← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2018:11016

Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/690344-18 Datum uitspraak: 12 december 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. W. Suttorp, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 december 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A.P. de Beer heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs Rechtmatigheid verkregen bewijs Standpunt verdediging De verdediging heeft bepleit dat de in het proces-verbaal van politie beschreven camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen en daarom van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het verstrekken van de beelden is niet voorafgegaan door een vordering of anderszins toestemming. Een eventuele herkenning aan de hand van deze beelden dient dan ook buiten beschouwing te worden gelaten. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de camerabeelden rechtmatig zijn verkregen, omdat deze vrijwillig beschikbaar zijn gesteld door de woningbouwvereniging. De politie mocht dus gebruik maken van de beelden tijdens het opsporingsonderzoek en de beelden kunnen dus worden gebruikt voor het bewijs. Dit verweer wordt dan ook verworpen. Herkenning aan de hand van de camerabeelden Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte door een politieambtenaar is herkend aan de hand van camerabeelden. Beoordeling Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte betrokken is geweest bij het ten laste gelegde feit. Getuigen hebben op 9 september 2018 omstreeks 21.00 uur gezien dat drie jongens het portiek aan de [adres delict] te Rotterdam binnengingen. Een vierde jongen werd gezien op de galerij van het portiek. De getuigen zijn ook naar binnen gegaan en zagen toen dat dezelfde drie jongens zich in de woning aan de [adres delict] bevonden. De voordeur van de woning was open en had veel schade. Genoemde portiek was voorzien van camera’s en de beelden daarvan zijn uitgekeken door verbalisant [naam verbalisant] . De verbalisant heeft gerelateerd dat hij de verdachte heeft herkend aan zijn opvallend kleine en wat vollere postuur. Verder zou de verdachte zijn gekleed in een jas met aan de onderzijde een donkerkleurig gedeelte en aan de bovenzijde een lichter gekleurd vlak. De verbalisant had de verdachte op 4 september 2018 tijdens de surveillance in de wijk ook gezien in deze jas en het was hem ambtshalve bekend dat de verdachte al jaren een soortgelijke jas droeg. De verbalisant heeft zijn herkenning gebaseerd op het postuur van de verdachte, zijn loopje en de wetenschap dat hij eigenlijk altijd omgaat met andere in het proces-verbaal van politie genoemde verdachten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de verbalisant onvoldoende specifieke en onderscheidende kenmerken genoemd op basis waarvan de verdachte is herkend. Dit klemt temeer daar de verbalisant het gezicht van de verdachte niet heeft gezien. Naast genoemde herkenning is er onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen. Conclusie De verdachte zal worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 5Vordering benadeelde partij [naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 559,08 aan materiële schade. In navolging van het pleidooi van de verdediging, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu de verdachte zal worden vrijgesproken. In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding dus geen inhoudelijke beslissing genomen. Uit dit vonnis vloeit voor de verdachte dan ook geen betalingsverplichting voort. 6Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 7Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door: mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter, en mrs. A.A.T. Werner en P.E. van Althuis, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat (primair) hij op of omstreeks 09 september 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om in/uit een woning/pand gelegen aan de [adres delict] geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] en/of Vestia, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, de toegangsdeur tot die woning/dat pand heeft geforceerd en/of de woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid; (subsidiair) [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] op of omstreeks 09 september 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om in/uit een woning/pand gelegen aan de [adres delict] geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan voornoemde [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] en/of Vestia, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, de toegangsdeur tot die woning/dat pand heeft/hebben geforceerd en/of de woningen heeft/hebben betreden, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 09 september 2018 te Rotterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan ten einde die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] bij gevaar voor ontdekking/betrapping te kunnen waarschuwen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.