Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/330 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser, gemachtigde: [echtgenote] , en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder, gemachtigde: mr. K. Janssens. Procesverloop Bij besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van in totaal € 2.100,- wegens zeven overtredingen van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen (het Warenwetbesluit) in verbinding met Verordening (EG) 852/2004. Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1. Op 25 augustus 2016 omstreeks 14:15 uur is een blauw wit gekleurde mobiele verkoopwagen op een parkeerplaats op de hoek van de [adres] te [plaats] bezocht door controleambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eiser, toentertijd handelend onder de naam [naam] , was op dat moment de eigenaar van deze mobiele verkoopwagen. 1.2. In het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen van 29 augustus 2016 is onder meer het volgende geconstateerd. De ruwe houten vloer van de verkoopwagen was in zeer slechte staat en ernstig verontreinigd met oude productresten. De wanden waren ernstig verontreinigd met geel/bruin gekleurd plakkerig vet en oude productresten, de schappen en planken waren ernstig verontreinigd met oude productresten, de afzuigkap was ernstig verontreinigd met zwart aangekoekt gekleurd vuil en druppels zwart gekleurd oud vet en het plafond boven de oven was ernstig verontreinigd met oude productresten en ander vuil. Hieruit blijkt dat is vastgesteld dat mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten niet zo waren gelegen, ontworpen en geconstrueerd en zo schoongehouden dat de risico’s in verband met verontreiniging van levensmiddelen door dieren en schadelijke organismen zoveel mogelijk werden voorkomen, waardoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk III, punt 1, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtreding is van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 1). Ook is in het rapport van bevindingen geconstateerd dat de binnenkant van de Indesit koeling, waarin onafgedekte levensmiddelen werden bewaard, ernstig verontreinigd was met oude productresten en ander vuil, de waterkoker ernstig verontreinigd was met geel/bruin gekleurd plakkerig vuil, de draai-grill verontreinigd was met geel/bruin aangekoekt vuil, de frituur ernstig verontreinigd was met geel/bruin gekleurd plakkerig vet en de werkbanken die in aanraking kwamen met levensmiddelen verontreinigd waren met oude productresten evenals de pannen. Hieruit is gebleken dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in de mobiele verkoopwagen niet schoon waren, waardoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtreding is van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 2). Verder is in het rapport van bevindingen geconstateerd dat er diverse bereidingen van levensmiddelen plaatsvonden in de verkoopwagen (“Ik zag een man in de wagen staan die bezig was met het bereiden en snijden van vlees”). Eiser heeft tegenover de controleambtenaren verklaard dat uit de kraan in de verkoopwagen geen koud en warm water stroomde en dat hij, dat als hij warm water wilde hebben, hij dit met de waterkoker opwarmde. Er is geconstateerd dat eiser aan de kraan draaide maar dat daar niks uitkwam. In de verkoopwagen werden diverse levensmiddelen als tomaten, sla en kruiden bewaard die gewassen moesten worden voordat deze gebruikt konden worden. Hieruit is gebleken dat in de mobiele verkoopwagen en/of tijdelijke bedrijfsruimte geen passende voorzieningen aanwezig waren voor een voldoende persoonlijke hygiëne, voor het schoonmaken en ontsmetten van gereedschap en apparatuur en dat, omdat het schoonmaken van levensmiddelen tot de normale activiteiten van een levensmiddelenbedrijf behoort, geen passende voorziening aanwezig was om dat hygiënisch te laten verlopen. Verder was daarin geen voldoende warm en/of koud water beschikbaar. Hierdoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk III, punt 2 onder a, c, d en e, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtredingen zijn van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbare feiten 3a tot en met 3d). Daarnaast is geconstateerd dat shoarmavlees op de draai-grill in de verkoopwagen werd bereid. De afzuigkap boven de draai-grill was vervuild met zwart gekleurd aangekoekt vuil, stof en vetdraden die loshingen. Er is vermeld dat de controleambtenaar vanuit zijn deskundigheid heeft geconstateerd dat loshangend vuil los kon komen, onder meer door beweging van de mobiele verkoopwagen, waardoor het direct op de rol met shoarmavlees kon vallen. Hieruit is gebleken dat in de mobiele verkoopwagen en/of tijdelijke bedrijfsruimte de levensmiddelen zo geplaatst waren dat de risico’s in verband met verontreiniging niet werden voorkomen, waardoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk III, punt 2, onder h, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtreding is van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 4). 2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser bij de uitoefening van bedrijfsactiviteiten van zijn onderneming in de mobiele verkoopwagen meerdere hygiënevoorschriften, zoals neergelegd in het Warenwetbesluit, in verbinding met Verordening (EG) 852/2004, heeft overtreden (beboetbare feiten 1 tot en met 4). Voor de beboetbare feiten 1, 2 en 4 is steeds een boete opgelegd van € 525,-, en voor de beboetbare feiten 3a tot en met 3d wegens samenhang eenmaal een boete van € 525,-. In totaal bedraagt het boetebedrag € 2.100,-. Verweerder heeft na een beoordeling van eisers financiële situatie geen aanleiding gezien voor matiging. 3. Eiser bestrijdt de feitelijke waarnemingen in het rapport van bevindingen van 29 augustus 2016 niet. Hij voert - verkort en zakelijk weergegeven - aan dat de mobiele verkoopwagen niet als bedrijfsruimte kan worden aangemerkt en dat hij nog niet open was op het moment van de controle maar dat hij de wagen aan het inspecteren was na een sluiting wegens drie tropisch warme dagen om vervolgens te gaan schoonmaken. Hij stelt dat het vlees dat hij ten tijde van de inspectie aan het bereiden was voor eigen gebruik was. Eiser vindt de opgelegde boetes te hoog. Hij heeft erop gewezen dat hij als gevolg van de boete moest stoppen met zijn bedrijf waar hij vijf jaar lang dag en nacht mee bezig is geweest. 4.1. Artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 852/2004 bepaalt dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, zich houden aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004. 4.2. Hoofdstuk III (Voorschriften voor mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten (bv. Tenten, marktkramen, winkelwagens), ruimten die voornamelijk als particuliere woning worden gebruikt maar waar regelmatig levensmiddelen worden bereid voor het in de handel brengen, en automaten) van Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004 bevat (onder meer) de volgende bepalingen: 1. Bedrijfsruimten en automaten moeten voor zover dit redelijkerwijs haalbaar is, zo zijn gelegen, ontworpen en geconstrueerd en zo worden schoongehouden en onderhouden dat de risico’s in verband met verontreiniging van levensmiddelen door dieren en schadelijke organismen zoveel mogelijk worden voorkomen. 2. Meer in het bijzonder moet, indien nodig, aan de onderstaande voorschriften worden voldaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.