Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/691058-15 Datum uitspraak: 3 mei 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. M.C. Levy, advocaat te Rotterdam. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 april
- Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gevorderd: - vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Waardering van het bewijs Vrijspraak Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Ter toelichting merkt de rechtbank het volgende op. Op 20 maart 2015, omstreeks 21.20 uur, heeft de politie in de woning van de verdachte een koffer aangetroffen waarin bijna drie kilo amfetamine bleek te zitten. De politie had ongeveer een half uur daarvoor gezien dat de verdachte met die koffer haar woning binnenging nadat zij uit een auto was gestapt. De verdachte heeft toen ter plekke tegen de politie gezegd dat zij de koffer uit die auto had meegekregen. De politie heeft een en ander vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen. Later heeft de verdachte verklaard dat haar medeverdachte [naam medeverdachte] de koffer die dag halverwege de middag in haar woning had gebracht en dat zij ’s avonds niet met de koffer op straat is geweest. Enkele getuigen hebben bevestigd dat [naam medeverdachte] de koffer ’s middags in de woning heeft gebracht. Alhoewel de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan het proces-verbaal van bevindingen van de politie kan niet met volstrekte zekerheid worden vastgesteld op welk tijdstip en door wie de koffer met amfetamine in de woning van de verdachte is gebracht. Er is sprake van twee scenario’s en het dossier bevat voldoende wettig bewijs om beide scenario’s te ondersteunen. Voor beide scenario’s geldt echter dat daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet het bewijs kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het aanwezig hebben van de in de koffer verborgen amfetamine. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken. Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. G.M. Munnichs, voorzitter, en mrs. A.A. Kalk en K. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Zawierko, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
- zij op of omstreeks 20 maart 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2973,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 2 jo 10 Opiumwet) art 2 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 3 Opiumwet
- zij op of omstreeks 20 maart 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 744,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Art. 3 jo 11 Opiumwet) een later moment plaatsvinden. art 3 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 11 lid 2 Opiumwet