Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/750352-16 Datum uitspraak: 20 december 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. J.S. Spijkerman, advocaat te 's-Gravenhage. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 december
- 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, subsidiair 90 (negentig) dagen hechtenis. 4Waardering van het bewijs 4.
- Vrijspraak 4.1.
- Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) werkzaamheden heeft verricht voor [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ), het bedrijf van de verdachte, terwijl hij in dienst was bij [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ). [naam medeverdachte 1] is hiervoor betaald door [naam bedrijf 1] , danwel een (andere vennootschap van) de verdachte en heeft dit verzwegen voor zijn werkgever. Hij heeft software geleverd aan [naam bedrijf 1] en VPN-verbindingen gemaakt voor [naam bedrijf 1] , zodat de medeverdachte [naam medeverdachte 2] , die werkzaam was bij [naam bedrijf 1] , zijn werkzaamheden kon uitvoeren. Uit de tapgesprekken blijkt dat zowel [naam medeverdachte 1] , als de verdachte wísten dat [naam medeverdachte 1] de werkzaamheden niet zonder voorafgaande toestemming van [naam bedrijf 2] mocht verrichten. Naar de mening van de officier van justitie levert dit niet-ambtelijke omkoping op. 4.1.
- Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. 4.1.
- Beoordeling De verdachte wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen zich schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping van medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Om tot een bewezenverklaring van niet-ambtelijke omkoping te kunnen komen dient onder meer vast komen te staan dat [naam medeverdachte 1] de werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] heeft gedaan in dienstbetrekking bij [naam bedrijf 2] . Voor de uitleg van het bestanddeel “in dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten” heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het bestanddeel “in zijn bediening” van artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (omkoping ambtenaren). Niet is vereist dat de ambtenaar in beginsel tot de handeling bevoegd is, maar slechts dat zijn functie hem tot het verrichten van de verlangde handeling in staat stelt. Voor het verrichten van de werkzaamheden die [naam medeverdachte 1] worden verweten, het remote maken van gasmotoren/aanleggen van VPN-verbindingen, is bepaalde kennis en kunde nodig. Niet is gebleken dat de dienstbetrekking bij [naam bedrijf 2] voor uitvoeren van deze werkzaamheden van belang is geweest. Aldus is de rechtbank niet gebleken dat zijn functie [naam medeverdachte 1] tot het verrichten van de handelingen in staat heeft gesteld. Daarbij overweegt de rechtbank dat het gegeven dat [naam medeverdachte 1] de benodigde kennis en kunde zou hebben opgedaan door zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf 2] in het verleden, dit niet anders maakt. Niet is komen vast te staan dat [naam medeverdachte 1] deze kennis niet buiten [naam bedrijf 2] kan hebben opgedaan. Er zijn immers ook werknemers van andere bedrijven die soortgelijke als de verweten werkzaamheden kunnen uitvoeren. Anders ligt dit indien [naam medeverdachte 1] software en/of hardware waarover hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij [naam bedrijf 2] de beschikking had aan [naam bedrijf 1] heeft overgedragen danwel ter beschikking heeft gesteld. In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat hiervan sprake is geweest. Echter, als dit al vast zou komen te staan, dan kan op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld dat hier ‘giften of beloftes’ tegenover hebben gestaan. [naam medeverdachte 1] ontkent voor het verstrekken van software ooit enige betaling te hebben ontvangen, de facturen aan [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] die in het dossier zitten wijzen hier niet op en ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat dit het geval zou zijn geweest. Wat dus ook zij van de vraag of [naam medeverdachte 1] ooit software of hardware heeft verstrekt aan [naam bedrijf 1] , nu niet kan worden vastgesteld dat hiervoor een gift, belofte of dienst is verstrekt, kan dit niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde leiden. 4.1.
- Conclusie Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. D.L. Spierings, voorzitter, en mrs. W.J. Geurts-de Veld en A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W.A. Sonneveld-de Raad, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 augustus 2015 te Alblasserdam en/of Achtkarspelen en/of 's-Gravenzande, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan iemand, te weten [naam medeverdachte 1] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking bij [naam bedrijf 2] in de functie van Field Engineer Specialist naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 1] in dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, telkens een of meer gift(en) en/of een of meer belofte(s), te weten een of meer betaling(en) en/of het geven van een (of meer) opdracht(en) tot het verrichten van werk, al dan niet via [naam bedrijf 1] aan de eenmanszaak [naam bedrijf 4] en/of [naam medeverdachte 1] heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, redelijkerwijs moest aannemen dat die [naam medeverdachte 1] deze giften in strijd met zijn plicht zou verzwijgen tegen over zijn werkgever.