Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/996628-16 Datum uitspraak: 20 december 2018 Tegenspraak (art. 279 Wetboek van Strafvordering) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon: [naam verdachte rechtspersoon] , geregistreerd en ingeschreven op het adres: [vestigingsadres verdachte rechtspersoon] , [vestigingsplaats verdachte rechtspersoon] , raadsvrouw mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 19, 20, 21, 22 en 23 november 2018 en 20 december 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd: bewezenverklaring van de feiten 1 en 2; veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 80.000,00. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding Het gaat in de strafzaak tegen de verdachte om de verdenking van deelname aan een criminele organisatie rondom onder meer de vennootschap [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) (feit 1) en om het valselijk opmaken van de administratie van [naam bedrijf 1] doordat daarin valse voorschotformulieren met salarisspecificaties, valse facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] (hierna: [naam medeverdachte rechtspersoon] ) en een valse arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf 1] zijn opgenomen (feit 2). Hierna zal de rechtbank eerst de verschillende elementen van de valse administratie van [naam bedrijf 1] bespreken en daarna de verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Bij de verdere beoordeling is van belang dat de verdachte onderdeel uitmaakt van een groep van vennootschappen, ook wel als de [naam verdachte venootschappengroep] aangeduid. Die groep bestond – voor zover hier relevant – uit de verdachte en haar zustervennootschappen [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ) en [naam medeverdachte rechtspersoon] en hun gezamenlijke holdingvennootschap [naam holdingvennootschap] 4.2. De voorschotten en salarisspecificaties Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat in de periode 2014 – 2016 voorschotformulieren van uitzendkrachten van [naam bedrijf 1] en daarbij horende salarisstrookjes valselijk zijn opgemaakt en dat de administratie van [naam bedrijf 1] is vervalst doordat deze stukken daarin zijn opgenomen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken omdat deze feiten niet aan haar kunnen worden toegerekend. Weliswaar heeft de verdachte in 2012 een overeenkomst met [naam bedrijf 1] gesloten voor (kort gezegd) de verwerking van de administratie van [naam bedrijf 1] . Echter, het verweer van de verdachte dat de verwerking van de financiële administratie vanaf 2013 is overgelaten aan haar zustervennootschap [naam bedrijf 2] wordt door het dossier niet weerlegd. Integendeel, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] verklaren dat [naam bedrijf 2] – en dus niet de verdachte – de administratie en de loonadministratie voor [naam bedrijf 1] deed. Ook het verweer dat werknemer [naam 1] – degene die een deel van de werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] verrichtte – de facto werkzaam was voor en binnen [naam bedrijf 2] , wordt door het dossier onvoldoende weersproken. Het voorgaande maakt dat eventuele strafbare feiten in de periode 2014-2016 aangaande de verwerking van de administratie niet zonder bijkomende omstandigheden aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Dergelijke omstandigheden zijn onvoldoende gesteld of gebleken. 4.3. De facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 1] . Ook de facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 1] , genoemd in feit 2 van de tenlastelegging, zijn valselijk opgemaakt. Ook hier geldt dat dit feit niet kan worden toegerekend aan de verdachte. Het gaat om facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] en er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken dat het valselijk opmaken van die facturen plaatsvond in de sfeer van de verdachte of anderszins aan haar kan worden toegerekend. Weliswaar wordt [naam medeverdachte 2] , een van de leidinggevende personen binnen de [naam verdachte venootschappengroep] , bij vonnis van heden veroordeeld voor het valselijk opstellen van die facturen, maar dat handelen kan niet zonder meer worden toegerekend aan alle vennootschappen uit die groep. De verdachte wordt daarom ook van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken. 4.4. De valse arbeidsovereenkomst Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat arbeidsovereenkomst uit 2016 tussen [naam bedrijf 1] en [naam 2] valselijk is opgemaakt. De verdachte wordt ook op dit punt vrijgesproken. De overeenkomst is opgesteld door [naam medeverdachte 1] , een andere leidinggevende functionaris van de [naam verdachte venootschappengroep] , maar die wordt bij vonnis van heden op dit punt vrijgesproken omdat (kort gezegd) niet gebleken is dat hij wist dat de overeenkomst niet overeenkwam met de werkelijkheid. [naam medeverdachte 2] en [naam bedrijf 2] worden bij vonnissen van heden wel veroordeeld voor het valselijk opmaken van de administratie van [naam bedrijf 1] door opname van deze valse overeenkomst, maar ook hier geldt dat er onvoldoende omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat dit feit plaatsvond in de sfeer van de verdachte of anderszins aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat de verdachte in 2012 de oorspronkelijke contractant was van [naam bedrijf 1] , is hiervoor onvoldoende. Dat geldt ook voor het feit dat [naam 2] via de verdachte werkzaam was bij [naam bedrijf 1] op basis van de hiervoor besproken payrolling. Deze verhuur van [naam 2] via de verdachte is wel onderdeel van het bewijs dat de arbeidsovereenkomst met haar vals is – zoals blijkt uit de heden uitgesproken vonnissen in de zaken van verschillende medeverdachten – maar maakt niet dat de verdachte betrokkenheid had bij de valse arbeidsovereenkomst. 4.5. De criminele organisatie In het verlengde van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de verdachte deelnemer was aan een criminele organisatie. Zij wordt ook daarvan vrijgesproken. 4.6. Conclusie De verdachte zal van beide feiten worden vrijgesproken. 5Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. N. Doorduijn, voorzitter, mr. A. Hello en mr. J. Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.Y. de Lange, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 2 mei 2012 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of ’s-Gravenhage en/of Bleiswijk en/of Zoetermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten zij, verdachte, en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of T. [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam 2] en/of [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 4] en/of [naam bedrijf 5] en/of [naam bedrijf 6] en/of [naam bedrijf 7] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of één of meer ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.