Rechtbank Rotterdam Team familie zaaknummer / rekestnummer: C/10/559175 / FA RK 18-7622 Beschikking van 19 december 2018 betreffende erkenning buitenlandse beslissing in de zaak van: [naam vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.S. Vos te Alkmaar, t e g e n [naam man] , wonende te [woonplaats man] , gemeente [gemeente] , [adres man] , hierna te noemen de man, advocaat mr. W.R.S. Ramhit te Hoofddorp. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw van 15 augustus 2018, ingekomen bij de rechtbank Noord-Holland; de beschikking van 5 september 2018, waarbij de rechtbank Noord-Holland zich onbevoegd verklaart van onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak verwijst naar de rechtbank Rotterdam; het aanvullende verzoek met bijlagen, ingekomen op 16 november 2018. 1.2. De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 november 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Vos; mr. Ramhit, de advocaat van de man; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, ter zitting vertegenwoordigd door [naam] . De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 1.3. De oudste minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 1.4. Van de zijde van de vrouw is nog een brief met bijlage ingekomen gedateerd 6 december 2018, met de originele Algerijnse echtscheidingsbeslissing. 2De vaststaande feiten 2.1. Partijen zijn de ouders van de minderjarigen: [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2001 te [geboorteplaats minderjarige 1] , en [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2007 te [geboorteplaats minderjarige 2] . 2.2. Op grond van de beslissing van de Court House of Algiers, Tribunal of El-Harrach van 29 januari 2017 is de voogdij over de kinderen, namelijk: [naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] , [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2001 en [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2007 toegekend aan de vrouw. In diezelfde beslissing is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke is ingeschreven in de daartoe bestemde registers in Algerije en in Nederland blijkt uit de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) van partijen. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank overweegt eerst als volgt. De vertaling in de Engelse taal van voormelde beslissing bevat een afwijkende schrijfwijze van de voornamen van de minderjarigen. De rechtbank sluit aan bij de schrijfwijze zoals opgenomen in de akte van geboorte van de minderjarigen en opgenomen in de BRP en zoals weergegeven onder 2.1. 3.2. Erkenning buitenlandse beslissing dan wel wijziging ouderlijk gezag 3.3. De vrouw verzoekt primair over te gaan tot erkenning van voormelde beslissing van de Court House of Algiers, Tribunal of El-Harrach van 29 januari 2017, voor zover het betreft de beslissing omtrent het gezag over de minderjarigen. Subsidiair verzoekt de vrouw te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt gewijzigd in die zin dat voortaan de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen. 3.3.1. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3.2. Tussen Nederland en Algerije is geen bilateraal erkenningsverdrag op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid gesloten en zijn andere multilaterale verdragen niet van toepassing. Daarom is het commune Nederlandse internationale erkenningsrecht, zoals bepaald in artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. 3.3.3. Op grond van artikel 431, lid 1 Rv kunnen noch beslissingen die zijn gegeven door de rechter van een vreemde staat, noch buiten Nederland verleden authentieke akten, binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of een wettelijke bepaling, een en ander als bedoeld in artikel 985 dan wel artikel 993, leden 1 en 2 Rv. Op grond van artikel 431, lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijke procedure op de voet van artikel 431, lid 2 Rv mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter. 3.3.4. Indien op de voet van artikel 431, lid 2 Rv het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt, dient deze te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent. 3.3.5. In een geding op de voet van artikel 431, lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.