← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2017:4535

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/994529-12 Datum uitspraak: 7 juni 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon: [naam verdachte rechtspersoon] ., gevestigd aan [adres verdachte rechtspersoon] , [woonplaats verdachte rechtspersoon] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door: [naam] , raadsman mr. R.P. van Campen, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 mei

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gevorderd: bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 45.000,
  2. 4Vrijspraak Ten laste is gelegd dat de verdachte rechtspersoon, tezamen en in vereniging met een ander, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander van gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie), heeft ontdaan. Aangezien stookolie als zodanig geen afvalstof is, dienen de woorden “niet bruikbare” als bestanddeel en daarmee onmisbaar onderdeel van de tenlastelegging te worden beschouwd. Daaraan doet niet af, dat de woorden “niet bruikbare” tussen haakjes zijn geplaatst. Gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, zoals door de raadsman bepleit, dat de desbetreffende stookolie niet bruikbaar was. Nu sprake is van een onmisbaar onderdeel van de tenlastelegging dient dit tot vrijspraak te leiden. De rechtbank licht dit als volgt toe. Op 18 oktober 2011 is vanaf het zeeschip “ [naam schip 1] ” stookolie overgepompt (“debunkeren”) naar de lichter [naam schip 2] ”. De houder van de stookolie was op dat moment de verdachte rechtspersoon, de commercieel operator van de [naam schip 1] . De verdachte rechtspersoon had de stookolie verkocht aan [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) die het binnenschip de [naam schip 2] ” had gecharterd voor de overslag en het vervoer van de stookolie naar Antwerpen. Na het debunkeren in de [naam schip 2] ” werd [naam bedrijf 1] houder van die stookolie. De toenmalige VROM-inspectie en de officier van justitie hebben deze stookolie aangemerkt als afvalstof. De verdachte rechtspersoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de stookolie bruikbare brandstof was, die aan de daarvoor geldende kwalificaties voldeed en daarmee niet was aan te merken als afvalstof. Voor de beantwoording van de vraag of de door de verdachte rechtspersoon aan [naam bedrijf 1] verkochte stookolie moet worden aangemerkt als afvalstof, heeft de rechtbank acht geslagen op artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm), Richtlijn 2006/12/EG betreffende de overbrenging van afvalstoffen en Richtlijn 2008/98/EG, in het bijzonder artikel 3 aanhef en onder
  3. Op grond van genoemde regelgeving, in samenhang bezien, dient als afvalstof te worden aangemerkt elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Vaststaat dat de desbetreffende stookolie van 200 ton op 10 augustus 2011 is gebunkerd. Deze stookolie, RMG 380, voldeed blijkens analyse op dat moment aan de vereisten van de toepasselijke ISO-norm
  4. In de loop van de daarop volgende maanden ontstonden problemen met de brandstof op de “ [naam schip 1] ”, met als gevolg dat de actieradius van de [naam schip 1] werd beperkt. De verdachte rechtspersoon heeft de resterende stookolie van 85 ton vervolgens verkocht aan [naam bedrijf 1] . De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting onder meer op het standpunt gesteld dat verder gebruik van de stookolie niet meer aan de orde was. Waarschijnlijk, aldus de officier van justitie, voldeed de stookolie ook niet aan de norm, omdat het sedimentgehalte van de olie te hoog was geworden. De rechtbank constateert echter dat een test die zou kunnen uitwijzen dat de stookolie niet meer als zodanig bruikbaar was, door de betrokken autoriteiten niet is gedaan, althans zich niet in het dossier bevindt, hoewel het doen van een test kennelijk wel tot de mogelijkheden heeft behoord. Uit de zich wel in het dossier bevindende rapportage van [naam bedrijf 2] (Fuel Analysis Report van 13 augustus 2011) in opdracht van de verdachte rechtspersoon blijkt enkel dat het om een brandstof ging die aan de normen voldeed en dus kennelijk bruikbaar was. Zo staat in het rapport van [naam bedrijf 2] dat ‘Results compared with ISO 8217:2005 specification RMG380, table
  5. based on this sample the specification is met.’ Daarnaast heeft [naam bedrijf 1] resultaten van een analyse van [naam bedrijf 2] overgelegd die op 29 september 2011 is verricht. Ook volgens deze analyse zou de stookolie van acceptabele kwaliteit zijn voor het gebruik als brandstof voor dieselmotoren. De redenering van de officier van justitie vindt dan ook geen steun in de bewijsmiddelen. Zelfs als er vanuit zou worden gegaan dat de stookolie voor de verdachte rechtspersoon een last was, zoals door zijn vertegenwoordiger op de zitting is verklaard, dan nog kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat het ook een afvalstof was. In lijn met het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013 (vgl. HvJEU 12 december 2013, nrs. C‑242/12 en C- 241/12 ECLI:NL:XX:2013:283) acht de rechtbank voor de vraag of de stookolie is aan te merken als afvalstof van doorslaggevend belang het innemen van een stof met het oogmerk om deze terug te brengen op de markt, zonder voorafgaande nadere bewerking en (dus) zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen behoeft plaats te vinden, terwijl dergelijk hergebruik ook zeker is. Onder die omstandigheden is ex tunc geen sprake was van het voornemen om zich te ontdoen van een afvalstof. De vertegenwoordiger van [naam bedrijf 1] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat [naam bedrijf 1] de stookolie als bruikbare stookolie weer op de markt zou brengen, zonder dat een nadere bewerking zou plaatsvinden. In dit verband is ook van belang dat [naam bedrijf 1] een bunkerbedrijf en oliehandelaar is en dat [naam bedrijf 1] blijkens de verklaring van diens vertegenwoordiger, geen (scheeps)afvalstoffen koopt of verkoopt en dat zij de stookolie niet zou hebben gekocht als deze niet bruikbaar zou zijn geweest volgens de desbetreffende kwaliteitsnorm. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat hergebruik van de desbetreffende stookolie als stookolie niet slechts mogelijk, maar ook zeker was; onder die omstandigheden is geen sprake van het zich ontdoen van een afvalstof. 5Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.L.M. Boek, voorzitter, en mrs. M.M. Koevoets en C.M.J. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Kerens, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juni
  6. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 18 oktober 2011 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten aan [naam bedrijf 1] , van gevaarlijke afvalstoffen, te weten van (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie), heeft ontdaan. [artikel 10.37 lid 1 Wet milieubeheer]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.