Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 4 zaaknummer: ROT 17/4715 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker, [verzoekster] , te Rotterdam, verzoekster, hierna tezamen aangeduid als verzoekers, gemachtigde: mr. T.P. van der Eerden, en de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman. Als derde-partij heeft als pandeigenaar aan het geding deelgenomen: [persoon 1] , te Schiedam. Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder [de betreffende zaak], gevestigd aan de [adres], ([de betreffende zaak]), die per 8 juli 2017 voor een periode van maximaal twee weken was gesloten, voor een periode van in totaal drie maanden gesloten op grond van artikel 2:30, eerste lid, onder b, in verbinding met artikel 2:28, zesde lid, onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV). Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekers op 4 augustus 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [persoon 2], beleidsadviseur bij de directie veiligheid. Overwegingen 1. Verzoeker is eigenaar en exploitant van de [de betreffende zaak]. Verzoekster is exploitant van [de betreffende zaak]. Bij besluit van 17 december 2013 heeft verweerder aan verzoeker een exploitatievergunning verleend voor [de betreffende zaak]. 2. Het bestreden besluit is gebaseerd op de rapportage van de politie Eenheid Rotterdam van 9 juli 2017 (rapportage), de aanvulling daarop en het zienswijzegesprek van 17 juli 2017. Uit de rapportage en aanvulling komt naar voren dat zich op 8 juli 2017 na sluitingstijd, omstreeks 2.45 uur een ernstig geweldsincident heeft voorgedaan voor de deur van [de betreffende zaak], waarbij uitsluitend personen waren betrokken die de inrichting kort daarvoor hadden verlaten en als gevolg waarvan later één persoon is overleden en waarbij een ander gewond is geraakt. Verweerder heeft overwogen dat ernstige geweldsincidenten een bedreiging vormen voor de openbare orde en veiligheid en kunnen leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting. Verweerder heeft bij zijn besluit betrokken dat de openbare orde ernstig is geschokt, dat de politie heeft aangegeven dat niet alle verdachten zijn opgepakt en dat bij de ruzie twee rivaliserende families betrokken zijn die vaste bezoekers zijn van de inrichting van verzoekers, zodat het risico op herhaling aanwezig is. Voorts heeft verweerder bij de besluitvorming betrokken dat de inrichting eerder is betrokken bij geweldsincidenten en gelegen is in een kwetsbaar gebied dat is aangewezen als een veiligheidsrisicogebied. Op grond van het handhavingsarrangement behorende bij de Horecanota 2017-2021 ziet verweerder aanleiding de inrichting voor de duur van drie maanden te sluiten. Het belang van de openbare orde weegt daarbij zwaarder dan het financiële belang van verzoekers. 3. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure. 4. Verzoekers betogen dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid nu verweerder niet de benodigde gegevens heeft verzameld over de exacte plek van het eerste handgemeen, de aanleiding voor het ontstaan van het conflict en geen kennis heeft genomen van de camerabeelden. 4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit betoog niet slagen. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting de door verzoekers ingebrachte camerabeelden bekeken en ter zitting toegelicht dat deze beelden alsmede de door verzoekers gegeven informatie over de plek waar het incident is begonnen en het verloop van de vechtpartij, geen aanleiding vormen zijn standpunt te herzien. 5. Verzoekers betogen dat het geweldsincident niet in of vanuit [de betreffende zaak] heeft plaatsgevonden, zodat verweerder niet bevoegd was om te sluiten. Voorts betogen verzoekers dat het geweldsincident hen niet te verwijten is, er geen kans op herhaling is en het besluit onevenredig is. 5.1. Op grond van artikel 2.28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV, kan de burgemeester onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien zich naar zijn oordeel in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed. Op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in het geval van bijzondere omstandigheden een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet. 5.3. De bevoegdheid tot het gesloten verklaren van een openbare inrichting als bedoeld in 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV is een discretionaire bevoegdheid van verweerder waarvan de uitoefening door de rechter terughoudend wordt getoetst. Verweerder hanteert bij zijn bevoegdheid op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV het Handhavingsarrangement behorend bij de Horecanota 2017-2021. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: De openbare orde en veiligheid zijn altijd leidend. Het kan dus zijn dat de ondernemer heeft gedaan wat hij kon, maar dat toch een maatregel getroffen moet worden om de openbare orde en veiligheid in en rond de inrichting te herstellen. Als ernstige geweldsincidenten in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf worden in ieder geval beschouwd: (..) Incidenten waarbij één of meer dodelijk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.