Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/1171 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2017 in de zaak tussen [Naam] , te [plaats] , eiseres, gemachtigde: [gemachtigde] , en het Drechtstedenbestuur, verweerder, gemachtigde: mr. M. de Wolf. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 21 december 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiseres alsnog een uitkering toegekend met ingang van 18 november 2015. Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en de ingangsdatum van de uitkering gesteld op 11 november 2015. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1 Op 11 november 2015 heeft eiseres zich bij verweerder gemeld voor het doen van een aanvraag om een uitkering. Op 28 april 2016 heeft eiseres zich opnieuw bij verweerder gemeld voor een uitkering. Op 7, 9 en 15 juni 2016 hebben (telefoon)gesprekken met eiseres plaatsgevonden. In de brieven van 20 juni 2016, 29 juni 2016, 4 juli 2016 en 18 juli 2016 heeft verweerder aanvullende informatie aan eiseres gevraagd. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit I genomen. 1.2 Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I heeft verweerder de aanvraag opnieuw in behandeling genomen en eiseres de gelegenheid geboden alsnog gegevens te verstrekken. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit II genomen waarbij het primaire besluit I is achterhaald. 2. Verweerder heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaarschrift ook gericht geacht tegen het primaire besluit II. Nu eiseres zich op 11 november 2015 heeft gemeld voor een uitkering is er volgens verweerder aanleiding de uitkering vanaf die datum toe te kennen. Verweerder stelt dat eiseres in juni 2016 inkomsten heeft ontvangen die hoger waren dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Zij heeft namelijk verklaard dat zij die maand € 450,- heeft verdiend met schilderwerk. Over die maand heeft zij volgens verweerder dan ook geen recht op een uitkering. 3. Eiseres heeft in beroep gesteld dat de storting in 2016 ten onrechte tot haar inkomen in juni 2016 is gerekend. Het gaat om zakgeld uit 2015. Eiseres heeft een verklaring overgelegd waaruit dit volgens haar volgt. 4. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm is. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.