Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/603048-07 Datum uitspraak: 2 februari 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari
(120)“truitjes”. Uit het verloop van de gesprekken wordt duidelijk dat het steeds om dezelfde 120 stuks gaat. Van die 120 stuks, wil de verdachte er in totaal 53 afnemen, “half om half”. [naam 1] en de verdachte spreken af op 8 september om 14:00 uur bij het cafeetje waar zij eerder al eens zijn geweest in Utrecht. In diverse telefoongesprekken op 8 september 2005 stemt [naam 1] met [naam medeverdachte 1] af dat de 53 stuks “half om half” moeten zijn, dus 26 zwarte en 27 groene, en als er geen groene meer zijn dan moeten er in plaats daarvan “zwarte metale” bij die dan nog moeten worden “opgepoetst met een doek”. [naam medeverdachte 1] benadrukt nog dat [naam 1] die vier groene “die een schroef hebben” er niet bij moet doen. In een gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en medeverdachte [naam medeverdachte 2] op diezelfde dag spreken zij ook over 26 zwarte en 27 groene / metale die [naam medeverdachte 2] van [naam medeverdachte 1] in een emmer moet doen. Uit deze inhoud van de gesprekken leidt de rechtbank af dat de termen “banden” en “truitjes” codetaal zijn. Truitjes en banden zijn doorgaans immers niet van metaal, bevatten geen schroeven en behoeven in de regel niet te worden opgepoetst met een doek. Duidelijk is dat alle betrokkenen van elkaar begrijpen wat er met de “banden” en “truitjes” wordt bedoeld. Verder zijn er taps van gesprekken tussen [naam 1] en de verdachte op 8 september 2005 over hun precieze locatie en waar ze elkaar zullen treffen. Op 9 september 2005 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en de verdachte, waarin de verdachte boos uitlegt dat hij niet tevreden was, dat zij “het” doorverkocht hebben aan “de Nederlanders” en dat ze “beledigd” zijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat [naam 1] de 53 stuks aan de verdachte heeft afgeleverd. Voorts is gebleken uit een tapgesprek van 10 september 2005 om 19:43 uur tussen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] dat [naam medeverdachte 1] twee stuks uit de partij (van de oorspronkelijke 120) wilde halen. [naam medeverdachte 2] geeft aan dat hij er niet is en dat hij aan [naam 3] de sleutel moet vragen. Het adres van [naam 3] is [adres delict] te Rotterdam. Naar aanleiding hiervan is op 12 september 2005 een onderzoek ingesteld naar deze woning. In deze woning werden bij een doorzoeking onder meer 65 handgranaten gevonden. De politie gaat ervan uit dat deze handgranaten onderdeel zijn van de partij van 120 stuks. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de verschillende tapgesprekken gelet op hun inhoud en de volgorde in tijd en de deelnemers onmiskenbaar met elkaar verband houden. Op basis van het voorgaande in samenhang bezien met het feit dat er in de woning aan de [adres delict] precies 65 handgranaten zijn gevonden, terwijl er in totaal 55 stuks (53 aan de verdachte en 2 aan [naam medeverdachte 1] ) zijn geleverd, hetgeen samen 120 maakt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op 8 september 2005 aan de verdachte 53 handgranaten zijn geleverd. Dat leidt voorts tot de conclusie dat de verdachte in ieder geval op deze datum deze 53 handgranaten voorhanden heeft gehad. Hoewel er in het dossier ook aanwijzingen zijn dat de verdachte deze handgranaten vervolgens aan derden heeft overgedragen, bevat het dossier onvoldoende bewijs om met de wettelijk vereiste mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat, hoe en waar de verdachte deze 53 handgranaten heeft verhandeld. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Het subsidiair ten laste gelegde feit acht de rechtbank, zoals al gezegd, op grond van het voorgaande wel wettig en overtuigend bewezen. Omdat er in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig is dat de verdachte de handgranaten tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad, zal de rechtbank hem vrijspreken van het (eveneens) ten laste gelegde medeplegen. 5.1.3. Conclusie Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Bewezen is dat de verdachte 53 granaten voorhanden heeft gehad. 5.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 08 september 2005, althans in of omstreeks de periode van 30 augustus 2005 tot en met 9 september 2005, in de gemeente Utrecht en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder erkenning één of meer wapens van categorie II, te weten, 53, althans één of meer, handgranaten, zijnde (een) voorwerp(
- en)bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 6Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: Subsidiair, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 7Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 8Motivering straf 8.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 8.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft een grote hoeveelheid handgranaten voorhanden gehad. De rechtbank rekent dat de verdachte sterk aan. Dergelijke wapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven, soms met ingrijpende gevolgen. Een handgranaat is gemaakt om in een ruimere omgeving aan mensen dodelijk en ernstig lichamelijk letsel toe te brengen: in essentie is het een oorlogswapen. Het (mogelijke) gebruik ervan veroorzaakt dan ook ernstig gevaar en leidt tot ernstige gevoelens van onveiligheid. De schade die had kunnen worden aangebracht door het gebruik van een of meer handgranaten is enorm. Daarom moet zeer streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van zware wapens, zoals handgranaten. 8.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 8.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte geen recente veroordelingen op zijn naam heeft staan en overigens ook niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 8.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van het feit is in beginsel een forse onvoorwaardelijk gevangenisstraf van een aantal jaar zonder meer gerechtvaardigd. De rechtbank weegt echter mee dat het feit in 2005 is gepleegd en dat dit soort feiten toen als minder zwaar werden beoordeeld. Pas in de laatste jaren heeft de samenleving bij herhaling moeten verwerken wat illegale (zware) wapens teweeg kunnen brengen. De rechtbank weegt in strafmatigende zin mee dat de strafzaak zeer lang heeft geduurd. Bij de berechting van een strafzaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is het uitganspunt dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. Die termijn begint te lopen vanaf het moment waarop een verdachte in redelijkheid de verwachting kon hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte wordt in deze zaak als een zodanig moment aangemerkt. De verdachte is op 19 juni 2007 in verzekering gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter sprake van bijzondere omstandigheden, in die zin dat de vertraging in de vervolging van de verdachte voor een belangrijk deel het gevolg is van het (door de rechtbank gehonoreerde) verzoek tot het horen van drie getuigen. De vertraging komt zodoende voor een gedeelte voor rekening van de verdachte. Het feit dat de betreffende getuigen uiteindelijk onvindbaar zijn gebleken, maakt dat oordeel niet anders. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten en dat hij ook na 2005, voor zover bekend, geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Algemene afsluiting Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging; verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt; stelt als algemene voorwaarde: de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. W.A.F. Damen, voorzitter, en mrs. J. Bergen en M. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 08 september 2005, althans in of omstreeks de periode van 30 augustus 2005 tot en met 9 september 2005, in de gemeente Utrecht en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder erkenning één of meer wapens van categorie II, te weten 53, althans één of meer, handgranaten, zijnde (een) voorwerp(
- en)bestemd tot het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, heeft vervaardigd, getransformeerd en/of in de uitoefening van een bedrijf heeft uitgewisseld en/of verhuurd en/of anderszins ter beschikking gesteld en/of hersteld en/of beproefd en/of verhandeld aan één of meer tot nu toe onbekend gebleven personen; art 31 lid 1 Wet wapens en munitie Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 08 september 2005, althans in of omstreeks de periode van 30 augustus 2005 tot en met 9 september 2005, in de gemeente Utrecht en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder erkenning één of meer wapens van categorie II, te weten; 53, althans één of meer, handgranaten, zijnde (een) voorwerp(
- en)bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad; art 26 lid 1 Wet wapens en munitie De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;