← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2017:3272

Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/701002-17 Datum uitspraak: 7 april 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] raadsman mr. J.P.R. Broers, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 april

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 88 dagen voorwaardelijk, een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd; veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. 4Waardering van het bewijs 4.
  2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
  3. hij op 01 januari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres delict] weg te nemen goederen van hun gading en/of geld, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak , met een schroevendraaier, althans met een hard voorwerp een achterdeur heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
  4. hij op 01 januari 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een stroomstootwapen (gelijkend op een zaklantaarn, met opschrift 50000W) voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op:
  5. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
  6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.
  7. Algemene overweging De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.
  8. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee feiten, te weten een poging woninginbraak in vereniging gepleegd, en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Een (poging) woninginbraak veroorzaakt niet alleen materiële schade, maar voedt ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving, en bij de gedupeerden in het bijzonder. Het voorhanden hebben van een stroomstootwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan. 7.
  9. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.
  10. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet recent is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.
  11. Rapportage Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 april
  12. Dit rapport houdt -samengevat- het volgende in. De verdachte kwam tijdens zijn jeugd meerdere malen met politie en justitie in aanraking, hetgeen volgens hem voor een belangrijk deel gerelateerd was aan een negatief sociaal netwerk waarvan hij zegt afstand te hebben genomen. Dit laatste lijkt niet geheel het geval te zijn omdat de actuele strafzaak een medeverdachte kent waarmee hij in het verleden al een keer is aangehouden. Er zijn op diverse leefgebieden problemen geconstateerd. Er is onvoldoende structuur en stabiliteit, op school is sprake van verzuim, er zijn financiële problemen, verdachte lijkt onvoldoende ondersteuning te krijgen van zijn directe opvoeders en er lijkt nog steeds sprake van een deels negatief sociaal netwerk. De verdachte werd tot mei 2015 begeleid door [naam instelling] . Op dit moment is begeleiding geïndiceerd om de verdachte te helpen grip op zijn leven te krijgen. Daarnaast is het van belang om zijn middelengebruik te monitoren omdat het gebruik een risico lijkt te zijn ten aanzien van zijn functioneren. Positieve ontwikkelingen zijn onder meer dat hij na drie jaar zonder dagbesteding in februari 2017 gestart is met een opleiding, dat zijn laatste veroordeling in 2011 is geweest en dat er naast zijn opvoeders een ondersteunend en betrokken sociaal netwerk is bestaande uit familieleden. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Tevens adviseert de reclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. 7.
  13. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. De rechtbank neemt het advies van de reclassering de verdachte te bestraffen conform het volwassenenstrafrecht over. Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, vanwege de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij recent met een opleiding is gestart. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 10Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 88 (achtentachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt; stelt als algemene voorwaarden: de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; stelt als bijzondere voorwaarden:
  14. de veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet zijn opgenomen in andere bijzondere voorwaarden;
  15. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en zo frequent als die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk vindt;
  16. de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met zijn medeverdachte [naam medeverdachte] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;
  17. de veroordeelde zal meewerken aan een intakegesprek bij de forensische polikliniek van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling en zal zich daar indien nodig onder ambulante behandeling stellen, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zal zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dat intakegesprek en/of die behandeling door of namens de directeur van die instelling zullen worden gegeven;
  18. de veroordeelde zal meewerken aan plaatsing in een begeleide woonvorm of 24-uursvoorziening, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zal zich houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  19. de veroordeelde zal zich inspannen om te beschikken over een nuttige dagbesteding in de vorm van scholing of werk, of zal hier actief naar zoeken;
  20. de veroordeelde zal meewerken aan een schuldeninventarisatie, het treffen van betalingsregelingen en actief deelnemen aan een budgetteringstraining bij een door de reclassering aangewezen instelling; geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderd twintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan; beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, en mrs. E. van Schouten en A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
  21. hij op of omstreeks 01 januari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan [adres delict] weg te nemen goederen van zijn/hun gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met een schroevendraaier, althans een hard voorwerp een (achter)deur heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
  22. hij op of omstreeks 01 januari 2017 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5° van de Wet Wapens en Munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een stroomstootwapen (gelijkend op een zaklantaarn, met opschrift 50000W) voorhanden heeft gehad.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.