RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 5632538 VZ VERZ 17-391 uitspraak: 22 mei 2017 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verzoeker] , wonende te [plaatsnaam], verzoeker, tevens verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam, tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting tot bevordering Debre Genet Kidane Mehret van de Eritrese Orthodox Tewahedo Kerkgemeenschap in Nederland, gevestigd te Rotterdam, verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam. Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘de Stichting’ genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken: - het op 6 januari 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties; - het op 17 februari 2017 ter griffie ontvangen verweerschrift tevens verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist, met producties; - de op 21 februari 2017 ingekomen nadere productie aan de zijde van [verzoeker]. 1.2 Het verzoek is op 27 februari 2017 mondeling behandeld. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld van een tolk en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A. Rhijnsburger. Namens de Stichting is het bestuur verschenen in de personen van de heer [O.], de heer [P.], de heer [Q.] en mevrouw [R.], bijgestaan door de gemachtigde mr. M.G.J. Smit. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden. 1.3 Op 28 maart 2017 zijn namens de Stichting nadere stukken ingediend. 1.4 Op 1 mei 2017 is namens [verzoeker] een reactie met producties ingekomen. 1.5 De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden. 2De feiten In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten. 2.1 Uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de Stichting tot doel heeft het bevorderen en stimuleren van de (Eritrese) Koptische Orthodoxe Kerkgemeenschap in Nederland en het verkrijgen, vervreemden, bezwaren, beheren en exploiteren van registergoederen alsmede het verrichten en/of doen verrichten van al datgene dat daarmee in de meest ruime zin verband houdt en/of daaraan bevorderlijk kan zijn. 2.2 In artikel 6.6 van de statuten van de Stichting is bepaald dat het algemeen bestuur toestemming behoeft van het hoofd (de Synodus) van de Eritrees-orthodoxe Tewehado-kerk, gevestigd in Eritrea, voor godsdienstige aangelegenheden, zoals de benoeming van alle priesters en diakens. 2.3 In artikel 8 lid 6 van de statuten van de Stichting is bepaald dat besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende de volstrekte meerderheid van het aantal in functie zijnde bestuursleden. 2.4 De bisschop in Eritrea is de geestelijk leider van de Koptische Orthodoxe Kerk in Eritrea. 2.5 [verzoeker], geboren op [geboortedatum], is op 13 februari 2004 in dienst getreden bij de Stichting in de functie van priester voor 40 uur per week. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 2.015,83 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige verdiensten. 2.6 [verzoeker] voert zijn werkzaamheden als priester uit in de Orthodoxe Kerk in [plaatsnaam]. Onderdeel van zijn werkzaamheden is het leiden van kerkdiensten in het kerkgebouw aan [straat- en plaatsnaam]. 2.7 Op 17 augustus 2014 is een onderzoekscommissie samengesteld uit negen leden van de kerkelijke gemeenschap om onderzoek te doen naar [verzoeker]. Op 1 oktober 2014 is de commissie haar onderzoek gestart en op 10 september 2016 is de uitkomst van het onderzoek aan de leden van de kerkgemeenschap en het bestuur van de Stichting gepresenteerd. De uitkomst is tevens in een brief van 11 september 2016 vastgelegd. In deze brief heeft de onderzoekscommissie een groot aantal ‘gebreken’ van [verzoeker] opgesomd. 2.8 Bij brief van 11 september 2016 heeft de Stichting het volgende aan [verzoeker] bericht: “Geachte heer, Wij verwijzen naar de onlangs door ons met u gevoerde besprekingen. Zoals aan u genoegzaam bekend dwingen de aan deze besprekingen ten grondslag liggende wijzigingen ons er toe om maatregelen te treffen in het kader van de tussen u en de Eritrese Orthodoxe Tewahdo Kerk bestaande arbeidsovereenkomst. U bent sedert 13 februari 2004 als priester in dienst van de Eritrese Orthodoxe Tewahdo Kerk. U verdient daarmee EUR 26.125,-- bruto per jaar exclusief vakantiegeld en andere arbeidsvoorwaarden. De Kerk neemt het initiatief om het dienstverband met u te beëindigen. Voor dit initiatief is vooralsnog geen dringende reden als bedoel in artikel 7:678 BW. De Kerk beëindigd (de kantonrechter leest beëindigt) het dienstverband met u om redenen dat van hogerhand is opgelegd dat elke dienst door drie priesters en twee diakenen dient te worden geleid. In dit gegeven is tevens de bedrijfseconomische reden gelegen. U heeft in beginsel aangegeven in dienst te willen blijven. Beide partijen hebben beide hiervoor genoemde redenen diverse malen besproken. Het resultaat daarvan is dat noch u, noch de Kerk mogelijkheden zien om het bestaande dienstverband voort te zetten en hebben geconcludeerd tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst zal dan ook eindigen met uw instemming op de eerst mogelijke datum met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. (…) Afgesproken is dat vanaf ondertekening van deze brief tot aan de datum einde dienstverband u uw werkzaamheden op reguliere wijze zult verrichten. (…)” 2.9 [verzoeker] heeft de brief van 11 september 2016 niet voor akkoord ondertekend. 2.10 Bij brief van 30 september 2016 heeft [verzoeker] – kort gezegd – aan het bestuur van de Stichting bericht dat hij niet met het voorstel van 11 september 2016 akkoord kan gaan, omdat het bestuur niet bevoegd is om zijn ontslag aan te zeggen, waarbij [verzoeker] heeft verwezen naar artikel 6 lid 6 van de statuten. 2.11 Bij brief van 21 oktober 2016 heeft de bisschop – kort gezegd – de Stichting bericht dat zij niet de bevoegdheid heeft om iemand die is aangesteld door de Synode ‘uit te sluiten of uit te bannen van het dienen van de bevolking’. 2.12 Bij brief van 22 en 29 november 2016 heeft de gemachtigde van de Stichting de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] opgezegd tegen 28 februari 2017 op grond van artikel 7:671 lid 1 sub 8 BW. 2.13 Op 12 februari 2017 heeft de Adviesgroep van de Eritrese Orthodoxe Kerk te [plaatsnaam] een advies gegeven over het ontslag van [verzoeker]. In dat advies is onder meer opgenomen dat artikel 6 lid 6 van de statuten enkel stelt dat toestemming van de Synode nodig is bij benoeming van priesters, zodat voor het ontslaan van priesters geen toestemming nodig is. Voorts is in het advies opgenomen dat de drie nieuwe priesters vergeleken met [verzoeker] in dienst komen tegen een veel kortere arbeidsduur en een lager salaris. De conclusie van het advies luidt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] op grond van artikel 7:671 lid 1 sub f BW rechtsgeldig is, dat het bestuursbesluit rechtsgeldig is genomen en dat uit de statuten niet blijkt dat toestemming van de Synode is vereist. 2.14 Bij (Engelstalige) brief van 17 februari 2017 heeft de bisschop van de Eritrese Orthodoxe Kerk te Eritrea – zakelijk en samengevat weergegeven – verklaard dat het niet aan het lokale kerkbestuur is om een priester te ontslaan die benoemd is door de Synode, dat belangrijke beslissingen die door het bestaande bestuur worden genomen illegaal en onacceptabel zijn en dat de Synode de hoogste autoriteit in de kerk is die de regels opstelt omtrent de organisatie van de kerk. 2.15 Op 16 maart 2017 heeft de stichting [verzoeker] in kort geding gedagvaard, waarbij zij onder meer een straatverbod heeft gevorderd in die zin dat [verzoeker] niet meer in de buurt van de kerk mag komen aan de Larikslaan in Rotterdam. Tevens heeft de Stichting de veroordeling van [verzoeker] gevorderd tot afgifte van de goederen die toebehoren aan de kerk, waaronder de Ark, het heilige symbool dat noodzakelijk is om een mis te kunnen uitvoeren. Bij vonnis van 17 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter die vorderingen afgewezen, zij het dat [verzoeker] wel veroordeeld is om binnen één week na betekening van het vonnis de sleutels van het kerkgebouw aan de Stichting af te geven. De kosten van het kort geding zijn door de voorzieningenrechter gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3. Het verzoek van [verzoeker] 3.1 [verzoeker] heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair I. het gegeven ontslag nietig te verklaren c.q. te vernietigen; II. doorbetaling van het overeengekomen salaris zolang het dienstverband rechtsgeldig voortduurt; Subsidiair III. de Stichting te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding; IV. de Stichting te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 40.000,- bruto; Primair en subsidiair met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding. 3.2 Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] – zakelijk en samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Het ontslag is niet rechtsgeldig, omdat niet alle bestuursleden met het ontslag hebben ingestemd en omdat het bestuur volgens artikel 6 lid 6 van de statuten niet bevoegd is een priester te ontslaan. Daarbij wordt verwezen naar de brief van de bisschop van 21 oktober 2016. Daarnaast is er geen inhoudelijke grond voor het ontslag, omdat het argument van het bestuur dat de kerkdiensten voortaan door vijf personen geleid dient te worden in plaats van één priester onjuist is. Deze regel geldt niet voor de kleinere kerken die buiten Eritrea zijn gevestigd. De reden voor het ontslag is ook onlogisch, omdat het niet meer dan redelijk zou zijn dat [verzoeker] tot de vijf mensen behoort die de kerkdiensten gaan leiden, aangezien hij als priester goed functioneert. 3.3 Voor het geval het ontslag stand houdt, heeft het bestuur volgens [verzoeker] zeer onredelijk en ernstig verwijtbaar gehandeld door het aanvoeren van inhoudelijk onjuiste argumenten en het niet volgen van de regels van de kerk. In dat kader heeft [verzoeker] erop gewezen dat hij als priester in Nederland geen werk zal kunnen vinden en bij gebrek aan scholing voor zeer lange tijd aangewezen zal zijn op een uitkering. [verzoeker] maakt derhalve naast de transitievergoeding ook aanspraak op een billijke vergoeding ten bedrage van € 40.000,- bruto. 4Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek 4.1 Het verweer van de Stichting strekt ertoe om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair A. te oordelen dat het ontslag rechtsgeldig is; B. het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding af te wijzen; C. [verzoeker] te veroordelen in de (proces)kosten van dit geding; Subsidiair A. te oordelen dat het ontslag rechtsgeldig is; B. indien en voor zover een billijke vergoeding verschuldigd is, dit bedrag in goede justitie te bepalen; C. [verzoeker] te veroordelen in de (proces)kosten van dit geding; Uiterst subsidiair A. indien en voor zover de opzegging niet rechtsgeldig is, de arbeidsovereenkomst te ontbinden; B. [verzoeker] te veroordelen in de (proces)kosten van dit geding. Daartoe heeft de Stichting – zakelijk en samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. 4.2 Het dienstverband van [verzoeker] is op rechtsgeldige wijze beëindigd. Van hogerhand is opgelegd dat elke kerkdienst door drie priesters en twee diakenen dient te worden geleid. Om die reden is de Stichting gedwongen om maatregelen te treffen. Van strijd met artikel 6 lid 6 van de statuten is geen sprake, omdat daaruit volgt dat voor ontslag van een priester geen toestemming nodig is van het hoofd van de kerk. Toestemming is enkel benodigd voor de benoeming van een priester. Bovendien is op de arbeidsrelatie tussen partijen Nederlands recht van toepassing en kan de kerk in Eritrea hier geen invloed op uitoefenen. Van onredelijk en ernstig verwijtbaar handelen is ook geen sprake en dat standpunt is ook op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast heeft de Stichting de wens om ook de andere priester en de diaken te betalen, maar dat is naast het fulltime salaris van [verzoeker] niet mogelijk. 4.3 Indien en voor zover mocht blijken dat het ontslag niet rechtsgeldig is, heeft de Stichting verzocht de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] te ontbinden op grond van artikel 7:671b BW wegens bedrijfseconomische gronden, disfunctioneren, verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding. 5De beoordeling Het verzoek van [verzoeker] Termijn indiening verzoek 5.1 Het verzoek is – gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub a jo. artikel 7:681 lid 1 BW – tijdig ingediend. Opzegverboden 5.2 Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken. Rechtsgeldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst 5.3 Allereerst wordt opgemerkt dat, anders dan [verzoeker] meent, het besluit om de arbeidsovereenkomst te beëindigen rechtsgeldig tot stand is gekomen. De brief van 11 september 2016 is door vijf bestuursleden ondertekend. Uit artikel 8 lid 6 van de statuten van de Stichting volgt dat besluiten bij volstrekte meerderheid worden genomen en de Stichting heeft onweersproken aangevoerd dat het besluit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ook met volstrekte meerderheid van stemmen is genomen. 5.4 Voorts volgt uit artikel 6 lid 6 van de statuten van de Stichting niet dat voor ontslag van priesters toestemming nodig is van de hoofd (de bisschop) van de kerk in Eritrea. Dat is slechts het geval bij de benoeming van priesters zoals ook duidelijk in artikel 6 van de statuten is vermeld. Los daarvan kan [verzoeker] als derde geen rechten ontlenen aan statuten die voor en door de Stichting zijn opgesteld. De brief van de bisschop van 17 februari 2017 maakt dat niet anders, aangezien op de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] het Nederlandse arbeidsrecht van toepassing is. Verblijfsvergunning [verzoeker] 5.5 De Stichting heeft zich in haar nadere reactie van 27 maart 2017 afgevraagd of [verzoeker] rechtmatig in Nederland verblijft, omdat het bestuur van de Stichting geen tewerkstellingsvergunning voor [verzoeker] heeft aangevraagd. Uit de door [verzoeker] overgelegde stukken blijkt echter dat hij een reguliere verblijfsvergunning heeft voor onbepaalde tijd, waarop is vermeld dat arbeid vrij is toegestaan en dat een tewerkstellingsvergunning niet is vereist. Daarmee staat vast dat [verzoeker] legaal in Nederland verblijft en hier ook werkzaamheden mag verrichten. Redelijke grond; bedrijfseconomische redenen en disfunctioneren 5.6 Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] als priester een geestelijk ambt bekleedt. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer (zie artikel 7:671 lid 1 en onder f BW). Dat betekent in het geval van [verzoeker] dat het ontslag niet preventief door het UWV of de kantonrechter getoetst hoeft te worden. In het onderhavige geschil dient de kantonrechter dan ook uitsluitend repressief te beoordelen of sprake is van een redelijke grond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker], zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW. 5.7 In artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW is bepaald dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 onder meer wordt verstaan het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. De werkgever dient een en ander aannemelijk te maken. 5.8 Aan het ontslag heeft de Stichting als redelijke grond bedrijfseconomische redenen (artikel 7:669 lid 3 sub a BW) ten grondslag gelegd. Deze bedrijfseconomische redenen bestaan eruit dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.