Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/960288-16 Datum uitspraak: 13 november 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , raadsman mr. M. Pestman advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 en 13 oktober 2017. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 13 november 2017. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. C. Hofstee en R.J.P. Lambrichts hebben gevorderd: - bewezenverklaring van het eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd zich verplicht onder toezicht stelt (en blijft stellen) van de reclassering (met meldplicht); meewerkt aan een behandelverplichting in een ambulant forensisch kader; geen contact zal (doen) zoeken en/of (doen) onderhouden met de navolgende personen én hun familieleden: - [betrokkene 1] ; - [betrokkene 2] ; - [betrokkene 3] ; - [betrokkene 4] ; - [betrokkene 5] ; - [betrokkene 6] alsmede: - personen van wie de reclassering dat noodzakelijk acht in het kader van haar begeleiding en re-integratie; - voormalige strijders en/of personen die in het (voormalige) strijdgebied hebben verbleven; - personen en/of organisaties die op de sanctielijst Terrorisme staan vermeld; zich niet zal bevinden in de grensstreken van Nederland met de ons omringende buurlanden en op de Nederlandse vliegvelden met internationale vluchten (Schiphol, Rotterdam-The Haque, Maastricht-Aachen, Eindhoven en Groningen-Eelde), te controleren door middel van elektronisch toezicht; wordt verplicht mee te werken aan een gemeentelijk traject gericht op schuldhulpverlening/bewindvoering en dagbesteding; geen contact mag leggen of laten leggen met de media; wordt verplicht mee te werken aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe deskundige; - de dadelijke uitvoerbaarheid van voormelde voorwaarden en uit te voeren toezicht. 4Ontvankelijkheid officier van justitie Standpunt van de verdediging De Nederlandse overheid, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV) en het daaronder vallende Familiesteunpunt hebben geprobeerd de verdachte bij haar vlucht uit Mosul te ‘helpen’, of beter gezegd zij hebben de indruk gewekt haar daarbij te willen helpen. Op instigatie en onder toeziend oog van de Nederlandse overheid is hierbij de vader van de verdachte opgelicht, tienduizend euro lichter gemaakt en is het leven van de verdachte daarbij ernstig in gevaar gebracht. Gedurende het onderzoek in deze zaak is meer duidelijk geworden over de bijzondere rol van het Familiesteunpunt, dat moet worden gezien als een ouderwetse ‘mantelorganisatie’ van de NCTV, zij zijn in feite één. Het Familiesteunpunt heeft de vader van de verdachte verwezen naar [betrokkene 7] , een Duitse ambtenaar en zelfbenoemd deradicaliseringsexpert. [betrokkene 7] doet zich groter voor dan hij is. Het door hem opgerichte [organisatie betrokkene 7] blijkt niet meer dan een door hem vanuit huis gerunde eenmanszaak en niet het door hem beschreven ‘transparante netwerk van experts’. Echter, het Familiesteunpunt werkt graag en nauw samen met [organisatie betrokkene 7] . Het inschakelen van [betrokkene 7] was uitdrukkelijk bedoeld om de verdachte te helpen bij haar vlucht, althans zo werd [betrokkene 7] bij de vader van de verdachte geïntroduceerd. [betrokkene 7] laat aan de vader van de verdachte op 3 april 2016 weten dat hij contact heeft met zijn ‘team on the ground’, om uit te zoeken hoe de situatie in Mosul is. Later heeft [betrokkene 7] erkend dat hij nooit over contacten in Mosul heeft beschikt. Er is door betrokkenen alle moeite gedaan het bedrog in deze zaak te verhullen. Dat neemt echter niet weg dat alle partners in de keten verantwoordelijkheid dragen voor wat er in deze zaak met de verdachte is gebeurd. Dit laatste geldt niet alleen voor [betrokkene 7] , maar ook voor het Familiesteunpunt en dus ook de NCTV en uiteindelijk de minister. Het is vaste jurisprudentie van het Hof in Straatsburg dat de overheid verplicht is het leven van haar burgers te beschermen. De overheid, in het bijzonder de NCTV en de minister van Justitie en Veiligheid, is in deze zaak in deze verplichting tekortgeschoten. De overheid heeft in deze zaak jegens de verdachte aldus niet aan haar verplichtingen bedoeld onder artikel 2 van het EVRM voldaan en daarmee heeft zij dat artikel geschonden. Met haar optreden heeft de overheid de verdachte niet beschermd, maar juist voor haar een ‘real and immediate risk of life’ gecreëerd. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is hier de enige passende sanctie. Oordeel van de rechtbank Als het al zo is dat het Familiesteunpunt en [betrokkene 7] een verbinding hebben dan wel hadden met de Nederlandse overheid, is daarmee dan in enige zin aannemelijk gemaakt dat hun functioneren en dat van de overheid heeft plaatsgevonden met de opzet dan wel de grove schuld om de belangen van de verdachte tekort te doen dan wel is het zo’n schending van een fundamenteel rechtsbeginsel dat daarmee het strafvorderlijke systeem in de kern is aangetast c.q. dit een schending van artikel 2 van het EVRM heeft opgeleverd? Bepalend voor de terugreis van de verdachte uit IS-gebied zijn in de eerste plaats haar eigen voornemen daartoe en de hulp die haar vader daarbij heeft geboden. Haar vader heeft eigener beweging hulp gezocht bij [betrokkene 7] , die hem, voor zover dat is vast te stellen, door een medewerkster van het Familiesteunpunt was genoemd. Dat is in dat geval de enige bemoeienis aan de zijde van de Nederlandse overheid geweest. De vraag is of deze activiteit past in het bovengeschetste kader, waarbij nog moet worden aangetekend dat voor zover de verdachte in gevaar is gebracht, dit niet kan worden verweten aan voornoemde [betrokkene 7] dan wel het Familiesteunpunt, nu verdachte uiteindelijk geen enkel feitelijk contact heeft gehad met de hulp die door deze mensen zou zijn ingeschakeld. Voor zover de verdachte al in gevaar is gebracht, is dat alleen door toedoen van haarzelf, nu zij op eigen initiatief naar het gebied is gegaan en zij zelf besloten heeft dit weer te willen verlaten. Dit – mede gelet – op haar ‘uitreisverhaal’ dat overigens nog met vraagtekens is omgeven. Gelet op het vorenstaande kan niet worden vastgesteld of er daadwerkelijk bemoeienis aan de zijde van de Nederlandse overheid is geweest bij de terugkeer van verdachte naar Nederland. Als dat echter wel het geval zou zijn, levert dit dus geen handelen op dat tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte dient te leiden. De officier van justitie is ontvankelijk. 5Voorwaardelijk verzoek horen getuigen Standpunt van de verdediging In het geval de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaart, is het verzoek de ketenpartners van de NCTV, te weten [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 7] en [betrokkene 12] , evenals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding [betrokkene 13] en de Koerdische generaal [betrokkene 14] , als getuigen te horen, zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld alsnog haar ondervragingsrecht te effectueren. Oordeel van de rechtbank Het horen van een aantal van de hiervoor genoemde getuigen is in een eerder stadium, ter terechtzitting van 26 juli 2017, reeds afgewezen. Daartoe werd door de rechtbank het toetsingskader zoals geformuleerd door de Hoge Raad in HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 gehanteerd. Het betreft dan de getuigen [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 7] , [betrokkene 12] en [betrokkene 14] . Er zijn ten aanzien van deze getuigen geen nova die de beslissing van 26 juli 2017 thans anders maken. Voor zover de raadsman andere getuigen heeft genoemd – getuigen waar niet eerder om is gevraagd – had de raadsman die verzoeken, gelet op de vele regiemomenten die zich in deze zaak hebben voorgedaan en waaromtrent de noodzakelijkheid in de zin van het bepaalde in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, in samenhang met voormeld arrest, niet is komen vast te staan, eerder kunnen doen. Dit laatste geldt ook voor de [betrokkene 2] , waaromtrent ook in voorwaardelijke zin een verzoek is gedaan, namelijk voor het geval de rechtbank deze verklaring voor het bewijs zou willen gebruiken. De verklaring zou volgens de verdediging onbetrouwbaar zijn en onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen vinden. Nog los van het feit dat de rechtbank van oordeel is dat deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, geldt echter ook voor dit verzoek dat de raadsman dit eerder had kunnen doen en de noodzaak in de zin van het bepaalde in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, in samenhang met voormeld arrest, niet is komen vast te staan. De (voorwaardelijk gedane) verzoeken tot het horen van alle hiervoor genoemde getuigen worden afgewezen. 6Rapport [rapporteur] Bij e-mailbericht van 11 oktober 2017 heeft de raadsman aan zowel de voorzitter van de rechtbank als de officieren van justitie een rapport opgemaakt door [rapporteur] , antropoloog, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen, doen toekomen. Het betreft een rapport inhoudende (door de raadsman gestelde) vragen en daarop door [rapporteur] geformuleerde antwoorden met betrekking tot de zaak tegen de verdachte. Het rapport becommentarieert onder meer het zich in het dossier bevindende rapport van de deskundige Florence Gaub. Gaub betreft een in deze zaak door de rechter-commissaris benoemde deskundige en daarmee heeft haar rapport de status van een deskundigenrapport (onder meer in verband met artikel 344, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafvordering). Zo’n rapport kan natuurlijk bekritiseerd worden door een derde, zoals dat ook hier het geval is door [rapporteur] . [rapporteur] is echter geen deskundige als zodanig benoemd door de rechtbank of de rechter-commissaris. De deskundigheid van zijn opvattingen is dus nimmer gewogen en daarmee zijn diens opvattingen over het rapport door Gaub dan wel het strafdossier niet anders dan die van een willekeurige derde. Met name waar [rapporteur] een opvatting ventileert over mogelijke bewezenverklaringen zal de rechtbank daar geen gewicht aan toekennen. Het oordeel daaromtrent is immers voorbehouden aan de rechtbank. Nu het rapport van [rapporteur] niet als deskundigenrapport kan worden gekwalificeerd, wordt dit rapport in zoverre buiten beschouwing gelaten. 7Vrijspraak van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde Als eerste cumulatief/alternatief is aan de verdachte tenlastegelegd, kort gezegd, het medeplegen van deelneming aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). Echter, niet is komen vast te staan wat de feitelijke rol van de verdachte is geweest, in de zin van het zijn van strijder noch in de zin van een der alternatieve functies als omschreven in het zich in het dossier bevindende rapport Bestemming Syrië (Weggemans, Peters en Bakker, 3 januari 2016), dan wel als omschreven in het hiervoor genoemde rapport door Gaub. Reeds daarom kan al niet worden gekomen tot het lidmaatschap van de tenlastegelegde terroristische organisatie, zodat alle overige stellingen op dit punt onbesproken kunnen blijven. Het enkele verblijven en vestigen in het strijdgebied van IS en zorgen voor het gezin aldaar kan als zodanig niet gelden als betrokkenheid bij IS in de zin van deelname aan een terroristische organisatie, nu ook overigens uit geen enkel gegeven blijkt dat dit een zodanige ondersteuning aan IS zou opleveren dat dit als deelneming aan die organisatie of een andere terroristische organisatie kan worden opgevat. De activiteiten en het gedrag van de verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank wel als burgerschap van IS worden opgevat, gelijk ook door de deskundige Gaub in haar rapport wordt omschreven, doch geen lidmaatschap van IS in de zin van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht. Het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 8Waardering van het bewijs Het juridisch kader Van strafbare voorbereiding van terroristische misdrijven in het kader van artikel 96, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is onder meer sprake indien de verdachte, met het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen, zichzelf of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf tracht te verschaffen. Standpunt van de verdediging De verdachte wist – kort gezegd – niet wat IS precies was en deed en zij wist niet dat [betrokkene 1] (haar man) zich in Syrië bij IS zou aansluiten. De verdachte dacht in Syrië in ‘neutraal’ gebied te gaan wonen en ‘het ware gezicht’ van IS ten tijde van de uitreis nog niet te kennen. Zij zou hebben gedacht een gelukkig leven te gaan leiden in het ‘Shaam’-gebied. Bij de politie heeft verdachte hierover verklaard (pagina 7 van haar verklaring op 9 maart 2017 bij de politie): ‘We zouden gewoon naar Syrië gaan, we zouden vertrouwen op God en we zouden leven onder de Islam als tevreden mensen, (…)’ Door de verdediging is in dit kader aangevoerd – kort gezegd – dat het oogmerk op de voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven bij de verdachte ontbrak en de verdachte geen voorbereidingshandelingen heeft verricht. Oordeel van de rechtbank Vooropgesteld zij dat niet ter discussie staat dat de verdachte in september 2015 met haar man [betrokkene 1] (met wie zij een Islamitisch huwelijk had gesloten) en haar twee jonge kinderen, via Turkije, naar Syrië is uitgereisd. Voorts blijkt uit de verklaringen van de verdachte dat zij vóór deze uitreis al wetenschap had van de sympathieën van haar man voor IS en zijn wens om naar Syrië te vertrekken. De verdachte verklaart hierover bij de politie op 9 maart 2017: ‘Dat die geweldige, gewelddadige video’s en games en hij hield van vechten en uhm.. in het begin had die mij al wel verteld dat die naar een islamitisch land uh wilde, maar later veranderde dat steeds meer in Syrië. (…) (…) in die tijd, de tijd dat ik zwanger was, sprak [betrokkene 1] steeds vaker over Syrië en de afkeer van Nederland, grote afkeer van Nederland en alles eigenlijk wat er wel een beetje mee te maken heeft. Ja dat dat dat nam eigenlijk, dat nam eigenlijk steeds meer meer toe, dat naar Syrië toe willen. En dat soort dingen en uh ik ja hij hij, hij... Hij, hij keek wel eens uh jihadistische films en ook van Isis volgens mij. En uh, volgens mij of ja dat weet ik nu wel zeker, hij was een isis-sympathisant, (…) (…) Maar doordat hij dus druk zette, dat hij naar Syrië wil, hij wou naar Shaam, het beloofde gebied, dat zou ons helpen (…) (…) Uhm... Ja [betrokkene 1] kwam maar met Syrië (…) En hij was zo aan het duwen over Syrië, waar alles goed zou zijn. (…) Jawel, [betrokkene 1] zette me sowieso wel een beetje onder druk, hij uh, zoals ik al zei, het begon met gewoon een Islamitisch land. Uhm maar uh, hij wou uiteindelijk echt graag naar Syrië, we hebben het trouwens ook over gehad, misschien is Egypte een oplossing. Misschien is Turkije een oplossing, maar dat wou hij niet, hij wou echt naar Syrië.’ Ter terechtzitting van 12 oktober 2017 verklaarde de verdachte hierover: ‘ [betrokkene 1] wilde naar Syrië, dat verlangen nam steeds meer toe. Het begon toen ik hem leerde kennen, ik wist dat hij wilde verhuizen naar een Islamitisch land. In de loop van de relatie begon dat Syrië te worden. Er waren momenten dat hij interesse in ISIS toonde, maar er leek ook twijfel.’ en ‘Als [betrokkene 1] mij video’s liet zien, ik weet het niet precies meer, maar dat waren dan video’s van mannen die andere mannen doodschoten. De discussies die wij hadden, gingen over walgelijke dingen die hij liet zien, dat ik niet begreep dat hij daar achter kon staan. De ene keer zei hij dat dit de Islam was, de andere keer dat dit niet de Islam was. De ene keer stond hij erachter en leek hij jihadistische of ISIS-trekken te hebben, de andere keer niet.’ Ten aanzien van het moment van uitreizen en de wetenschap bij de verdachte van de door IS gepleegde terroristische misdrijven in Syrië en Irak overweegt de rechtbank het volgende. IS riep op 29 juni 2014 het kalifaat uit in de door haar veroverde gebieden in Syrië en Irak. In ieder geval vanaf dat moment maakte IS zich in – onder meer – deze gebieden schuldig aan terroristische misdrijven van gruwelijke aard, hetgeen in de Nederlandse media veel aandacht heeft gekregen. De verdediging wijst er weliswaar op dat IS ten tijde van de uitreis van de verdachte in Europa nog geen aanslagen had gepleegd en dat de aanslag in Parijs bijvoorbeeld pas in november 2015 was, maar dit neemt niet weg dat IS zich wel reeds in Syrië en Irak aan gruwelijke terroristische misdrijven schuldig maakte die in de diverse Nederlandse media volop aandacht kregen. Een eenvoudige zoekslag in open bronnen op internet bevestigt deze aandacht in de media. Al vanaf 2014 wordt in de Nederlandse media regelmatig bericht over de gruwelijkheden van IS, zoals onthoofdingen en verbrandingen van mensen. Zo was de onthoofding door IS van de Amerikaanse journalist James Foley in september 2014 en de verbranding door IS van een Jordaanse gevechtspiloot in februari 2015 (waarvan de rechtbank niet uitsluit dat dit ook het filmpje is waarover de verdachte verklaart), waarvan IS de filmpjes openbaar maakte, uitgebreid in het nieuws. Over de aanwezigheid van IS in Syrië en Irak verklaarde de verdachte tijdens haar verhoor bij de politie 9 maart 2017: ‘Maar dan moet ik wil even voor de duidelijkheid zijn, het ging mij om Syrië, ik wist niks van Isis. Ik wist wel een beetje wat Isis was, maar hij heeft mij nooit verteld dat we naar Syrië zouden gaan en dat we ons zouden aansluiten bij Isis of bij wat voor groepering dan ook. (…) En uhm.. Het beeld dat ik van Syrië had, was eigenlijk het beeld wat hij geschept had, en ik had wel iets meegekregen, maar ik dacht dat Syrië gewoon, je hebt het land Syrië en je hebt verschillende organisaties. Maar ik was mij er niet van bewust dat er., een... uh.. dat Isis echt een heel stuk grond in handen heeft en ook uh daadwerkelijk uh, de grenzen bewaakt, niemand kon erin en uit of zo, nou, heel moeilijk, laat ik het zo zeggen.’ (…) Ik hoorde bepaalde dingen, en uh, sommige dingen klonken oké, maar veel klonk ook niet oké, het was niet zo dat ik dacht van: ooh.. Isis daar ga ik mij bij aansluiten, maar ik had geen realistisch beeld van wat er afspeelde in Syrië. Isis, hoeveel macht zij daadwerkelijk hadden. Op wat voor manier, ik had gewoon heel verdraaid beeld van de werkelijkheid.’ Wat betreft de wetenschap bij de verdachte over de door IS gepleegde gruwelijkheden weegt de rechtbank, behalve al het hier voorgaande, ook de volgende passages uit de verklaring van de verdachte bij de politie op 9 maart 2017 mee: ‘Hij, hij keek wel eens uh jihadistische films en ook van Isis volgens mij. (…) Nou hij was, hij was wat harder en wat extremer erin. (…) ik was het daar niet altijd mee eens (…) Uhm, ik heb wat ik mij kan herinneren is een discussie, het ging volgens mij over wel iets wat volgens mij Isis heeft gedaan, en dat was een man verbrand. En ik vond dat echt heel erg ver gaan. En ik zei "ik vind dat niet kunnen, ik vind dat gewoon slechte mensen weetje". En hij zei "ja maar dat zijn moslims en als je dat zegt, dan ben je afvallig". (…) Maar er zijn, er zijn heel veel discussies vooral om de Islam geweest (…) Hij was gewoon wat extremer, hij was extremer. (…) ik kan maar één video herinneren, dat er een Ara, islamitische man op een markt aan het vertellen was. Eerlijk of zo, verdeeld was, maar verder kan ik mij herinneren dat er een video was van iemand die in vuur gestoken was. Uhm.. En ook iets over verdrinking dus ik was, ik was niet heel positief over isis eigenlijk.’ En op de terechtzitting van 12 oktober 2017 verklaarde de verdachte: ‘Er waren momenten dat hij interesse in ISIS toonde, maar er leek ook twijfel. Hij heeft mij weleens wat laten zien op zijn computer. Wij kregen daar dan discussies over.’ en ‘Als [betrokkene 1] mij video’s liet zien, ik weet het niet precies meer, maar dat waren dan video’s van mannen die andere mannen doodschoten. De discussies die wij hadden, gingen over walgelijke dingen die hij liet zien, dat ik niet begreep dat hij daar achter kon staan. De ene keer zei hij dat dit de Islam was, de andere keer dat dit niet de Islam was. De ene keer stond hij erachter en leek hij jihadistische of ISIS-trekken te hebben, de andere keer niet.’ Voorts slaat de rechtbank, wat betreft de wetenschap van de verdachte van de deelname van haar man aan IS ter plaatse, in het bijzonder acht op de volgende passages uit haar verklaring bij de politie op 9 maart 2017: ‘We zijn daarna, toen, vanaf dat moment waren we in Syrië. Zijn we de auto in gestapt en ik vroeg aan [betrokkene 1] , waarom hebben ze wapens en wat is er aan de hand? En hij was heel blij. En hij had eigenlijk bijna geen aandacht meer voor mij. Hij zei "nee vanaf nu is het allemaal goed en het komt allemaal goed. Wapens zijn voor de veiligheid" en dat soort dingen. Iets later vertelde die mij dat we gescheiden zouden worden en omdat hij een training zou krijgen. En daar schrok ik ook behoorlijk van. En ik vroeg hem als het ware "waarom? En moet je dan vechten?" Hij zei "nee dat hoeft niet, maar dat is gewoon een uh, hoe noem je dat? Een gewoonte" het is normaal als je binnenkomt dan moetje zo'n een training volgen, dat ondergaat iedereen. (…) En toen werd ik naar hem toe gebracht en toen kwam ik hem tegen. Met een kalasjnikov en nog wel wat meer spullen. (…) Een kalasjnikov, dus, en uh, en hij had, volgens mij een granaat, maar dat weet ik niet zeker. Ja hij had een granaat en hij had een uh, een een een muts en en en uh later kreeg die ook echt een doos, nee een tas met legerkleren en dat soort dingen. Maar dat was pas later. Maar ik weet nou niet of die een bomgordel had of dat het gewoon een granaat was die je in een gordel kon doen. Volgens mij is dat het, misschien is dat wel een bomgordel. Hij had in ieder geval een soort iets wat die om zich heen kon binden. (…) Toen is die zelfs zijn kalasjnikov vergeten, wat best dom was, omdat hij vertelde mij een verhaal over een jongen die dat was vergeten. En dat die de hele training opnieuw moest doen en toen was die hem zelf vergeten. (…) V: Nog even voor mijn beeldvorming, [betrokkene 1] die komt met jou, die gaat met jou naar dat hotel uh uh waar legt die zijn wapens neer? A: Dat weet ik niet. V: in huis of zo legde hij dat gewoon op de bank, of op de grond of in de hoek? A: in het hotel weet ik niet meer. Wat ik wel weet, is dat in huis dat het altijd hoog lag. (…) Ja vooral die granaat, dadelijk hou je het vast en dadelijk schiet iets los, ik vind dat niks. Wat ik mij nog kan herinneren, dat in het laatste huis waar we zaten, lag het in een kast. Het lag op een plek waar ik mijn kleding wou neerleggen.(…) hij wou niet dat we er aan kwamen.(…)Daarna lag het in het huis, bij het Marokkaanse en Syrische stel, lag het op een kast, daar kon je het wei zien, maar niet goed, en later lag het in het laatste huis waar we zaten in een kast en daar zag ik het eigenlijk niet.’ (…) V: Oké en was [betrokkene 1] ais die wapens droeg, was die dan alleen? Of was die samen met anderen? A: Dat is een beetje een rare vraag, ik weet niet precies hoe ik dat moet beantwoorden. V: Nou gewoon. Was het was hij samen met een andere, laat ik hem strijder noemen, A: Hmmm. V: En was die ook gewapend? Of liep hij gewapend alleen over straat? A: Ik heb daar niet op gelet maar wat ik wel weet, dat die het in het begin gewoon droeg, en dat die daar eigenlijk al heel snel mee stopte, en zijn redenen waren: ten eerste, hij wou er niet mee opscheppen, want dat zou Islamitisch gezien niet goed zijn,(…)En hij uh, hij zei dat het gevaarlijk is, want als een drone dat zou zien, dan zou die hem kunnen bombarderen. (…) V: Oké oké. Maar hij komt thuis en dan had die het wapen bij zich. A: Hmmm. V: En je dochter, die ziet hem dan aankomen. A: Ja, kijk, dat pakje met uh, met uh, die granaten, of granaat of, één granaat, dat weet ik zeker. Uhm.. Dat lag altijd verborgen, die heeft die volgens mij ook nooit gedragen en dat wou ik ook niet want dat durfde ik niet. Ik durfde dan niet eens in dezelfde kamer met hem te staan bij wijze van spreken. Want wat als die nou een rare beweging maakt of wat dan ook. Maar hij had wel een pistool of nee, een kalasjnikov en daar was die niet zo heel erg oplettend op, die zette die wel gewoon in de kamer. Gewoon zo. V: Hoe weet je dat? A: Omdat ik dat heb gezien. V: Hoe weet je dat het een kalasjnikov was? A: Dat heb ik daar geleerd. (…) V: Maar even terug, ik stel nog een keer die vraag: [betrokkene 1] komt terug. A: Hmmm. V: Je zegt "hij zet zijn wapen, zet die gewoon in de kamer neer". A: Ja in de hoek meestal. (…) V: "Dan is ze gevallen". Wat heeft je dochter allemaal gezien? A: J volgens mij heeft ze wel videos gezien, sommige, ik weet niet of [betrokkene 1] dat deed, want ik, ik was het er niet mee eens. Ik wou niet dat ze die videos keek. Maar, ja Ik weet wel zeker dat ze iets heeft meegekregen want... [betrokkene 1] was vaak aan, die videos aan het kijken en zij mocht dan niet mee kijken, maar dat deed ze dan toch. En ik was er wel alert op, maar hij niet zo. Of ze keek "ooh" en dan zag ze net zo'n stukje dat iemand daar, daar gewoon lag, weetje wel, in zo'n video bijvoorbeeld hè en dan zei ze "ooh hij is gevallen hè?" en dat is wat ze dan zei. V: En waar was dat? Spreek je nu van de tijd Irak, A: Ik weet niet precies waar. V: of spreek je nu over de tijd in Nederland? A: Nee. In Irak. V: In Irak, daar werden ook videos gekeken? A: Ja. (…) En ik ook, ik vroeg aan hem... "ga je vechten?".... Hij gaf mij niet echt een duidelijk antwoord daarover in het begin, maar later, later zei hij wel dat hij wel, wel zou vechten als ze dat van hem zouden vragen. (…) V: Je kinderen zien ineens pappa, die meneer. Niet de pappa die ze in Nederland hadden, niet de pappa van all inclusive Turkije. Maar ze zien ineens pappa als, laat ik het even verwoorden: als een strijder. A: Mijn dochter begreep dat niet, nogmaals, mijn dochter ziet niet een man oh dat is een strijder. Dat denkt zij niet zij denkt niet, dat is een wapen, ooh daarmee kan je iemand vermoorden, en vermoorden is een slechte daad.’ Voorts de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2017: ‘Ik ben daar verbleven gedurende de tijd dat [betrokkene 1] in dat trainingskamp zat. [betrokkene 1] vertelde mij dat hij daar leerde schieten en Islamitische les kreeg. Hij heeft een maand in dat trainingskamp gezeten. Daarna ging hij werken in en bommenfabriek, dat begreep ik uit hetgeen hij mij vertelde. Ze werkten daar met stoffen, dat liet hij mij zien aan de verbrande haren op zijn handen. Hij vertelde mij dat hij daar iets in elkaar moest zetten dat dat hij dat vervolgend in een vrachtwagen moest zetten. En: (…) Later zag ik [betrokkene 1] met een geweer en zo’n bom met een ding waarin je die kunt dragen, zo’n tas. Hij zei mij dat als hij gevraagd zou worden om te gaan vechten, hij zou gaan vechten. [betrokkene 1] is één keer een nacht weggeweest. Hij moest toen bewaken, dat heeft een bepaalde Arabische naam.’ Tot slot wijst de rechtbank met betrekking tot de intenties en wetenschap van de verdachte in het strijdgebied op enkele chat- en WhatsApp-gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en haar vader. Op 25 september 2015, twee weken na haar uitreis naar haar strijdgebied, laat de verdachte haar vader weten dat het een bewuste keuze was om naar Syrië te gaan, dat zij wil leven onder de wetten van de islam, zij haar kinderen daarmee wil laten opgroeien en dat zij niet terugkomt. Op 25 november 2015 laat de verdachte aan haar vader weten dat alles goed gaat en op 3 december 2015 dat haar dagen gewoontjes zijn en zij al begint te wennen. Op 12 december 2015 bericht de verdachte aan haar vader dat mensen die niet goed doen van haar ‘opgeruimd’ mogen worden. Zij refereert hierbij aan ‘qisas’ (beter geschreven als al-qisaas), in Nederland bekend als het ‘oog om oog, tand om tand’ principe. Tot slot laat de verdachte op 15 januari 2016 aan haar vader weten dat [betrokkene 1] wil blijven werken voor IS en dat hij dit al heeft besproken met IS. Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet het er voor worden gehouden dat de verdachte wist van het voornemen van haar man zich in Syrië aan te sluiten bij IS, dat zij wist van zijn deelname aan IS ter plaatse en dat zij wist van de door IS gepleegde gruwelijke terroristische misdrijven in Syrië en Irak. Het feit dat de verdachte mogelijk een ander bijkomend motief had om in te stemmen met de uitreis (een beter leven daar), doet aan het voorgaande niet af. Evenmin doet dit af aan de handelingen van de verdachte waarmee zij willens en wetens de uitreis en de aansluiting van haar man bij IS heeft gefaciliteerd. De rechtbank wijst daarbij op haar eigen verklaring bij de politie over de voorbereiding van de uitreis die anderhalve maand van te voren begon en waarover zij van haar man met niemand mocht spreken, over hoe zij samen met haar man en kinderen de uitreis naar Syrië via Turkije middels een geboekte ‘vakantie’ bij het reisbureau op 4 september 2015 mogelijk maakte – waarmee zij haar man naar het oordeel van de rechtbank een dekmantel verschafte om onopvallend uit te reizen – en over het zich laten informeren over het uitreizen naar Syrië door een Syriëgangster middels ‘Facebook’. Tot slot heeft zij in ISIS ‘guest houses’ verbleven en in Syrië en Irak het haar man mogelijk gemaakt deel te nemen aan IS door thuis voor de kinderen en het huishouden te zorgen en zich te voegen in haar rol als ‘burger’ van IS (de rechtbank verwijst hiermee naar het deskundigenrapport van dr. Gaub). Door willens en wetens met haar man als gezin via Turkije naar Syrië uit te reizen, zodat hij zich bij IS kon aansluiten, en hiertoe voorbereidingen te treffen, heeft de verdachte een ondersteunende rol gehad en heeft zij hem de gelegenheid gegeven strijder bij IS te worden en blijven, ter verwezenlijking van het oogmerk van IS, het plegen van terroristische misdrijven. Hiermee is het oogmerk van verdachte op terroristische misdrijven zoals dat tezamen en in vereniging is tenlastegelegd, bewezen. In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: zij in de periode van 01 januari 2015 tot en met 12 juli 2016 te Den Haag, althans in Nederland, en/of in Syrië en/of in Irak, met een ander, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven): > het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.