Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/811063-17 Datum uitspraak: 14 juni 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (Polen), ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. H.L. Heemskerk, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2017. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. C. de Bruijn heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak ten aanzien van feiten 2 en 3 4.1.1. Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat de verdachte de MDMA en versnijdingsmiddelen opzettelijk aanwezig respectievelijk voorhanden heeft gehad. De MDMA is aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. De verdachte heeft geen verklaring gegeven over de drugs en de versnijdingsmiddelen. Daarnaast heeft de verdachte tijdens een verhoor spontaan gevraagd of het aangetroffen middel MDMA betrof, dit terwijl dit nog niet aan hem was medegedeeld. 4.1.2. Beoordeling Uit het dossier komt het volgende naar voren. In het kader van een onderzoek naar een aantal brandstichtingen wordt er in een woning binnengetreden. Aldaar hield het arrestatieteam een zestal personen aan, waaronder de verdachte. De verdachte bevond zich op dat moment in zijn slaapkamer. De politieambtenaren troffen een tweetal wapens (met munitie) en een hoeveelheid wit poeder in de slaapkamer van de verdachte aan. In de gemeenschappelijke keuken werd het zwavelzuur inbeslaggenomen. De vraag die beantwoordt dient te worden, is of de verdachte de middelen opzettelijk aanwezig dan wel voorhanden had. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is geweest. Hierbij is allereerst van belang dat de woning regelmatig door meerdere personen werd bevolkt en gebruikt. Het witte poeder bevond zich buiten het zicht in een kast in een niet-afsluitbare slaapkamer. Die slaapkamer werd door de verdachte maar ook door zijn neef gebruikt. De fles zwavelzuur bevond zich in de gemeenschappelijke keuken van de woning, een woning die veelal door meerdere personen werd bevolkt. Het is dus beslist niet uit te sluiten dat een ander of anderen dan de verdachte betrokken zijn geweest bij deze goederen. Dat zou anders kunnen zijn indien biologische sporen of vingerafdrukken van de verdachte op de goederen zouden zijn aangetroffen. Dat is echter niet het geval. Op grond van deze feiten en omstandigheden is onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte de middelen als bedoeld in de feiten 2 en 3 opzettelijk aanwezig dan wel voorhanden heeft gehad. 4.1.3. Conclusie Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering en bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 4.2.1. Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek Uit de deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van 7 mei 2017 van het TMFI blijkt het volgende. Het DNA dat is aangetroffen op de vuurwapens is vergeleken met het afgenomen DNA van de verdachte. Op 16 loci zijn de DNA-kenmerken bepaald. Uit de bemonsteringen van de wapens zijn mengprofielen verkregen. De verdachte is niet uitgesloten als één van de mogelijke donoren van die mengprofielen. Hierop is de likelihood-ratio methode toegepast met twee hypotheses. Bij beide wapens luidt de conclusie dat de resultaten van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer het mengprofiel bestaat uit het DNA van de verdachte en twee/drie onbekende, niet verwante personen (hypothese 1) dan wanneer het mengprofiel bestaat uit drie/vier onbekende, niet verwante personen (hypothese 2). 4.2.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich allereerst op het standpunt gesteld, naar dat de rechtbank begrijpt, dat het aantreffen van DNA-kenmerken die aan de verdachte worden toegerekend mogelijk verklaard kan worden door de aanwezigheid van DNA van de (volle) neef van de verdachte in de bemonsteringen. De neef maakte immers ook gebruik van de slaapkamer. Daarnaast is aangevoerd dat de hypotheses niet juist zijn opgesteld omdat de neef als verwante persoon niet is meegenomen in de hypothese. Ook heeft de verdediging bepleit dat er mogelijk sprake is van overdracht van celmateriaal van andere spullen naar de wapens. Tenslotte, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte het wapen niet voorhanden heeft gehad, er waren immers meerdere personen woonachtig in de woning die dat gedaan zouden kunnen hebben. 4.2.3. Beoordeling Ten aanzien van het eerste verweer overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van 7 mei 2017 stelt de rechtbank vast dat de verdachte één van de donoren is van de mengprofielen die op beide vuurwapens zijn aangetroffen. De kans dat de DNA-kenmerken die aan de verdachte worden toegeschreven eigenlijk het DNA-profiel van de neef van de verdachte betreft, is kleiner dan één op 100 miljoen. Gelet op voorgaande acht de rechtbank het door de verdediging geschetste scenario zeer onwaarschijnlijk. Voorts ten aanzien van het verweer dat hypothese 1 onjuist is, in die zin dat uit wordt gegaan van andere niet verwante personen terwijl de neef een verwante persoon is, overweegt de rechtbank dat aanpassing van de hypothese slechts kan leiden tot de mogelijke conclusie dat naast het celmateriaal van de verdachte tevens het celmateriaal van de neef op het vuurwapen is aangetroffen. Het verweer dat het DNA mogelijk via andere spullen op het vuurwapen terecht is gekomen, is niet genoegzaam onderbouwd. Daarom schuift de rechtbank dit verweer ongemotiveerd ter zijde. Tenslotte, vindt het verweer van de verdediging dat de verdachte de vuurwapens en munitie niet voorhanden heeft gehad weerlegging in de bewijsmiddelen. Hoewel diverse mensen gebruik maakten van de woning en de ruimtes niet waren afgesloten, is er op beide vuurwapens DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. De beide vuurwapens en munitie lagen binnen handbereik - één vuurwapen lag in een nachtkastje en het andere vuurwapen lag in een ladekast aan het voeteneind van het bed - in de slaapkamer van de verdachte. De slaapkamer werd alleen gebruikt door de verdachte en diens neef. Dit laatste heeft de medeverdachte [naam medeverdachte] bevestigd. Gelet op die feiten en omstandigheden in samenhang bezien, luidt de conclusie dat de verdachte de vuurwapens en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. 4.2.4. Conclusie De verweren worden verworpen en het onder 1 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Schiedam, althans in Nederland, een of meer wapen(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.