← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2018:11473

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/145851-18 Datum uitspraak: 1 november 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel, raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 november

  1. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd: bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Waardering van het bewijs Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 21 juli 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk A.G., type 27, kaliber 7.65 millimeter, voorhanden heeft gehad. Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering straf Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft een vuurwapen in een tas voorhanden gehad op de openbare weg, dat -hoewel dit niet aan de verdachte is ten laste gelegd- was voorzien van munitie en dus klaar voor gebruik. Verdachte heeft met zijn handelen een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van andere personen in het leven geroepen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen impliceert immers ook het gevaar dat het daadwerkelijk wordt gebruikt, reden waarom tegen illegaal vuurwapenbezit streng dient te worden opgetreden. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Straf Gezien de ernst van het feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte -de verdachte is voornemens om zich zo snel mogelijk in te zetten op de arbeidsmarkt om, onder meer, zijn schulden te kunnen aflossen- en gelet op het feit dat hij voor de eerste keer ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie met politie en justitie in aanraking is gekomen, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een voorwaardelijk strafdeel in dit geval passend is. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de ondergane voorlopige hechtenis. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet, omdat een dergelijke straf (3 maanden) gebruikelijk is bij het voorhanden hebben van een vuurwapen op een niet-openbare plaats en zonder bijbehorende munitie, en daarvan in dit geval geen sprake is. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt; stelt als algemene voorwaarde: de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door: mr. E. Rabbie, voorzitter, en mrs. G.A. Bouter - Rijksen en D. van Putten, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 november
  2. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 21 juli 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk A.G., type 27, kaliber 7.65 millimeter, voorhanden heeft gehad;

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.