beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd zaakgegevens: C/10/523852 / JE RK 17-981 datum uitspraak: 7 april 2017 beschikking opheffen voorlopige voogdij in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam, betreffende [Naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [Naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats] . Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 28 maart 2017, ingekomen bij de griffie op 28 maart
- Op 7 april 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de moeder, - een vertegenwoordiger van de Raad, de heer [naam] , - een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, hierna te noemen de GI, mevrouw [naam] . Bijzondere toegang is verleend aan de begleidster van de moeder, mevrouw [naam] , medewerkster van het FIOM. Opgeroepen en niet verschenen is: - de vader. De feiten Bij beschikking van 28 maart 2017, uitvoerbaar bij voorraad, is de GI per het tijdstip van de geboorte belast met de voorlopige voogdij over het dan nog ongeboren kind, voor de duur van drie maanden. Bepaald is voorts dat de belangbenden in de gelegenheid zijn te worden gehoord door de kinderrechter ter zitting van heden. Het verzoek Het verzoek luidt: “De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de kinderrechter om de voorlopige voogdij uit te spreken over de nog ongeboren baby van de moeder, vanwege het ontbreken/niet uitoefenen van het gezag en het dringend en onverwijld noodzakelijk is om de belangen van de minderjarige te behartigen na de geboorte en de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming West te belasten met de voorlopige voogdij.” Het standpunt van de Raad Ter zitting heeft de Raad verzocht de voorlopige voogdij op te heffen. De Raad stelt dat in het onderhavige geval de GI ten onrechte is belast met de voorlopige voogdij. Hoewel de moeder tijdens haar zwangerschap te kennen had gegeven dat zij niet voor haar kind wilde en kon zorgen, is na de geboorte niet gebleken dat de moeder definitief afstand wil doen van haar gezag. Indien de voorlopige voogdij niet was verzocht en niet was uitgesproken zou de moeder van rechtswege het gezag hebben verkregen over [de minderjarige] bij de geboorte op [geboortedatum] . Het standpunt van de GI De moeder heeft tijdens de zwangerschap getwijfeld of zij voor haar kind wilde gaan zorgen. De moeder heeft eerst alles in gang gezet om haar kind te laten adopteren. Later bleek dat de vader de zorg voor het kind wilde dragen. Met de moeder is toen afgesproken dat [de minderjarige] na haar geboorte naar de vader zou gaan. [de minderjarige] is op [geboortedatum] geboren. De afspraak was dat [de minderjarige] 24 uur bij de moeder zou blijven. Daarna is [de minderjarige] conform de afspraak door de vader op [geboortedatum] uit het ziekenhuis opgehaald. [de minderjarige] verblijft thans nog bij de vader, waar zij goed verzorgd wordt. De moeder is rondom de geboorte tot de conclusie gekomen zelf voor [de minderjarige] te willen zorgen. De GI is van mening dat de moeder de zorg over [de minderjarige] ook kan dragen. [de minderjarige] zal vandaag met haar moeder worden herenigd. De moeder wil de vader wel de ruimte geven zijn vaderrol uit te oefenen. De ouders zijn op dit moment niet goed in staat om met elkaar te communiceren. De GI is van mening dat de ouders hierbij begeleiding nodig hebben. Het standpunt van de moeder De moeder heeft te kennen gegeven dat zij zich, doordat de voorlopige voogdij was uitgesproken, gedwongen heeft gevoeld om [de minderjarige] op [geboortedatum] aan de vader mee te geven. De moeder is erg verdrietig over de scheiding van haar kind, en wil graag zo snel mogelijk zelf voor [de minderjarige] zorgen. Zij heeft spijt van haar eerdere uitspraken en de gedachten dat zij afstand zou kunnen doen van haar kind. De beoordeling De kinderrechter is van oordeel dat er geen gronden aanwezig waren, noch thans zijn, voor de voorlopige voogdij, en dat deze kinderbeschermingsmaatregel ten onrechte is verzocht. Toen [de minderjarige] nog niet was geboren kon er geen sprake van zijn dat was voldaan aan de gronden van artikel 1:241 BW, eerste lid, dat was gebleken dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend. Na de geboorte van [de minderjarige] zou zij van rechtswege onder het wettelijk vereiste gezag staan, te weten onder dat van haar moeder. Na de geboorte had pas een constatering kunnen worden gedaan over de kwestie, of het gezag al dan niet over haar werd uitgeoefend. Als dat dan niet het geval was gebleken, had de kinderrechter, gelet op het bepaalde in artikel 1:241 BW, tweede lid, de GI kunnen belasten met de voorlopige voogdij, voorzover het dan dringend en onverwijld noodzakelijk was om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. De kinderrechter zal, gelet op het vorenstaande, de maatregel van voorlopige voogdij intrekken met ingang van heden. De kinderrechter betreurt het dat door de gang van zaken de moeder en [de minderjarige] in hun kwetsbaarheid rondom de geboorte, niet optimaal in de gelegenheid zijn geweest zich (meteen) aan elkaar te hechten. De beslissing De kinderrechter: Trekt in de maatregel van voorlopige voogdij, met ingang van 7 april
- Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Geus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 april
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.