vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/497374 / HA ZA 16-268 ( [eiser] vs. [gedaagde 1] ) en C/10/525611 / HA ZA 17-407 ( [eiser] vs. Allianz) Vonnis van 6 december 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. W.A. van Veen te Utrecht, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de naamloze vennootschap ALLIANZ BENELUX N.V., rechtsopvolgster van LONDON VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Brussel, België, tevens kantoorhoudende in Rotterdam, gedaagden, advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en Allianz worden genoemd 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 maart 2016, met producties het vonnis in het incident van 12 oktober 2016 en de daarin genoemde processtukken de akte inbreng producties zijdens Allianz en [gedaagde 1] van 21 september 2016 de akte tot aanvulling van de dagvaarding de conclusie van antwoord , met producties de brief van 8 februari 2017 waarbij de zitting is bepaald het proces-verbaal van de op 28 maart 2017 gehouden meervoudige comparitie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] , in 2001 van beroep dierenarts landbouwhuisdieren, is thans 56 jaar oud. 2.2. Op 2 februari 2001 is [eiser] om hulp verzocht omdat het paard van [gedaagde 1] in een sloot terecht was gekomen. Toen [eiser] een kalmerende injectie wilde toedienen heeft hij, als gevolg van een gedraging van het paard, letsel opgelopen aan zijn rechterknie. 2.3. Op 3 mei 2001 werd bij [eiser] een kruisbandreconstructie uitgevoerd. In november 2001 is hij weer gaan werken. Vanaf februari 2002 is hij weer diensten gaan draaien. 2.4. Op 4 oktober 2005 is [eiser] door zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Movir 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Tot zijn 60e levensjaar ontvangt hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 82.000,- per jaar. 2.5. Bij brief van 24 januari 2006 heeft [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor zijn schade als gevolg van een gedraging van het paard. 2.6. Bij brief van 27 juni 2007 is namens London Verzekeringen N.V. (de rechtsvoorganger van Allianz, hierna: London of Allianz), de verzekeraar van [gedaagde 1] onder een door haar gesloten aansprakelijkheidsverzekering (hierna ook: AVP) het volgende aan de advocaat van [eiser] medegedeeld: “Gegeven het relaas van uw cliënt hebben wij de gehele kwestie voorgelegd aan onze raadsman. Deze stelt de gehele zaak overziend dat de verzekerde van London inderdaad volledig aansprakelijk moet worden gehouden voor de gevolgen van het voorval dat plaatsvond op 2 februari 2001. Wij zien uw schaderegelingsinzichten graag tegemoet.” 2.7. Na opzegging van de maatschapsovereenkomst door de andere maten, is [eiser] sinds 1 juli 2007 geen lid meer van de maatschap van dierenartsen waarvan hij deel uitmaakte. Een arbitrale procedure heeft geleid tot een arbitraal eindvonnis van 8 juni 2009. 2.8. In het kader van het hoger beroep tegen een beschikking van 8 april 2014 in een deelgeschilprocedure tussen [eiser] en London waarbij zowel het verzoek van London om een hernieuwd deskundigenbericht te gelasten als het verzoek van [eiser] om een arbeidskundig onderzoek te gelasten werd afgewezen, zijn London en [eiser] op 8 januari 2015 ter zitting van het Hof Den Haag – voor zover van belang – het volgende overeengekomen: 1. “Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de post verlies arbeidsvermogen en buitengerechtelijke kosten. 2. London betaalt aan [eiser] ter zake van de hieronder genoemde posten, waarover partijen wel overeenstemming hebben bereikt, een schadevergoeding van € 40.000,--, zulks als aanvulling op het reeds onder algemene titel betaalde voorschot van € 80.000,--, a. Kosten ontvlechten maatschap b. Smartengeld c. Verlies zelfwerkzaamheid d. Eigen bijdragen diverse medische kosten e. Betaalde premies AOV voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid f. De wettelijke rente over de hierboven onder 2. genoemde posten” 2.9. Allianz heeft aan [eiser] , conform de hiervoor bedoelde vaststellingsovereenkomst, voorschotten betaald tot een totaalbedrag van € 120.000,-. 3De vordering 3.1. [eiser] vordert (kort gezegd) om [gedaagde 1] en London hoofdelijk te veroordelen tot: 1. betaling aan [eiser] van een bedrag aan verlies van arbeidsvermogen: primair: ter grootte van € 1.041.153,-, dan wel subsidiair: gemaximeerd tot de verzekerde som van € 370.532,59 (naar de rechtbank begrijpt ten aanzien van Allianz en daarnaast) [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 670.620,41 wegens schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen ; 2. betaling van de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de kapitalisatiedatum 1 juli 2007; 3. betaling aan [eiser] van € 71.765,- aan kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en schade, verbonden aan de werkzaamheden van Wout van Veen Advocaten inclusief die van het Nederlands Rekencentrum Letselschade; 4. verstrekking aan [eiser] van een schriftelijke belastinggarantie met de tekst zoals in het fundamentum petendi weergegeven, op straffe van een dwangsom; 5. (betaling) van de resterende materiële schade, te weten toekomstige onkosten, waaronder kosten van woningaanpassing en hulpmiddelen, als gevolg van een verslechterende medische situatie, nader op te maken bij staat met verwijzing hiervoor naar de schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata; 6. vergoeding van de proceskosten. 3.2. Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Het letsel is ontstaan als gevolg van een beweging uit eigen energie van het paard, zodat [gedaagde 1] daarvoor als eigenaresse van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk is. Op basis van de aansprakelijkheidsverzekering tussen Allianz en [gedaagde 1] , is Allianz gehouden dekking te verlenen en de schade in elk geval tot het verzekerd bedrag te vergoeden. 3.3. [eiser] kan zijn werkzaamheden als dierenarts landbouwhuisdieren niet meer uitoefenen. Nadat de maten de dierenartsenmaatschap waarvan [eiser] deel uitmaakte hebben opgezegd in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] , is hij daarvan sinds 1 juli 2007 geen lid meer. Vanwege zijn beperkingen heeft [eiser] geen ander passend werk kunnen vinden. In verband met zijn verslechterende situatie zal [eiser] in de toekomst kosten moeten maken voor woningaanpassing en hulpmiddelen. 3.4. Voor wat betreft de hoogte van de schade verwijst [eiser] – met inachtneming van enkele aanpassingen – naar de door hem overgelegde NRL-rapportages. Dat het aanvullend medisch onderzoek en het overeengekomen arbeidskundig onderzoek tot op heden niet hebben plaatsgevonden is volgens [eiser] aan Allianz te wijten. Hij stelt zich op het standpunt dat het rapport van Dörr Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Dörr) als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten wegens strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van Verzekeraars (hierna: GPO) dat door Allianz getracht is te omzeilen, de Wet bescherming persoonsgegevens en de Privacygedragscode Particuliere Onderzoeksbureaus. Dit onderzoek is ook onrechtmatig omdat er geen grond was voor het onderzoek en het onderzoek disproportioneel was doordat de inbreuk die is gemaakt op de privacy van [eiser] verder ging dan noodzakelijk was. 3.5. Ten aanzien van de subsidiaire vordering van € 370.532,59 stelt [eiser] dat indien wordt uitgegaan van de maximaal verzekerde som van € 453.780,22, de resterende vergoedingsplicht van Allianz – na aftrek van de door het NRL berekende wettelijke rente van in totaal € 69.485,00 – dat bedrag bedraagt. Daartoe is aangevoerd dat bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ter comparitie van het Hof de rente over de overeengekomen vergoeding voor de afzonderlijke schadeposten (inclusief wettelijke rente) niet is berekend, zodat deze ponds-ponds-gewijs over hoofdsom en rente moet worden verdeeld. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] de schade zal moeten vergoeden voor zover deze niet gedekt is onder haar verzekering. 3.6. Voor wat betreft de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente stelt [eiser] dat de kapitalisatiedatum moet worden bepaald op de datum van opzegging van de maatschapsovereenkomst. [eiser] stelt recht op en belang bij de gevorderde belastinggarantie te hebben. Verder vordert hij de door zijn rechtsbijstandsverzekeraar voorgeschoten, werkelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. 4Het verweer Allianz 4.1. Het verweer van Allianz strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Daartoe is volgende aangevoerd. Gelet op artikel 5a van de maatschapsovereenkomst waarin – in verband met aansprakelijkheid van cliënten jegens maten/dierenartsen voor eventuele letselschade in verband met de praktijktuitoefening– de verplichting was opgenomen om een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten, was in de contractuele relatie tussen [eiser] en [gedaagde 1] sprake van een stilzwijgende afwijking van artikel 6:179 BW. Bij de erkenning van de aansprakelijkheid door Allianz is gedwaald ten aanzien van deze voor de aansprakelijkheidsvraag relevante omstandigheid. Bovendien is niet voldaan aan de vereisten van artikel 6:179 BW omdat het paard reageerde op de door [eiser] toegediende injectie. Van een gedraging uit eigen energie, dan wel van een onberekenbare actie van het paard, was dus geen sprake. Er is sprake van zodanige eigen schuld van [eiser] dat de verplichting tot schadevergoeding geheel teniet gaat. Het geven van een injectie was in de gegeven omstandigheden een ongebruikelijke en onverantwoorde keuze. [eiser] heeft daarover geen overleg gevoerd met de aanwezige brandweer hoewel die hem, net als het nichtje van [gedaagde 1] , waarschuwde. 4.2. Allianz betwist voorts de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen. Daartoe is onder meer verwezen naar het rapport van Dörr. In reactie op de gestelde onrechtmatigheid van dat rapport is aangevoerd dat het GPO niet van toepassing is en niet is omzeild omdat de werkgever van de echtgenoot van [gedaagde 1] zelfstandig opdracht heeft gegeven voor het rapport, terwijl Allianz daarvan pas later op de hoogte was. Allianz stelt zich op het standpunt dat de GPO-toets kan worden doorstaan, onder meer omdat sprake was van een redelijk vermoeden dat [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven en het onderzoek – mede gelet op het aanzienlijk financieel belang – proportioneel was. Voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs, betoogt Allianz dat geen sprake is van bijzondere of bijkomende omstandigheden om af te wijken van het beginsel dat het algemeen belang bij de materiële waarheid en het aannemelijk maken van stellingen zwaarder weegt dan het belang bij uitsluiting van bewijs. Van een ernstige schending van de privacy van [eiser] was geen sprake, omdat het onderzoek is uitgevoerd door een deugdelijk recherchebureau met de vereiste vergunningen en heeft plaatsgevonden op gezette tijden, nagenoeg uitsluitend vanuit publieke ruimtes. 4.3. Allianz weerspreekt daarnaast het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten en beperkingen. Zij stelt zich op het standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] mede wordt veroorzaakt door (pre-existente) rugklachten. Het rapport van [arts] kan volgens Allianz niet tot uitgangspunt worden genomen, zowel vanwege de wijze van totstandkoming daarvan, als vanwege de onjuistheid van de gestelde diagnose in verband met het negeren van de invloed van de pre-existente rugklachten. Allianz meent dat, mede gelet op de kritiek van haar medisch adviseur MEDAS en orthopedisch chirurg [chirurg] , een nieuwe expertise noodzakelijk is. 4.4. Allianz voert voorts, met verwijzing naar de omstandigheid dat [eiser] na het ongeval eerst nog vijf jaar heeft doorgewerkt en naar documenten en verklaringen waaruit blijkt dat hij ook nadien nog diverse werkzaamheden heeft verricht (met name als huisarts kleine huisdieren tussen oktober 2005 en juni 2006), verweer tegen de gestelde aantasting van de verdiencapaciteit. Verder heeft zij bezwaren geuit tegen de door het NRL gehanteerde uitgangspunten bij de berekening van de omvang van de schade. 4.5. Allianz stelt daarnaast dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn plicht om zijn schade te beperken door aanvankelijk niet met een wandelstok te lopen en geen gebruik te maken van het hulpaanbod van London en Movir bij het opzetten van een dierenartsenpraktijk voor kleine huisdieren. 4.6. Allianz stelt zich op het standpunt dat zij in verband met de hoogte van de verzekerde som – na aftrek van het reeds betaalde voorschot – maximaal veroordeeld kan worden tot betaling van een bedrag van € 333.780.22, zijnde het restant van de maximale dekking van € 453.780,22 minus het voorschot van in totaal € 120.000,-. Zij betoogt dat de regeling bij het Hof over de andere schadeposten een, ook ten aanzien van de niet geconcretiseerde rente, allesomvattende regeling betrof. Anders meent zij dat ervan uitgegaan moet worden dat een bedrag van € 10.000,- zag op wettelijke rente, zodat de resterende dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering € 343.780,22 zou bedragen. 4.7. Ten aanzien van de gevorderde resterende materiële schade stelt Allianz zich op het standpunt dat deze geacht moeten worden te zijn meegenomen in de ter comparitie van het Hof gesloten vaststellingsovereenkomst die betrekking had op alle andere posten dan het verlies aan arbeidsvermogen en de buitengerechtelijke incassokosten, en dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld voor verwijzing naar de schadestaat. Voorts is verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, de gevorderde kapitalisatiedatum als ingangsdatum van de wettelijke rente en de gevorderde hoofdelijkheid. [gedaagde 1] 4.8. Ook [gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Zij stelt niet gebonden te zijn aan de erkenning van de aansprakelijkheid door Allianz omdat zij daarmee nooit heeft ingestemd. Zij is pas bij de kwestie betrokken geraakt toen de gevorderde schade de verzekerde som bleek te overstijgen en heeft nooit verklaard dat zij de behandeling geheel en al aan de verzekeraar zou overlaten. Aan enige mededeling of gedraging van London/Allianz kan zij in redelijkheid niet zijn gebonden. 4.9. [gedaagde 1] voert dezelfde verweren als Allianz, hierboven onder 4.1 tot en met 4.5 en onder 4.7 weergegeven. Ten aanzien van het rapport van Dörr stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat zij in rechte in elk geval een beroep kan doen op de uitkomsten van dat onderzoek, omdat zij niet aan het GPO is gebonden. 4.10. [gedaagde 1] heeft, voor het geval de toewijsbare schadevergoeding de maximale dekking overstijgt, een beroep op matiging gedaan in verband met de voor haar onaanvaardbare gevolgen. Daartoe is het volgende aangevoerd. [gedaagde 1] en haar gezin beschikken niet over vermogen en een veroordeling tot vergoeding van de gevorderde schade zou tot persoonlijk faillissement leiden. [gedaagde 1] had aan haar verplichtingen voldaan door zich adequaat te verzekeren. Zij heeft zich hierover door haar tussenpersoon laten adviseren en heeft daarbij haar bezit van het paard uitdrukkelijk besproken. 5De beoordeling in de zaak tegen Allianz aansprakelijkheid 5.1. [eiser] heeft Allianz niet direct aangesproken in de zin van artikel 7:954 BW. Nadat [eiser] bij brief van 24 januari 2006 [gedaagde 1] op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk had gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden (im)materiële schade, heeft Allianz de afhandeling feitelijk overgenomen. Blijkens de brief van 27 juni 2007 heeft Allianz de aansprakelijkheid namens [gedaagde 1] erkend, maar dan wel tot maximaal de hoogte van de door Allianz verzekerde som. Tot dat oordeel komt de rechtbank op grond van de navolgende overwegingen. 5.2. Dat de brief van 27 juni 2007 een duidelijke en onvoorwaardelijke erkenning van de aansprakelijkheid inhoudt is niet in geschil. Het staat een aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel niet vrij om terug te komen van een jegens een derde gedane erkenning dat zijn verzekerde jegens die derde aansprakelijk is. Zo is, wanneer een verzekeraar tot de erkenning van aansprakelijkheid is gekomen op grond van een rapport van een door hem ingeschakelde deskundige, daarvoor de enkele omstandigheid dat nadien een andere deskundige een andere visie omtrent de aansprakelijkheid geeft of het eerdere onderzoek als ondeugdelijk aanmerkt, niet voldoende, aangezien de omstandigheid dat het rapport van de deskundige achteraf onjuist of ondeugdelijk wordt bevonden krachtens de in het verkeer geldende opvattingen in de verhouding tot de derde voor rekening van de verzekeraar en diens verzekerde behoort te komen (zie Hoge Raad 10 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0470, NJ 1992/606 en HR 19-09-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8270, NJ 2003/619). Een verzekeraar is echter niet aan haar erkenning gebonden als komt vast te staan dat zij tot die erkenning is gekomen onder invloed van bedrog (artikel 3:44 BW), aangezien het dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij aan zijn erkenning wordt gehouden (zie Gerechtshof Den Haag 29 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2546). 5.3. Zelfs indien de op grond van de maatschapsovereenkomst verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering als een stilzwijgende afwijking van artikel 6:179 BW zou worden aangemerkt en/of de feitelijke toedracht van het ongeval geen aansprakelijkheid op grond van dat artikel zou opleveren, geldt dat gesteld noch gebleken is dat een onjuiste voorstelling daarover aan [eiser] is te wijten, zodat van bedrog of een daaraan gelijk te stellen omstandigheid in ieder geval geen sprake is. Verwacht mag worden dat de erkenning van de aansprakelijkheid door Allianz was gefundeerd op een behoorlijk onderzoek. Voor zover de resultaten van een bijna tien jaar later verricht onderzoek aanleiding geven om het eerdere onderzoek ondeugdelijk te bevinden, dient dat krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van Allianz te komen, zodat het beroep op dwaling bij de gedane erkenning niet opgaat. 5.4. Gelet op het voorgaande is Allianz aan de erkenning van de aansprakelijkheid gebonden. Bovendien hebben partijen in de deelgeschilprocedure in hoger beroep ter beëindiging van de onzekerheid en het geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt reeds een vaststellingsovereenkomst gesloten. Ook dat gegeven brengt mee, dat Allianz nu aan de erkenning gebonden is. resterende schade 5.5. In de door partijen op 8 januari 2015 gesloten vaststellingsovereenkomst ten aanzien van een deel van de schade is onder 1. vermeld dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de post verlies arbeidsvermogen en de buitengerechtelijke kosten. Onder 2 is een bedrag aan schadevergoeding genoemd voor een vijftal andere posten en de wettelijke rente daarover. Thans is in geschil of [eiser] in dit stadium vergoeding kan vorderen van een nieuwe schadepost, te weten de resterende materiële schade. 5.6. Voorop staat dat het ook voor de uitleg van een vaststellingsovereenkomst aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud daarvan mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:2004:AO1948). Bij de uitleg van de onderhavige vaststellingsovereenkomst zal rekening worden gehouden met de omstandigheid dat beide partijen bij het sluiten daarvan werden vertegenwoordigd en/of bijgestaan door deskundige raadslieden. 5.7. Als uitgangspunt moet worden genomen dat partijen beoogden zoveel mogelijk een einde te maken aan de tussen hen bestaande onzekerheid en de geschillen die aanleiding hadden gegeven voor de procedure. In dat licht bezien, in combinatie met de omstandigheid dat partijen onder punt 1 uitdrukkelijk twee schadeposten hebben gereserveerd, moet de vaststellingsovereenkomst aldus worden uitgelegd dat daarmee beoogd werd de omvang van de overige schade bindend vast te stellen. De regeling moet daarom geacht worden alle andere schadeposten, inclusief de rente daarover, te omvatten. Een voorbehoud ter zake van mogelijk later intredende schade is niet gemaakt. Dat geldt ook voor toekomstige kosten van woningaanpassing en hulpmiddelen. Dat [eiser] die ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst wellicht nog niet had voorzien doet daaraan niet af. Het betreft hier schadeposten die, in het algemeen gesproken, voorzienbaar waren en de wederpartij mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat ook deze posten onder het bereik van de vaststellingsovereenkomst vielen.. Dit dient tot afwijzing van vordering tot vergoeding van resterende materiële schade te leiden, zodat van verwijzing naar de schadestaat geen sprake kan zijn. 5.8. Gelet op het voorgaande ziet het geschil thans uitsluitend op de omvang van het verlies van arbeidsvermogen en de buitengerechtelijke incassokosten. Op de rente wordt onder 5.23 teruggekomen. verlies aan arbeidsvermogen 5.9. Om het verlies aan arbeidsvermogen vast te kunnen stellen moet duidelijk zijn wat het letsel ten gevolge van het ongeval is, in hoeverre dat beperkingen oplevert en wat de gevolgen daarvan zijn voor het vermogen om inkomen te verwerven. Het causaal verband tussen het letsel/de beperkingen en het ongeval maakt daarvan dus deel uit. 5.10. Partijen zijn na onderling overleg overeengekomen om het letsel van [eiser] door middel van een orthopedische expertise door chirurg-traumatoloog dr. [arts] in kaart te brengen. Deze arts heeft op 6 februari 2012 een rapportage uitgebracht, nadat eerst [eiser] en later London op het concept hadden gereageerd. Daarin is – voor zover van belang – het volgende weergegeven: “- Status na valgiserend knietrauma rechts. Daarbij ontstonden een laterale collaterale bandlaesie, een voorste (kruis)bandlaesie en een mediale meniscusachterhoorn laesie, waarvoor een voorste kruisbandreconstructie en een valgiserende tibiakop osteotomie werden verricht. - Milde posttraumatische dystrofie-1, goed reagerend op Lyrica-medicatie; - Pre-existent beenlengteverschil van 1,7 cm ten nadele van rechts, ten gevolge waarvan er sprake is van een redresseerbare scoliose van de wervelkolom met discopathiën op meerdere lumbale niveaus; - Er is sprake van pre-existente recidiverende lage rugklachten met daarbij een scoliose, die na het ongeval verergerden. Thans zijn de rugklachten weer op het pre-traumatisch niveau. - In de toekomst dient er rekening te worden gehouden met een toenemende slijtage van de rechterknie als gevolg van de status na het voorste kruisbandletsel en een partiële meniscectomie. Tevens bestaat er bij hernieuwde traumata kans op een opleving van de posttraumatische dystrofie-1 verschijnselen. - Functieverlies volgens de AMA-guides: 10 % + 9% = 18% blijvende invaliditeit van de gehele persoon - Belastbaarheidsprofiel: Niet beperkt zijn (onder meer) zitten, gebogen werken, hand- en vingergebruik, tillen en dragen tot 10 kilo, koude. Licht beperkt zijn duwen/trekken en vibratiebelasting. Matig beperkt zijn staan en persoonlijk risico (in het verkeer). Matig tot sterk beperkt zijn lopen, traplopen en knielen, hurken, kruipen. Sterk beperkt zijn rennen, klimmen en klauteren.” 5.11. London heeft vervolgens in een deelgeschilprocedure verzocht om een hernieuwd deskundigenbericht te gelasten en daartoe orthopedisch chirurg [chirurg] te benoemen omdat het rapport van [arts] , volgens haar, niet voldeed aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen. [eiser] heeft in een afzonderlijke deelgeschilprocedure de bepaling van een arbeidsdeskundig onderzoek verzocht. Bij haar verweer daartegen heeft London haar bezwaren tegen het rapport van [arts] herhaald, zich op het standpunt gesteld dat het rapport niet als uitgangspunt kan dienen bij de verdere schadeafwikkeling en gewezen op nieuwe klachten en/of beperkingen van [eiser] . Bij zelfstandig tegenverzoek heeft zij het verzoek een hernieuwd orthopedisch onderzoek te gelasten herhaald. In een beschikking van 8 april 2014 in beide procedures heeft deze rechtbank het verzoek van London wegens strijd met de goede procesorde afgewezen. Het verzoek van [eiser] om een arbeidsdeskundig onderzoek te bepalen werd blijkens de overwegingen afgewezen als zijnde prematuur omdat in verband met ‘nieuwe’ c.q. verergerde klachten/beperkingen aanvullende vragen aan [arts] dienden te worden gesteld. 5.12. London is tegen voornoemd vonnis in beroep gegaan. Bij beschikking van 16 juni 2015 heeft het Hof Den Haag, in aansluiting bij de overwegingen van de rechtbank, geoordeeld dat de eisen van een goede procesorde zich verzetten tegen het gelasten van een (geheel) nieuw orthopedisch onderzoek. Daarbij werd overwogen dat de totstandkoming van het rapport deugdelijk was, dat de bevindingen voldoende consistent, onderbouwd en toetsbaar zijn en dat de bezwaren (zo nodig) in een –deze- bodemprocedure kunnen worden aangevoerd. 5.13. Allianz heeft haar bezwaren tegen het rapport – onder meer met verwijzing naar de kritiek van haar medisch adviseur MEDAS en die van orthopedisch chirurg [chirurg] – in de onderhavige procedure herhaald. De kritiek heeft met name betrekking op de invloed die door [eiser] zou zijn uitgeoefend bij de totstandkoming van het rapport, het gewicht dat aan de mogelijke predispositie bij [eiser] is toegekend en de diagnose posttraumatische dystrofie. 5.14. Partijen zijn het indertijd eens geworden over de inschakeling van [arts] als deskundige, alsmede over de aan hem te stellen vragen. Zijn deskundigheid staat niet ter discussie. Indien partijen in het kader van een onderzoek naar de schadeafwikkeling in verband met de aansprakelijkheid van één van hen, overeenkomen om gezamenlijk een medisch deskundige aan te zoeken die gezamenlijk geformuleerde vragen dient te beantwoorden, verbinden zij zich daarmee om de rapportage van de ingeschakelde deskundige in beginsel als uitgangspunt voor hun verdere afhandeling van de zaak te nemen. Dit zou anders kunnen zijn indien de rapportage ontoereikend is voor de schadeafwikkeling en/of inhoudelijk, of voor wat betreft de wijze van totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. Daarvan is in dit geval geen sprake. 5.15. Voor wat betreft de totstandkoming van het rapport is het weliswaar opmerkelijk dat opmerkingen van [eiser] letterlijk, in de ik-vorm, in het rapport terecht zijn gekomen. Echter, gelet op het als productie 32 bij conclusie van antwoord overgelegde concept-rapport waarin de door [eiser] voorgestelde inhoudelijke wijzigingen zichtbaar zijn, is inzichtelijk welke opmerkingen van [eiser] ten aanzien van de anamnese zijn verwerkt in de tekst van het definitieve rapport. Hierdoor is duidelijk of en in hoeverre de door [eiser] anamnestisch verstrekte informatie van invloed is geweest op de bevindingen die op eigen onderzoek en analyse van de deskundige zijn gebaseerd. Aangezien deze voorgestelde wijzigingen ook aan Allianz ter beschikking zijn gesteld en Allianz gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren, is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Dat de (in het inzagestadium gemaakte) opmerkingen van [eiser] ten aanzien van de anamnese afbreuk zouden hebben gedaan aan de objectiviteit van [arts] , dan wel dat er onvoldoende professionele distantie zou zijn betracht, is ook thans niet (voldoende) toegelicht. 5.16. Ten aanzien van de kritiek op de in het rapport getrokken conclusies geldt dat deze terecht is aangevoerd voor zover deze betrekking hebben op de beperkingen van [eiser] . De deskundige is daarbij buiten zijn opdracht getreden. Volstaan had moeten worden met conclusies met betrekking tot het letsel. Voor wat betreft de kritiek daarop wordt aangesloten bij hetgeen het Hof in haar beschikking van 16 juni 2015 onder 7. en 8. heeft overwogen. Op dit punt wordt hierna teruggekomen. Verder is niet gebleken van (al
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.