Rechtbank Rotterdam Team insolventie tussentijdse beëindiging insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 9 oktober 2018 Bij vonnis van deze rechtbank van 3 juli 2017 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van: [naam] , [adres] [woonplaats] schuldenares, bewindvoerder: L. Hordijk. 1De procedure De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 21 augustus 2018 met dit verzoek ingestemd. Op 11 september 2018 heeft de rechtbank een e-mail ontvangen van schuldenares met bijlagen. De bewindvoerder heeft op 27 september 2018 een brief naar de rechtbank gestuurd met daarin de laatste stand van zaken. De bewindvoerder en schuldenares zijn gehoord ter terechtzitting van 2 oktober 2018. De rechtbank heeft geen kennis genomen van het na de zitting door schuldenares aan de rechtbank toegezonden bericht met bijlagen omdat de behandeling toen al gesloten was. De uitspraak is bepaald op heden. 2De standpunten Voordracht tot tussentijdse beëindiging Als grond voor de voordracht is door de bewindvoerder aangevoerd dat sprake is van tekortkomingen in de nakoming van de informatie–, sollicitatie– en afdrachtverplichting. Schuldenares heeft de bewindvoerder onder meer niet geïnformeerd over het besluit op haar bezwaar tegen de beslissing van de gemeente Rotterdam inzake het terugvorderen van haar uitkering over de periode 10 mei 2016 tot 30 juni 2017. Daarnaast heeft schuldenares vanaf oktober 2017 niet aantoonbaar voldaan aan de sollicitatieverplichting. Ook is een achterstand in de boedelafdracht van € 4.834,80 ontstaan. De achterstand is ontstaan omdat schuldenares een verhuiskostenvergoeding heeft ontvangen, maar slechts voor een gering bedrag daartegenover staande uitgaven heeft verantwoord. Volgens de bewindvoerder is ook sprake van feiten en omstandigheden die bij toelating niet bekend waren en die, als zij toen wel bekend waren geweest, reden zouden zijn geweest voor afwijzing van het verzoek. De totale schuldenlast blijkt veel hoger te zijn dan uit de verklaring van de gemeente ex artikel 285 Faillissementswet blijkt (€ 184,289,63 in plaats van € 130.211,04, nog te verhogen met de teruggevorderde uitkering van de gemeente). Deze hogere schuldenlast is met name terug te voeren op hogere vorderingen van de Belastingdienst: ten tijde van de toelating had schuldenares opgegeven voor een bedrag van € 30.970,- schulden te hebben bij de Belastingdienst (waaronder terugvorderingen kinderopvangtoeslag 2009 t/m 2013 en kindgebonden budget 2014 en 2015); thans heeft de Belastingdienst voor een bedrag van € 63.901,- vorderingen ingediend (waaronder een terugvordering van € 19.033,- ter zake van kinderopvangtoeslag 2016 en een terugvordering van € 30.340,- ter zake van kinderopvangtoeslag over 2017). Stand van zaken van de bewindvoerder van 27 september 2018 In deze fax heeft de bewindvoerder bericht dat schuldenares hem uiteindelijk het besluit op haar bezwaar ten aanzien van de terugvordering van de uitkering heeft toegestuurd. Uit dit besluit van 29 mei 2018 blijkt dat de gemeente Rotterdam het bezwaar deels gegrond heeft verklaard en thans nog alleen de bijstandsuitkering ten bedrage van € 6.590,27 terugvordert over de periode 10 mei 2016 tot en met 30 juni 2017. Voor wat betreft de tekortkoming in de sollicitatieverplichting hebben zich geen wijzigingen voorgedaan: schuldenares heeft over de periode na oktober 2017 geen sollicitatiebewijzen overlegd. Dat schuldenares per 1 augustus 2018 een baan heeft op basis van een 0-urencontract doet hier niet aan af; daarmee is de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting vanaf oktober 2017 immers niet hersteld. De boedelachterstand bedraagt € 4.774,80, aldus de bewindvoerder. Ter zitting van 2 oktober 2018 Schuldenares heeft ter zitting verklaard dat haar beschermingsbewindvoerder op de hoogte is van de zitting. De reden voor de afwezigheid van de beschermingsbewindvoerder is schuldenares niet bekend. Schuldenares heeft ter zitting verklaard dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de gemeente Rotterdam van 29 mei 2018 inzake de terugvordering van de uitkering. Naar eigen zeggen heeft zij dit besluit niet thuis ontvangen, ondanks het feit dat dit op haar naam en adres staat. Schuldenares heeft daarnaast verklaard dat zij vanaf oktober 2017 wel (voldoende) heeft gesolliciteerd. Tot februari 2018 heeft zij de sollicitatiebewijzen aan haar beschermingsbewindvoerder gestuurd. De beschermingsbewindvoerder had toegezegd deze door te sturen naar de bewindvoerder. Na februari 2018 heeft schuldenares geen sollicitaties meer opgestuurd. Zij heeft inmiddels wel een baan gevonden: zij heeft een 0-urencontract bij Ziggo. Op advies van de beschermingsbewindvoerder is zij nog niet begonnen met werken maar heeft zij de aanvangsdatum verschoven naar 1 november 2018. Vanwege de mogelijke tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zou het niet verstandig zijn aan het werk te gaan en opvang voor de kinderen te regelen. Met betrekking tot de ontstane boedelachterstand heeft schuldenares gesteld dat zij het volledige bedrag dat zij aan verhuiskostenvergoeding heeft ontvangen, heeft besteed aan noodzakelijke uitgaven. Het is echter niet mogelijk om al die uitgaven te verantwoorden, omdat zij veel aankopen heeft gedaan via Marktplaats. Zij heeft de beschermingsbewindvoerder gevraagd om haar de bankafschriften te verstrekken. Zij wist niet dat zij over 2016 en 2017 aanspraak heeft gemaakt op kinderopvangtoeslag. Ook heeft zij geen beslissing ontvangen van de Belastingdienst waarin staat dat zij de toeslag over 2016 en 2017 moet terugbetalen. De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de verhoogde schuldenlast grotendeels het gevolg is van de toename van de schuld bij de Belastingdienst. Mogelijk is daarbij de over 2016 en 2017 toegekende kinderopvangtoeslag (deels) verrekend met een oudere schuld bij de Belastingdienst. Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat de tekortkomingen zodanig zijn dat hij zijn advies handhaaft om de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei te beëindigen. 3De beoordeling De rechtbank is van oordeel dat er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste lid, Fw. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen gedurende de schuldsaneringsregeling. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de behandeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op 13 april 2017 is de schuld aan de Belastingdienst, die voor een bedrag van € 29.890,- op de lijst stond, besproken. Bij het verzoek was een overzicht gevoegd van 8 augustus 2016, waaruit bleek dat de schuld aan de Belastingdienst onder meer betrekking had op terugvorderingen kinderopvangtoeslag 2010 t/m 2013 en kindgebonden budget 2014 en 2015. Schuldenares heeft de rechtbank toen niet laten weten dat zij ook in 2016 en 2017 aanspraak had gemaakt op kinderopvangtoeslag. Dit had wel op haar weg gelegen, nu over de daaraan voorafgaande jaren forse bedragen aan ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag zijn teruggevorderd. Dit roept immers de vraag op of over 2016 en 2017 wel recht is op kinderopvangtoeslag en in hoeverre, in het verlengde daarvan, het risico bestaat dat ook over deze jaren (forse) bedragen zullen worden teruggevorderd. Dit risico heeft zich thans verwezenlijkt in de vorm van de terugvorderingen door de Belastingdienst van € 19.033,- over 2016 en € 30.340,- over 2017. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig wordt geïnformeerd. Verzoekster heeft dat niet gedaan. Het valt verzoekster extra te verwijten dat zij de kinderopvangtoeslag over 2016 en 2017 heeft laten doorlopen nu zij al forse terugvorderingen over daaraan voorafgaande jaren onbetaald heeft gelaten. Deze (toename van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.