komt dat hij niet zou kunnen werken. Verzoeker heeft hieromtrent desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat hij op het moment geen werk zoekt, omdat hij gezondheidsproblemen heeft en de zorg draagt voor twee jonge kinderen. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn gezondheidsproblemen ter zitting een aantal stukken overgelegd. De meest recente stukken zijn een oproep voor een opname bij de afdeling orthopedie van het Vlietland Ziekenhuis op 21 december 2016, een medicatieoverzicht van de apotheek, een bevestiging van een afspraak bij de afdeling radiologie op 7 juli 2016 en een beschikking ondersteuning bij het voeren van een huishouden van ROGplus, gedateerd 19 september
- Verzoeker heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment arbeidsongeschikt is. Tegen de achtergrond van de reden van de weigering van ING Bank en de visie van schuldhulpverlening, had van verzoeker verwacht mogen worden dat hij zijn eventuele arbeidsongeschiktheid concreet zou aantonen. Nu hij dit niet heeft gedaan, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom verzoeker geen betaald werk heeft gezocht. Dit valt verzoeker te verwijten. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan ING Bank niet te goeder trouw onbetaald is en wordt gelaten. Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoeker heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij niet solliciteert voor een baan van 36 uur per week omdat hij gezondheidsproblemen ervaart en de zorg heeft over twee kinderen. Verzoeker heeft echter niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat hij door zijn gezondheidsproblemen niet kan werken. Daarnaast is het hebben van kinderen geen reden om niet naar betaald werk te zoeken. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bereid is om zich in te spannen voor het zoeken van werk. De rechtbank heeft dan ook ernstige twijfels over de bereidheid van verzoeker om aan de verplichtingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling te voldoen. Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden. 4De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, en in aanwezigheid van J.M.W. Pool, griffier in het openbaar uitgesproken op 10 april
- De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.