Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/660352-17 Datum uitspraak: 20 december 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam. 1Onderzoek op de terechtzitting Het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen op 18 oktober 2017 en daarna een aantal malen geschorst tot terechtzittingen op data daarna. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het (opnieuw aangevangen) onderzoek op de terechtzittingen van 3, 4 en 20 december 2018, op welke laatste terechtzitting het onderzoek is gesloten. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 18 oktober 2017 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. I.W. Streefland-Brink heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 4Vrijspraak Vrijspraak feit 1 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde (primair: medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan moord/doodslag) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Vrijspraak feit 2 Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde (medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het DNA van de verdachte is op meerdere plaatsen op het vuurwapen aangetroffen en de medeverdachte [naam medeverdachte] , met wie de verdachte bevriend was, heeft verklaard dat de verdachte wist dat hij een vuurwapen had en dat hij hem misschien wel eens heeft gezegd het vuurwapen weg te leggen als het binnen op een kast lag bijvoorbeeld. Op het moment dat de verdachte het vuurwapen heeft vastgepakt, had hij er - zij het tijdelijk en misschien kortstondig - enige beschikkingsmacht over. Beoordeling De verdachte heeft dit feit ontkend. Hij ontkent het vuurwapen op enig moment te hebben vastgehouden en heeft ook verklaard dat hij bij [naam medeverdachte] nooit een vuurwapen heeft gezien en ook niet wist dat [naam medeverdachte] een vuurwapen had. De verklaring van [naam medeverdachte] , waar de officier van justitie naar heeft verwezen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet voor het bewijs worden gebruikt. Deze verklaring is onvoldoende stellig en te vaag en ook tegenstrijdig met hetgeen [naam medeverdachte] verder heeft verklaard, namelijk dat niemand wist dat hij een vuurwapen had en hij het aan niemand heeft laten zien. Uit het door het Nederlands Forensisch Instituut verrichte DNA-onderzoek komt naar voren dat er op verschillende plaatsen op het vuurwapen DNA is aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn. Zoals de raadsman heeft aangevoerd, is echter niet uit te sluiten dat dit DNA op een andere wijze daarop terecht is gekomen dan door het voorhanden hebben daarvan. De verdachte was bevriend met [naam medeverdachte] en zat regelmatig met hem in de auto, onder andere ook als bestuurder. Gelet daarop is het niet uitgesloten dat zijn DNA bijvoorbeeld via het stuur van de auto of door fysiek contact met [naam medeverdachte] op het vuurwapen terecht is gekomen. Ook dit is daarom niet voldoende voor het bewijs. Het onder 2 ten laste gelegde is dus niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Vrijspraak feit 3 Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 ten laste gelegde (vernieling van een schuur) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdachte reed op 28 mei 2017 met de auto van [naam medeverdachte] en is daarmee na het schietincident dat die dag plaatsvond de schuur ingereden, hetgeen hij ook heeft bekend. Hij had geen rijbewijs en reed na het schietincident met hoge snelheid weg met het grote risico de controle over het stuur te verliezen. Hij heeft daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met de auto tegen de schuur zou kunnen rijden en deze daarbij zou vernielen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het vernielen van de schuur. Dat de verdachte zonder rijbewijs een auto bestuurde en na het schietincident mogelijk te hard is weggereden, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met de auto een schuur in zou rijden. Dit past ook in het geheel niet bij zijn bedoeling om snel weg te komen. Het onder 3 ten laste gelegde is dus niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5In beslag genomen voorwerpen De in beslag genomen voorwerpen (het vuurwapen, het daarbij behorende magazijn en de munitie) waren eigendom van de medeverdachte [naam medeverdachte] en de bij vonnis van 20 december 2018 in zijn zaak bewezen verklaarde feiten (moord en overtreding van de Wet wapens en munitie) zijn met behulp van respectievelijk met betrekking tot deze voorwerpen begaan. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet. Deze voorwerpen zullen daarom worden onttrokken aan het verkeer. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht. 7Benadeelde partijen Vorderingen Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] (de moeder van het slachtoffer), bijgestaan door mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching, advocaat te Rotterdam, ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. Zij vordert een vergoeding van € 9.057,80 voor geleden materiële schade, een vergoeding van € 25.000,- voor geleden immateriële schade en een vergoeding van € 15,73 voor reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzittingen op 3 en 4 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.