Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/660080-18 Datum uitspraak: 31 mei 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B. van Heemst heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. In de aangifte is opgenomen dat de inbraak tussen 24 januari 2018 om 13:40 uur en 25 januari 2018 om 10:00 uur zou zijn gepleegd. De auto waarin de verdachte zat, is op 25 januari 2018 rond 03:13 uur aangehouden in verband met heling. Hier zit een fors tijdsverschil tussen. De zendmastgegevens waaruit zou blijken dat de mobiele telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen, aanwezig is geweest in de nabijheid van het plaats delict in de tenlastegelegde periode, zijn daarbij onvoldoende om de verdachte te verbinden aan de inbraak. Dat de in de auto aangetroffen inbrekerswerktuigen op de grond voor de zitplaats van de verdachte lagen, maakt niet dat deze werktuigen van hem zijn, zeker niet nu de auto niet op naam van de verdachte staat. Dat de verdachte gebruik maakt van zijn zwijgrecht doet hier niet aan af. Bovendien bevindt zich geen bewijs in het dossier waaruit zou blijken dat sprake is van medeplegen. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde. 4.1.2. Beoordeling Op 25 januari 2018 rond 03:00 uur achtervolgen verbalisanten een auto omdat deze slingerend rijdt. Daarbij stelt de politie vast dat de vermoedelijke eigenaar van het voertuig, [naam medeverdachte] , veel antecedenten heeft op het gebied van vermogensdelicten. Tijdens de achtervolging stapt de verdachte, die als bijrijder in de auto zat, uit en vlucht weg. Hij gooit daarbij een tas en een rugzak in de berm. De verdachte en de twee andere inzittenden zijn aangehouden. In de door de verdachte weggegooide tassen treft de politie diverse goederen aan. Daaronder bevindt zich een computer, die afkomstig was van voormelde woninginbraak. Gelet op de navolgende tijdens het onderzoek ter zitting vastgestelde feiten is de rechtbank van oordeel dat dit feit bewezen dient te worden verklaard. Het relatief korte tijdsverloop tussen de inbraak en het aantreffen van de verdachte met een gedeelte van de bij die inbraak gestolen goederen; Het gedrag van hem, verdachte, bij zijn aanhouding (vluchten, weggooien van de tas met spullen, afkomstig van de inbraak); Het aantreffen van inbrekersgereedschap in de auto, bij en onder de plaats waar hij in de auto gezeten heeft; Uit onderzoek gebleken gelijkenis tussen de braaksporen aangetroffen in het pand [adres delict] in Capelle aan den IJssel en de werktuigsporen op de in de auto gevonden slotentrekker. Ondanks deze feiten waarmee de verdachte is geconfronteerd, heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Ook heeft hij geen verklaring gegeven voor het feit dat de telefoon die onder hem in beslag is genomen, op 24 januari 17:50 uur een zendmast heeft aangestraald in de buurt van de locatie van de inbraak. Enige tijd later straalde dezelfde telefoon in de tenlastegelegde periode dezelfde zendmast aan als die van de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte] (bestuurder van de eerder genoemde auto). Volgens vaste rechtspraak kan de omstandigheid dat de verdachte geen verklaring af wenst te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Wel kan de rechtbank, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het ten laste gelegde feit, geen redelijke, hiervoor ontzenuwende verklaring heeft gegeven, zulks in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. Door het volledig uitblijven van enige aannemelijke verklaring van de kant van de verdachte die de rechtbank aanleiding zou kunnen geven om aan de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit te twijfelen, wordt de rechtbank gesterkt in haar overtuiging van zijn betrokkenheid bij de woninginbraak. Gelet op het gegeven dat de bij verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] gevonden telefoons op dezelfde plaats en dezelfde tijd dezelfde zendmast hebben aangestraald, concludeert de rechtbank dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte zodanig dat sprake is geweest van medeplegen. Ook deze verdachte bleef zich tegenover de politie beroepen op zijn zwijgrecht. 4.1.3. Conclusie Bewezen is het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 24 januari 2018 tot en met 25 januari 2018 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres delict] nr. [huisnummer] heeft weggenomen een (portable) computer, toebehorende aan [naam slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.