Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/660190-17 Parketnummer vordering TUL VV: 22/000506-13 Datum uitspraak: 27 oktober 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, als verblijfadres opgevende [verblijfadres verdachte] te [verblijfplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De IJssel te Krimpen aan den IJssel, raadsvrouw mr. A. Çimen, advocaat te Amsterdam. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 oktober 2017. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd: vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag; bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest; tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde (nog resterende) strafdeel in de zaak met parketnummer 22-000506-13 voor de duur van 20 maanden. Waardering van het bewijs Vrijspraak zonder nadere motivering feit 1 impliciet primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Bewijswaardering feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 Standpunt van de verdediging De verdachte heeft ter terechtzitting bekend op 27 maart 2017 te hebben geschoten op aangever [naam slachtoffer] . Hij verklaart echter dat hij het wapen waarmee hij heeft geschoten die dag van ene [naam] had gekregen met de vraag dat voor hem te verkopen, dat hem daarbij door die [naam] was verteld dat het een omgebouwd alarmpistool betrof waarmee geen schade of letsel kon worden toegebracht en dat hij daar ook vanuit is gegaan toen hij op aangever [naam slachtoffer] schoot. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij ten tijde van zijn aanhouding op 20 april 2017 een ander omgebouwd alarmpistool voorhanden had. Hij had dat bij zich om zich te kunnen verdedigen tegen aangever [naam slachtoffer] . De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar het wapen dat bij het schietincident op 27 maart 2017 door de verdachte is gebruikt. Er kan dan ook niet worden bewezen dat de revolver die tijdens de aanhouding van de verdachte op 20 april 2017 bij hem is aangetroffen hetzelfde wapen is als het wapen waarmee op 27 maart 2017 de schoten zijn gelost. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de ten laste gelegde revolver op 27 maart 2017. Beoordeling Het staat vast dat de verdachte op 27 maart 2017 betrokken is geweest bij een schietincident te Capelle aan den IJssel en dat de verdachte daar met een wapen heeft geschoten op aangever [naam slachtoffer] . Op de plaats van het schietincident is door verbalisant [naam verbalisant] een projectiel aangetroffen. Op 1 juni 2017 is technisch onderzoek verricht naar -onder meer- de vraag of de aangetroffen patroon (kogel) is verschoten met de onder de verdachte aangetroffen revolver. Uit dat onderzoek is (onder meer) gebleken dat de kogel die is aangetroffen op de plaats delict het best past bij het kaliber .22 Long Rifle. Uit de resultaten van dit onderzoek kan eveneens worden afgeleid dat de onder verdachte aangetroffen revolver in elk geval in aanmerking komt als wapen waarmee de aangetroffen patroon is verschoten. Bij zijn aanhouding op 20 april 2017 had de verdachte een revolver voorhanden. Uit onderzoek dat ten aanzien van dat wapen is verricht, blijkt dat het een omgebouwde alarmrevolver betrof van het merk/type Bbm Olympic 38, dat door het ombouwen geschikt is gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen van het kaliber .22 LR. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het wapen dat hij bij zich droeg een omgebouwde alarmrevolver betrof. Na zijn aanhouding op 20 april 2017 heeft de politie de woning van de verdachte doorzocht. Tijdens de doorzoeking van zijn woning is door een huisgenoot van de verdachte, [naam getuige 1] , verklaard dat hij wist wie er kort daarvoor was aangehouden en dat hij wist wat diegene bij zich had, namelijk een “punt 22”. Hij heeft daarnaast verklaard dat [naam] en [bijnaam verdachte] (de rechtbank verstaat: verdachte) net nog bij hem op bezoek waren geweest, dat [naam verdachte] toen “die .22” bij zich had en dat [naam verdachte] “dat ding” gewoonlijk bewaart achter een plank in het gootsteenkastje. Een vuurwapen wordt daar door de politie vervolgens niet aangetroffen. Ten slotte heeft deze getuige verklaard “dat de politie maar moest kijken en een beetje onderzoek moest doen naar de schietpartij in Capelle aan den IJssel en dat je dan zou zien dat die .22 daar gebruikt is”. Gelet op de resultaten van vorenstaand onderzoek in combinatie met de verklaring van voornoemde getuige acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het wapen dat onder feit 2 ten laste is gelegd zowel op 27 maart 2017 als op 20 april 2017 voorhanden heeft gehad. Op grond daarvan beschouwt de rechtbank de verklaring van verdachte omtrent het voorhanden krijgen en zijn bekendheid met de werking van het door hem op 27 maart 2017 gebruikte wapen als onaannemelijk; met name uit de verklaring van [naam getuige 1] volgt immers dat het hier om een wapen gaat dat eigendom was van verdachte. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande voorts vanuit dat de verdachte met dat wapen op aangever [naam slachtoffer] heeft geschoten. Door tijdens de confrontatie met aangever [naam slachtoffer] op de arm van die [naam slachtoffer] te schieten met een alarmrevolver, waarvan de verdachte wist dat dit was omgebouwd, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 27 maart 2017 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen (revolver) kogels heeft afgevuurd op en in de richting van die [naam slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2. hij op 27 maart 2017 te Capelle aan den IJssel een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk/type Bbm Olympic 38, kaliber .22 lr voorhanden heeft gehad. en hij op 20 april 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk/type Bbm Olympic 38, kaliber .22 lr en 5 bijbehorende kogelpatronen (van merken Eley Brothers en/of Squires Bingham en/of Cartoucherie Francaise), voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. Strafbaarheid feiten Het beroep op noodweer Standpunt van de verdediging Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake was van noodweer en dat de verdachte dientengevolge dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte heeft zich noodzakelijk verdedigd in een situatie waarin hij met een mes door aangever [naam slachtoffer] werd bedreigd door eerst een waarschuwingsschot op de grond te lossen en, toen de bedreiging met het mes in zijn richting voortduurde, met het wapen te richten op en te schieten in de arm van de aangever waarmee deze het mes vasthield. Voor zover de rechtbank niet tot het oordeel komt dat er sprake is van noodweer, dient de zaak te worden aangehouden om hieromtrent getuigen te horen. Beoordeling De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. De rechtbank wil aannemen dat de aangever in het bezit is geweest van een mes en dat de verdachte daarmee is geconfronteerd, maar die confrontatie vond pas plaats nadat de verdachte zijn wapen tevoorschijn had gehaald en daarmee een aantal schoten had gelost. De rechtbank baseert zich daarbij op de uitvoerige en gedetailleerde verklaringen van aangever [naam slachtoffer] , die wordt ondersteund door de verklaring van [naam getuige 2] , die eveneens bij het schietincident aanwezig was. De verklaring die de verdachte ter onderbouwing van de gestelde noodweer over de toedracht van de gebeurtenissen heeft afgelegd, heeft hij bovendien pas op de terechtzitting naar voren gebracht. Aangezien de verklaring in het geheel geen steun vindt in het dossier, acht de rechtbank deze niet aannemelijk. De rechtbank acht derhalve ook geen noodzaak aanwezig om hierover getuigen te horen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de tenlastegelegde feiten wegnemen. Kwalificatie De bewezen feiten leveren op: 1: poging tot zware mishandeling 2: De voortgezette handeling van: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.