RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummers: 6067155 VZ VERZ 17-16056 uitspraak: 9 april 2018 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonlaats verzoeker] , verzoeker, gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Meram Rotterdam West B.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, gemachtigde: mr. A. Ben Daoued en mr. L.M. Goeree. Partijen zullen worden aangeduid als “ [verzoeker] ” respectievelijk “Meram”. 1Het procesverloop 1.1 De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken: de beschikking d.d. 17 oktober 2017 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; het proces-verbaal van de op 20 november 2017 gehouden enquête aan de zijde van [verzoeker] ; het proces-verbaal van de op 5 december 2017 gehouden enquête aan de zijde van Meram; het proces-verbaal van de op 1 januari 2018 gehouden enquête aan de zijde van Meram; de conclusie na enquête van de zijde van Meram producties; de conclusie na enquête van de zijde van [verzoeker] , met producties. 1.2 De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden. 2De verdere beoordeling in het verzoek van [verzoeker] 2.1 Volhard wordt bij hetgeen bij beschikking van 21 augustus 2017 is overwogen en beslist. In die beschikking is (voor zover nu van belang) als volgt geoordeeld: “2.2 Geldig ontslag op staande voet? - Dringende reden 6.10 De kantonrechter is van oordeel dat indien vast komt te staan dat [verzoeker] wederrechtelijk geld aan Meram heeft onttrokken, sprake is van een dringende reden. Nu [verzoeker] betwist dat hij wederrechtelijk geld aan Meram heeft onttrokken is het in beginsel aan Meram om te bewijzen dat dit het geval is. Meram heeft hiertoe camerabeelden overgelegd en een accountantsverklaring waaruit een kasverschil volgt. 6.10 [verzoeker] komt op de camerabeelden echter niet voor en het kasverschil is niet (expliciet) naar [verzoeker] terug te leiden. Meram heeft weliswaar gesteld dat hij als manager mede verantwoordelijk was, maar dit is onvoldoende om te spreken van een dringende reden. Daar komt bij dat de reden voor ontslag, zoals geformuleerd in de ontslagbrief, (kort gezegd) gelegen was in het (zelf) wederrechtelijk onttrekken van gelden. 6.11 Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het – gelet op de gemotiveerde betwisting door [verzoeker] en het gebrek aan bewijs dat op dit moment is geleverd – aan Meram is het wederrechtelijk onttrekken van kasgelden door [verzoeker] te bewijzen.” 2.2 De onderhavige zaak loopt samen met de zaken met de zaaknummers 6058348 VZ VERZ 17-15723 en 6058223 VZ VERZ 17-15721, inzake het ontslag van de twee broers van [verzoeker] , [naam 1] en [naam 2] . Partijen hebben ingestemd met de gezamenlijke behandeling van de drie zaken en zij hebben er ook mee ingestemd dat de afgelegde verklaringen en ingediende stukken in alle zaken als ingebracht beschouwd worden. 2.3 Bij conclusie na enquête heeft Meram de verklaringen van de gehoorde getuigen en later ingebrachte verklaring van [naam getuige] als volgt geduid. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat [verzoeker] ook toegang had tot de kluis. Deze vaststelling moet in combinatie worden gezien met de bij conclusie na enquête ingebrachte verklaring van de heer [naam getuige] , die verklaart dat de drie broers aan hem hebben verklaard het kasgeld te hebben gebruikt voor betalingen aan hem voor de aankoop van onroerend goed in Turkije. Dit is het ‘sluitstuk’ van het te leveren bewijs, aldus Meram. 2.4 Het standpunt van Meram steunt dus met name op de verklaring van [naam getuige] . Deze verklaring wordt door [verzoeker] gemotiveerd betwist. Hij heeft nimmer aan [naam getuige] verklaard geld uit Meram te hebben onttrokken. Uit die verklaring van [naam getuige] volgt ook niet, althans niet voldoende direct, dat [verzoeker] gelden aan Meram heeft onttrokken. Het aan [naam getuige] overhandigde geld kan ook door (enkel) de broers van [verzoeker] zijn onttrokken. Dat [naam getuige] verklaart dat de broers aan hem hebben verklaard dat zij gelden aan Meram hebben onttrokken en dat zij die gelden hebben gebruikt voor betalingen aan hem, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat [verzoeker] ook daadwerkelijk (zelf) gelden heeft onttrokken. Ook als de verklaring van [naam getuige] juist is, kan die verklaring de conclusie dat [verzoeker] gelden heeft onttrokken niet dragen. Dat geldt ook als die verklaring wordt bezien tegen de door Meram gestelde achtergrond van de getuigenverklaringen, inhoudende de vaststelling dat [verzoeker] toegang had tot de kluis en zich bezig hield met kasgeld. 2.5 De conclusie is dat Meram het haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd, zodat in rechte niet komt vast te staan dat [verzoeker] wederrechtelijk geld aan Meram heeft onttrokken. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag moet daarom worden toegewezen. De vordering tot toelating tot het werk wordt – gelet op hetgeen onder het tegenverzoek zal worden overwogen – afgewezen. 2.6 Nu de arbeidsovereenkomst niet door het ontslag op staande voet geëindigd is en [verzoeker] zich beschikbaar heeft gehouden voor werk, zal de vordering tot doorbetaling van loon vanaf de maand april 2017 worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal, gelet op de omstandigheden van het geval, worden gematigd tot 10%. 2.7 Meram zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure. in het tegenverzoek van Meram 2.8 Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is primair gegrond op verwijtbaar handelen door [verzoeker] . Het verwijtbaar handelen zoals door Meram gesteld, is gegrond op dezelfde feiten als die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet. Hiervoor is geoordeeld dat die gestelde feiten niet zijn komen vast te staan. Het verzoek tot ontbinding, voor zover gegrond op verwijtbaar handelen, moet dus worden afgewezen. 2.9 Dat (inmiddels) sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, is de kantonrechter wel gebleken. Zo is [verzoeker] , naar nu blijkt ten onrechte, beschuldigd van diefstal c.q. verduistering. Gedurende de procedure is ook gesteld dat sprake is geweest van bedreiging. Duidelijk is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor beide partijen onwenselijk en praktisch onmogelijk is. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden op grond van 7:669 lid 3 onderdeel g BW. Herplaatsing ligt, gelet op de mate van verstoring, de functie van [verzoeker] en de omvang van Meram, niet in de rede. De datum van ontbinding wordt, conform artikel 7:671b lid 8 sub a BW, vastgesteld op 1 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.