vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/490694 / HA ZA 15-1238 Vonnis van 29 maart 2017 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. S. Bharatsingh te ’s-Gravenhage, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND, (mede) kantoorhoudende te Rotterdam, gedagvaard als de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, het Ministerie van Financiën, in het bijzonder de Belastingdienst (meer speciaal de Ontvanger van de Belastingdienst Rijnmond, kantoor Rotterdam), zetelend te ’s-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. J.C.G. Vestjens te Amsterdam. Eisers zullen hierna ieder afzonderlijk “ [eiser sub 1] ” en “ [eiseres sub 2] ” genoemd worden. Gedaagde zal “de Ontvanger” genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bevat de volgende stukken: de dagvaarding van 29 september 2015 met producties 1 tot en met 15; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12; de brief van de rechtbank van 17 februari 2016 met de beslissing tot een comparitie van partijen; de zittingsagenda van 18 februari 2016; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 19 mei 2016; de akte na comparitie van de Ontvanger met producties 13 tot en met 25; de akte na comparitie van eisers met producties 16 en 17; de akte uitlating producties van de Ontvanger. 1.2. Partijen hebben vonnis gevraagd. 2De feiten 2.1. De Inspecteur heeft aan [eiser sub 1] met dagtekeningen 31 december 2007 en 31 december 2008 diverse navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd verband houdende met het zogenoemde project Bank Zonder Naam. Die aanslagen dienden uiterlijk op 31 januari 2008, respectievelijk 31 januari 2009 betaald te zijn. 2.2. De Inspecteur heeft aan [eiseres sub 2] met dagtekeningen 31 december 2007 en 31 december 2008 diverse navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd verband houdende met het zogenoemde project Bank Zonder Naam. Die aanslagen dienden uiterlijk op 31 januari 2008, respectievelijk 31 januari 2009 betaald te zijn. 2.3. Eisers hebben tegen deze navorderingsaanslagen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft op 31 augustus 2009 en 4 december 2009 uitspraken op deze bezwaarschriften gedaan en de betreffende aanslagen gehandhaafd. 2.4. Eisers hebben tegen voornoemde uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage. 2.5. Bij brieven van 9 en 22 september 2009 heeft de advocaat van eisers de Ontvanger verzocht om uitstel van betaling te verlenen voor het gehele openstaande bedrag totdat op de beroepen zou zijn beslist. 2.6. Bij brief van 3 december 2009 heeft de Ontvanger aan de advocaat van eisers met verwijzing naar de verzoeken om uitstel een vermogensoverzicht gevraagd ten blijke dat eisers over voldoende vermogen beschikte. 2.7. Bij brief van 14 december 2009 heeft [eiser sub 1] wederom uitstel van betaling verzocht totdat op de beroepen zou zijn beslist. 2.8. Bij brief van 22 december 2009 heeft de advocaat van eisers de onder 2.6 bedoelde vermogensopstelling toegezonden. 2.9. Bij beschikkingen van 13 juli 2011 heeft de rechtbank de beslissingen van de Inspecteur in stand gelaten. 2.10. Op 17 augustus 2011 hebben eisers hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. 2.11. Bij brief van 17 augustus 2011 hebben eisers uitstel van betaling voor alle aanslagen verzocht totdat op het hoger beroepschrift zou zijn beslist. 2.12. Bij brief van 26 augustus 2011 heeft de Ontvanger met verwijzing naar het verzoek om uitstel van betaling verzocht om inzage in de vermogenspositie van eisers. 2.13. Bij brief van 13 september 2011 heeft de advocaat van eisers daartoe een vermogensopstelling van eisers aan de Ontvanger gestuurd. 2.14. Het gerechtshof Den Haag heeft op 14 augustus 2013 uitspraak gedaan, waarbij de beslissingen van de Inspecteur in stand zijn gebleven. 2.15. Zowel eisers als de Staatssecretaris van financiën hebben vervolgens beroep in cassatie ingesteld. Bij arresten van 2 mei 2014 heeft de Hoge Raad beide beroepen gegrond verklaard. 2.16. Het resultaat van voornoemde procedures is voor wat betreft [eiser sub 1] dat alle voormelde aan hem opgelegde navorderingsaanslagen voor wat betreft de enkelvoudige belasting in stand zijn gebleven, de hem ter zake van de IB/PVV over de jaren 1995 en 2002 en VB over het jaar 1996 opgelegde boetes tot 42,5% zijn verminderd en de ter zake van de IB/PVV voor de jaren 1996 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2005 en de ter zake van de VB over de jaren 1997 tot en met 2000 opgelegde boetes tot 47,5% zijn verminderd. Voor wat betreft [eiseres sub 2] is het resultaat van deze procedures dat de voormelde aan haar opgelegde navorderingsaanslagen voor wat betreft de enkelvoudige belasting in stand zijn gebleven, de haar ter zake van de IB/PVV over het jaar 2002 opgelegde boete tot 42,5% is verminderd en de boetes ter zake van de IB/PVV over de jaren 2001 en 2003 tot en met 2005 zijn verminderd tot 47,5%. 2.17. Gedurende de bezwaarprocedure, de beroepsprocedures en de cassatieprocedure zijn door de Ontvanger geen invorderingsmaatregelen getroffen. 2.18. Bij brieven van 31 mei 2014 heeft de Ontvanger aan eisers ter zake van de navorderingsaanslagen bericht dat hij de invorderingstermijn tot vijf jaar vanaf de datum van die brieven verlengde om te voorkomen dat de betreffende belastingschuld zou verjaren. 2.19. Bij schrijven van 24 juli 2014 heeft de Ontvanger met inachtneming van de uitspraken van de belastingrechters, kennisgevingen van verminderingen aan eisers gestuurd. 2.20. Bij brief van 28 juli 2014 heeft de Ontvanger aan eisers een overzicht van de openstaande schuld gestuurd en verzocht deze uiterlijk 15 augustus 2014 te voldoen. 2.21. Op 24 december 2014 heeft de Ontvanger beslag gelegd op de AOW-uitkering van [eiser sub 1] . 2.22. Bij exploten van 2 juli 2015 heeft de Ontvanger hernieuwde bevelen tot betaling aan eisers laten betekenen. 2.23. Bij exploten van 7 juli 2015 heeft de Ontvanger ten laste van [eiser sub 1] en ten laste van [eiseres sub 2] executoriaal derdenbeslag gelegd onder Abn Amro Bank N.V. (hierna: AbnAmro). 3De vorderingen en het verweer 3.1. Eisers vorderen – kort gezegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: voor recht zal verklaren dat de vorderingen van de Ontvanger op [eiser sub 1] uit hoofde van navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1995 tot en met 2005 en VB over de jaren 1996 tot en met 2000 verjaard zijn en [eiser sub 1] voor wat betreft deze aanslagen niets aan de Ontvanger verschuldigd is; voor recht zal verklaren dat de vorderingen van de Ontvanger op [eiseres sub 2] uit hoofde van navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2005 verjaard zijn en [eiseres sub 2] voor wat betreft deze aanslagen niets aan de Ontvanger verschuldigd is; met veroordeling van de Ontvanger in de (na)kosten met rente daarover. 3.2. [eiser sub 1] c.s. legt hieraan – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. 3.2.1. Voor de vorderingen van de Ontvanger geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Die verjaringstermijn is telkens gaan lopen door het verstrijken van de periode waarbinnen de betreffende aanslag betaald had moeten zijn. 3.2.2. Voor alle aanslagen gold telkens een betalingstermijn van één maand, die afliep op respectievelijk 31 januari 2008 en 31 januari 2009. Daarom trad de verjaring van alle navorderingsaanslagen in op respectievelijk 31 januari 2013 en 31 januari 2014. 3.2.3. De Ontvanger heeft de loop van de verjaring niet rechtsgeldig gsteuit. Daarom zijn de vorderingen verjaard. 3.3. De conclusie van de Ontvanger strekt – kort gezegd – tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] als hoofdelijke schuldenaren in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. 3.4. Daartoe voert de Ontvanger – samengevat weergegeven – het volgende aan. 3.4.1. De navorderingen (hoofdsommen, boetes, rente en kosten) ten name van [eiseres sub 2] zijn voldaan door tenuitvoerlegging van op 7 juli 2015 door de Ontvanger ten laste van [eiseres sub 2] onder AbnAmro (op de gemeenschappelijke rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ) gelegd executoriaal beslag. De Ontvanger heeft op 21 augustus 2015 van AbnAmro een bedrag van € 48.795,21 uit het beslag ontvangen. De Ontvanger heeft die betaling toegerekend aan de schulden van [eiser sub 1] en van [eiseres sub 2] . Bij bericht van 10 september 2015 heeft de Ontvanger/Belastingdienst Apeldoorn een "kennisgeving verrekening” aan eisers gestuurd waaruit blijkt dat vorderingen op [eiseres sub 2] geheel zijn voldaan. [eiseres sub 2] noch [eiser sub 1] heeft geprotesteerd tegen die verrekening. Daarom heeft [eiseres sub 2] geen belang meer bij haar vorderingen in deze procedure. Derhalve kan zij in haar vorderingen niet worden ontvangen. 3.4.2. Een belastingaanslag of een belastingschuld kan niet verjaren; het recht op dwanginvordering wel. Bij verjaring van het recht op dwanginvordering resteert een natuurlijke verbintenis. Daarom is toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat de vorderingen van de Ontvanger zijn verjaard en eisers daarom ter zake van de aanslagen niets meer verschuldigd zijn niet mogelijk. 3.4.3. De Ontvanger betwist dat sprake is van verjaring. De Ontvanger heeft de verjaring een aantal malen gestuit. Voorts is de verjaringstermijn verlengd als gevolg van door eisers verzocht en door de Ontvanger verleend uitstel van betaling. 4. De beoordeling [eiseres sub 2] 4.1. Het meest verstrekkende verweer van de Ontvanger houdt in dat [eiseres sub 2] geen belang meer heeft bij haar vorderingen. Dat verweer behandelt de rechtbank daarom eerst. 4.2. [eiseres sub 2] betwist dat de Ontvanger de van AbnAmro uit het op 7 juli 2015 gelegde beslag ontvangen betaling heeft verrekend met de vorderingen van de Ontvanger op [eiseres sub 2] aan hoofdsommen, boetes, rente en kosten ter zake van belastingaanslagen (hierna: de belastingschuld van [eiseres sub 2] ). [eiseres sub 2] betwist dat de "kennisgeving verrekening” van 10 september 2015 aan haar was gericht en verzonden. Voorts voert [eiseres sub 2] aan dat het saldo op de rekening bij AbnAmro slechts voor de helft aan haar toekwam, zodat de Ontvanger niet meer dan de helft van het van AbnAmro ontvangen bedrag van € 48.795,21, derhalve slechts € 24.397,60, aan de belastingschuld van [eiseres sub 2] heeft mogen toerekenen. De Ontvanger heeft, echter, volgens de "kennisgeving verrekening” van 10 september 2015 een bedrag van € 32.182,- verrekend met de belastingschuld van [eiseres sub 2] . [eiseres sub 2] heeft derhalve in ieder geval belang bij haar vorderingen in dit geding voor wat betreft vorderingen van de Ontvanger tot het beloop van per saldo € 7.748,40. 4.3. De rechtbank overweegt het volgende. 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de Ontvanger op 7 juli 2015 onder AbnAmro ten laste van [eiseres sub 2] executoriaal beslag heeft gelegd en dat dat beslag (onder meer) de gemeenschappelijke rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] trof. [eiseres sub 2] betwist niet dat het beslag aan haar is betekend bij exploot van 7 juli 2015. Derhalve had [eiseres sub 2] vanaf die datum kennis van dat beslag. [eiseres sub 2] betwist evenmin dat zij de brief van de Ontvanger van 12 augustus 2015 (productie 21 Ontvanger) betreffende de door AbnAmro afgelegde verklaringen over dat beslag heeft ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat AbnAmro ter uitvoering van het beslag € 48.795,21 aan de Ontvanger heeft betaald omstreeks 21 augustus 2015. Wegens die brief van 12 augustus 2015 en omdat het beslag de gemeenschappelijke rekening bij AbnAmro betrof, ligt het in de rede dat [eiseres sub 2] er in ieder geval vanaf omstreeks 21 augustus 2015 mee bekend was dat AbnAmro dat bedrag aan de Belastingdienst had betaald. 4.5. Omdat het beslag ten laste van [eiseres sub 2] was gelegd, mocht zij ervan uitgaan en behoorde zij ervan uit te gaan dat de betaling door AbnAmro ter uitvoering van het beslag in mindering zou strekken op haar belastingschuld, ook zonder enige nadere kennisgeving van de Belastingdienst. Het lag op de weg van de Belastingdienst om verantwoording af te leggen van de afwikkeling van de van AbnAmro ontvangen betaling en de belastingschuld van [eiseres sub 2] . Derhalve mocht [eiseres sub 2] vanaf omstreeks 21 augustus 2015 een verantwoording van de Belastingdienst verwachten van de betaling door AbnAmro ter uitvoering van het beslag. 4.6. De Ontvanger stelt dat hij die verantwoording heeft verschaft met de "kennisgeving verrekening” van 10 september 2015 (productie 24 Ontvanger). Die kennisgeving is geadresseerd aan [eiser sub 1] op het adres Joke Smitstraat 53 te Vlaardingen. [eiseres sub 2] heeft in zoverre gelijk dat het stuk niet aan haar is gericht. Het stuk is wel geadresseerd aan het adres van [eiseres sub 2] . [eiseres sub 2] betwist niet specifiek dat de kennisgeving door [eiser sub 1] is ontvangen. Weliswaar betwist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.