← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2018:11487

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/074497-18 Datum uitspraak: 10 augustus 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , Raadsman mr. M. Yesildag, advocaat te ‘s-Hertogenbosch. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli

  1. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P.J. Wijnands heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; -veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering met een meldplicht, dat de verdachte zal meewerken aan aanmelding bij een forensische polikliniek De Wang of een soortgelijke instelling en zich, indien geïndiceerd, ambulant onder behandeling zal stellen van die instelling, dat de verdachte zal meewerken aan het realiseren van een vorm van schuldhulpverlening en indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zal meewerken aan een traject richting begeleid wonen. Waardering van het bewijs Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 14 april 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, type Gt 28, kaliber 6.35 millimeter, en (de daarbij behorende) munitie, voorhanden heeft gehad; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: handelen in strijd met het in artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie gegeven verbod, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met het in artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie geven verbod Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering straf Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte had op de openbare weg een illegaal vuurwapen binnen handbereik aanwezig Dit wapen bevatte de daarbij behorende munitie en had dus eenvoudig gebruikt kunnen worden om te vuren, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan. De verdachte heeft verklaard dat sprake was van bijzondere omstandigheden welke in zijn voordeel zouden moeten pleiten. Zo zegt hij dat hij het vuurwapen met de munitie kort ervoor op een pad had gevonden, het vuurwapen vervolgens heeft weggestopt om het buiten bereik van daar spelende kinderen te houden en hij van plan was om het wapen aan de politie te geven. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Uit niets blijkt dat de verdachte stappen heeft genomen om het vuurwapen aan de politie te overhandigen. Het was omstreeks 22 00 uur toen de politie naar aanleiding van een melding over het gebruik van een stroomstootwapen ter plaatse kwam. De verdachte liep daarop weg uit de groep mensen waarin hij zich bevond. Hij heeft niet op eigen initiatief aan de politie gemeld dat hij een vuurwapen op zak had, terwijl hij daartoe wel de gelegenheid had. Toen de politie hem wilde fouilleren liep hij zelfs weg en verzette hij zich verbaal. Toen hem gevraagd werd of hij een wapen bij zich had, gaf hij daarop geen antwoord. Vuurwapens leveren in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen maar al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Het afvuren van een vuurwapen heeft meestal ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Alleen al het tonen van een vuurwapen leidt tot grote angst van degenen die ermee geconfronteerd worden. Het bezit van een gebruiksklaar wapen en bijbehorende munitie is dan ook onaanvaardbaar. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapportages Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 juni
  2. Dit rapport houdt het volgende in. Er zijn aanwijzingen voor problemen met middelengebruik en schulden. De verdachte is gestopt met zijn havo-opleiding en heeft op dit moment geen baan. Hij heeft geen relatie en woont bij zijn moeder maar leefde ten tijde van zijn aanhouding en het gesprek met de Reclassering Nederland ergens anders. De verdachte geeft enerzijds aan hulp te willen om zijn leven op orde te krijgen maar geeft anderzijds geen volledige openheid naar de rapporteur en is niet altijd zijn afspraken nagekomen. Het lijkt de Reclassering Nederland wenselijk als de verdachte op diverse leefgebieden ondersteuning krijgt en verder onderzoek wordt gedaan naar het middelengebruik van de verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact met een meldplicht en de verplichting zich aan aanwijzingen van de Reclassering Nederland te houden, aanmelding bij De Waag of een soortgelijke instelling voor diagnostiek en indien geïndiceerd een ambulante behandelverplichting waarbij aandacht is voor middelengebruik, medewerking aan een vorm van schuldhulpverlening en medewerking aan een traject richting begeleid wonen indien dit door de Reclassering Nederland als noodzakelijk wordt gezien. Straf Gezien de ernst van het feit en gelet de hierboven beschreven omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het verzoek van de raadsman om in plaats van oplegging van een gevangenisstraf over te gaan tot oplegging van een taakstraf doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden adviseert en de rechtbank de noodzaak hiervan onderschrijft, zal een deel van de voorgenomen gevangenisstraf echter voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de jeugdige leeftijd, de nagenoeg lege documentatie van de verdachte en de uitgebreide voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, ziet de rechtbank reden om een hoger voorwaardelijke strafdeel op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 14a, 14e, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan, verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij, stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit, verklaart de verdachte strafbaar, veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt, stelt als algemene voorwaarden de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; stelt als bijzondere voorwaarden
  3. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt en zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclasseringsinstelling hem geeft, 2 de veroordeelde zal zich aanmelden bij De Waag of een soortgelijke instelling voor diagnostiek en indien geïndiceerd zich onder ambulante behandeling stellen waarbij aandacht is voor middelengebruik, 3 de veroordeelde zal meewerken aan een traject voor schuldhulpverlening, 4 de veroordeelde zal, indien de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht, meewerken aan een traject richting een verblijf in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. F.W. van Lottum, voorzitter, en mrs. KL. Daum en C.G.E. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 augustus
  4. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 14 april 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, type Gt 28, kaliber 6.35 millimeter, en (de daarbij behorende) munitie, voorhanden heeft gehad;

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.