vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/508046 / HA ZA 16-809 Vonnis van 2 augustus 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DCB ENERGY B.V., gevestigd te Spijkenisse, eiseres, verweerster in reconventie, advocaat mr. E.G. Karel te Middelharnis, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTERNATIONAAL TRANSPORT DIJCO B.V., gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, gedaagde, eiseres in reconventie, advocaat mr. R. van de Klashorst te ‘s-Gravenhage. Partijen zullen hierna DCB en Dijco genoemd worden. 1De procedure 1.1. De procedure is als volgt verlopen. 1.2. DCB heeft Dijco bij exploot van 4 augustus 2016 gedagvaard voor deze rechtbank en daarbij twaalf producties in het geding gebracht. 1.3. Dijco heeft een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie genomen en daarbij één productie overgelegd. 1.4. De rechtbank heeft een comparitie van partijen bepaald. Vervolgens heeft de rechtbank een agenda voor de comparitie aan partijen toegezonden. Op de comparitie heeft DCB een conclusie van antwoord in reconventie genomen en aan de hand van een Notitie toelichtingen gegeven. Op de comparitie heeft Dijco bij akte één productie in het geding gebracht en aan de hand van Comparitie aantekeningen toelichtingen gegeven. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. 1.5. DCB heeft een conclusie van repliek tevens vermeerdering van eis in conventie genomen, onder overlegging van één productie. 1.6. Dijco heeft een conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie genomen en daarbij haar producties 3 tot en met 7 overgelegd. 1.7. DCB heeft een conclusie van dupliek in reconventie tevens akte uitlating producties genomen. 1.8. Partijen hebben vonnis gevraagd. 2De vorderingen en verweren 2.1. Na eisvermeerdering bij conclusie van repliek vordert DCB dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Dijco zal veroordelen primair: a. om aan DCB te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 138.902,35; subsidiair: om aan DCB te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 111.912,85; meer subsidiair: om aan DCB te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 53.128,21, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; zowel primair als subsidiair als meer subsidiair: om aan DCB te betalen € 1.200,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten; om aan DCB te betalen de wettelijke handelsrente vanaf 1 november 2015 tot aan de dag van algehele voldoening; in de proceskosten, waaronder mede begrepen de nakosten. 2.2. De conclusies van Dijco strekken tot afwijzing van de vorderingen van DCB met veroordeling van DCB in de proceskosten en de nakosten, met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis. 2.3. In reconventie vordert Dijco dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis DCB zal veroordelen tot betaling van € 24.374,78, met veroordeling van DCB in de proceskosten en de nakosten, met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis. 2.4. De conclusies van DCB strekken tot afwijzing van de vorderingen van Dijco met veroordeling van Dijco in de proceskosten, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis. 3De feiten Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten, als enerzijds gesteld of uit producties gebleken en anderzijds niet voldoende betwist. 3.1. [Transport bedrijf X] (hierna: [Transport bedrijf X] ) heeft in 2015 in opdracht van Dijco vervoer verricht. Op 7 juli 2015 had [Transport bedrijf X] een vordering op Dijco wegens die transporten. Ook nadien heeft [Transport bedrijf X] in opdracht van Dijco vervoer verricht uit welken hoofde [Transport bedrijf X] bedragen van Dijco te vorderen kreeg. 3.2. Op 7 juli 2015 had DCB een vordering op [Transport bedrijf X] op grond van een of meer overeenkomsten tot levering van brandstoffen en tot financiering. Ook nadien heeft DCB bedragen van [Transport bedrijf X] te vorderen gekregen. 3.3. Op 7 juli 2015 hebben DCB, [Transport bedrijf X] en Dijco een stuk (hierna: de Verklaring) ondertekend met – voor zover voor deze beoordeling van belang – de volgende inhoud: “Verklaring [..] Dijco [..] verklaart onvoorwaardelijk en verbindt zich daartoe om alle vrachtpenningen die zij is verschuldigd aan [ [Transport bedrijf X] ] rechtstreeks te voldoen op een van de bankrekeningen van [..] DCB [..]. Dijco garandeert DCB dat al hetgeen zij opeisbaar verschuldigd is aan [ [Transport bedrijf X] ] tot wederopzeggens door DCB direct en binnen de vervaltermijn van de facturen op een van de bankrekeningen van DCB voldoet met als omschrijving "C. Schouten'' met het betreffende factuurnummer. Ten blijke van toestemming gaat [ [Transport bedrijf X] ] over tot medeondertekening van deze verklaring, en verklaart zij voorts onvoorwaardelijk en onherroepelijk dat zij tot wederopzeggens door DCB aan Dijco opdracht geeft om alle vrachtpenningen die Dijco aan haar is verschuldigd rechtstreeks te voldoen aan DCB. [ [Transport bedrijf X] ] verleent Dijco reeds nu voor alsdan volledige kwijting voor de op grond van deze verklaring door Dijco aan DCB betaalde bedragen.” DCB heeft de Verklaring op 13 juli 2015 laten registreren. 3.4. Dijco heeft vervolgens op facturen van [Transport bedrijf X] betalingen aan DCB gedaan. 3.5. Op 16 september 2015 heeft een (oud-)werknemer van [Transport bedrijf X] , [Persoon A] (hierna: [een (oud) werknemer] ) ten laste van [Transport bedrijf X] onder Dijco executoriaal derdenbeslag gelegd ter tenuitvoerlegging van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2015. Uit krachte van dat beslag heeft Dijco € 7.332,67 aan (de gerechtsdeurwaarder ten behoeve van) [een (oud) werknemer] betaald. 3.6. Omstreeks 22 september 2015 heeft [Transport bedrijf X] aan Dijco gevraagd om in het vervolg weer aan haar te betalen. Dijco heeft vervolgens aan [Transport bedrijf X] betalingen verricht. 3.7. [Transport bedrijf X] is bij vonnis van 20 oktober 2015 in staat van faillissement verklaard. 3.8. Dijco heeft op 6 november 2015 € 19.656,83 betaald aan de curator in het faillissement van [Transport bedrijf X] . 3.9. DCB heeft bij brief van haar advocaat van 4 december 2015 Dijco gesommeerd om alle bedragen die Dijco na 17 september 2015 aan [Transport bedrijf X] had betaald, (voor een tweede maal) te betalen naar de Stichting Beheer Derdengelden Karel & Maes Advocaten (hierna: de Derdenrekening K&M). Dijco heeft op 22 december 2015 € 24.368,78 naar de Derdenrekening K&M betaald. 3.10. DCB heeft bij de curator in het faillissement van [Transport bedrijf X] een vordering ingediend van € 781.974,00. Later heeft DCB met de curator een schikking getroffen in het kader waarvan DCB haar vordering op [Transport bedrijf X] tot € 55.000,00 heeft teruggebracht en dat bedrag van de boedel heeft ontvangen. 4De beoordeling In conventie en in reconventie 4.1. De zaken in conventie en in reconventie gaan – kort gezegd – over het volgende. Begin juli 2015 was [Transport bedrijf X] aan DCB bedragen verschuldigd en was Dijco (vracht)bedragen aan [Transport bedrijf X] verschuldigd. Gevolg gevende aan de Verklaring heeft Dijco enige malen op facturen van [Transport bedrijf X] aan DCB betaald. Wegens het derdenbeslag van [een (oud) werknemer] op 16 september 2015 heeft Dijco aan (de deurwaarder ten behoeve van) [een (oud) werknemer] betaald. Na 22 september 2015 heeft Dijco de facturen van [Transport bedrijf X] weer aan laatstgenoemde betaald, respectievelijk aan de curator in het faillissement van [Transport bedrijf X] . Na de sommatie van 4 december 2015 heeft Dijco een bedrag van € 24.368,78 op de Derdenrekening K&M betaald. 4.2. DCB stelt zich primair op het standpunt dat [Transport bedrijf X] met de Verklaring haar per 7 juli 2015 bestaande en haar toekomstige vorderingen op Dijco aan DCB heeft overgedragen en dat Dijco zich in de Verklaring heeft verbonden om tot wederopzeggens door DCB al hetgeen zij per 7 juli 2015 aan vrachtpenningen verschuldigd was aan [Transport bedrijf X] en al hetgeen zij nadien aan vrachtpenningen aan [Transport bedrijf X] verschuldigd zou worden rechtsreeks aan DCB te betalen en dat Dijco daarom niet meer bevrijdend aan [een (oud) werknemer] of (de curator in het faillissement van) [Transport bedrijf X] kon betalen. Omdat Dijco zich daaraan niet heeft gehouden en € 138.902,35, althans € 111.912,85, althans € 53.128,21 in strijd met die overdracht dan wel die toezegging niet aan DCB heeft betaald, heeft DCB daardoor tot dat beloop haar vorderingen op [Transport bedrijf X] niet betaald gekregen. Daarom vordert DCB veroordeling van Dijco tot betaling van zodanig bedrag. 4.3. Dijco betwist dat [Transport bedrijf X] in de Verklaring haar huidige en toekomstige vrachtvorderingen op Dijco aan DCB heeft overgedragen en dat Dijco zich in de Verklaring jegens DCB heeft verplicht om betalingen op facturen van [Transport bedrijf X] uitsluitend aan DCB te doen. Dijco stelt zich op het standpunt dat de Verklaring slechts een betaalinstructie van [Transport bedrijf X] aan Dijco behelst en dat [Transport bedrijf X] ook na de Verklaring gerechtigd bleef te bepalen of Dijco op de facturen van [Transport bedrijf X] aan DCB dan wel aan [Transport bedrijf X] zelf diende te betalen. Dijco voert aan dat [Transport bedrijf X] die instructie op 22 september 2015 heeft herroepen en dat DCB daarom na 22 september 2015 geen aanspraak meer kon maken op betaling door Dijco op de facturen van [Transport bedrijf X] . Dijco heeft de betaling van € 24.368,78 naar de Derdenrekening K&M naar aanleiding van de sommatiebrief van 4 december 2015 bij vergissing en daarom onverschuldigd verricht. Daarom vordert Dijco veroordeling tot terugbetaling van dat bedrag. 4.4. Partijen geven aldus een verschillende uitleg aan de Verklaring. Daarom is voor de beoordeling in conventie en in reconventie uitleg van de Verklaring nodig. Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (artikel 3:33 en 3:35 BW; HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 – Haviltex). Bij de uitleg van een geschrift zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door ter zake kundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan. Weliswaar is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van belang, maar ook dan kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. De rechter kan, zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, groot gewicht toekennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van het geschrift en aldus komen tot een voorshands oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Maar vervolgens zal de rechter dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van het geschrift verdedigt voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. 4.4.1. Tussen partijen is niet in geschil – en dat blijkt ook uit de als productie 3 door Dijco overgelegde correspondentie van 7 juli 2015 – dat DCB en Dijco zich bij de totstandkoming van de Verklaring hebben laten bijstaan door hun respectieve bedrijfsjuristen en dat [Transport bedrijf X] daarbij een advocaat heeft geraadpleegd. Daarom ligt het voor de hand om uit te gaan van de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de Verklaring, gelezen in de context ervan als geheel. 4.4.2. Kennelijk hebben de drie betrokken partijen DCB, Dijco en [Transport bedrijf X] de Verklaring opgesteld wegens betalingsachterstanden van [Transport bedrijf X] bij DCB. Dat volgt ook uit de door DCB als productie 6 overgelegde overeenkomst tussen DCB en (onder meer) [Transport bedrijf X] van 6 juli 2015. In artikel 2 van die overeenkomst verplichtte [Transport bedrijf X] zich om met Dijco “overeen te komen dat met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst [Dijco] wekelijks de vrachtpenningen die zij verschuldigd is aan [ [Transport bedrijf X] ] aan [DCB]” zou betalen, waartegenover DCB beslagen zou opheffen en weer tot levering van brandstoffen aan [Transport bedrijf X] zou overgaan (artikelen 6 en 7 van die overeenkomst). 4.4.3. DCB stelt dat de Verklaring strekt tot overdracht of levering van de vrachtvorderingen van [Transport bedrijf X] op Dijco. Daartoe zouden ingevolge artikelen 3:83 en 3:94 BW een grondslag voor de overdracht (titel) en een akte van levering (akte van cessie) tussen [Transport bedrijf X] en DCB vereist zijn. De bewoordingen van de Verklaring duiden, echter, niet op een verbintenis tot overdracht evenmin op levering door [Transport bedrijf X] aan DCB van huidige of toekomstige vorderingen op Dijco. In de Verklaring valt niet te lezen dat [Transport bedrijf X] optreedt als partij die een vordering overdraagt. Evenmin bevat de Verklaring een aanwijzing dat DCB een vordering van [Transport bedrijf X] op Dijco overgedragen of geleverd krijgt. In de overeenkomst tussen DCB en [Transport bedrijf X] van 6 juli 2015 valt bovendien niet te lezen dat [Transport bedrijf X] zich ten opzichte van DCB heeft verbonden tot overdracht van haar huidige of toekomstige vorderingen op Dijco. De rechtbank kan in de Verklaring daarom geen basis vinden voor cessie of overdracht aan DCB van de vrachtvorderingen van [Transport bedrijf X] op Dijco. 4.4.4. De bewoordingen van de Verklaring duiden veeleer op een driepartijen-afspraak inhoudende dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.