Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/965049-14 Datum uitspraak: 22 februari 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] . raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 5, 12 en 19 december 2017 en 10 en 15 januari 2018. Het onderzoek is gesloten op 8 februari 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P. van Kerkhof heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding op het onderzoek Aanleiding onderzoek In december 2011 is naar de toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie en de Rijksrecherche een gelijkluidende anonieme brief gestuurd. In deze anonieme brief worden een ambtenaar van Defensie en drie ambtenaren van politie met naam genoemd en beschuldigd van corruptie. Die corruptie zou, zo staat in de brief, betrekking hebben op de rol die zij zouden hebben bij de levering van voertuigen voor politie en Defensie. In december 2012 is de Rijksrecherche met een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin vervolgens een groot aantal personen als verdachten werd aangemerkt, waaronder de verdachte. De onderzoeken naar financiële gegevens en administratie van betrokken rechtspersonen leverden ook verdenkingen op tegen een aantal leasebedrijven, dealers en importeurs. Tijdens de doorzoekingen bij die bedrijven is onder meer beslag gelegd op veel e-mailverkeer en ook zijn van sommige verdachten telefonische gesprekken opgenomen (zogenaamde taps). Een deel van die bedrijven heeft zelf ook onderzoek laten doen door een externe partij. Zo heeft Pon’s Automobielhandel B.V. (hierna: PAH) het advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] ingeschakeld teneinde onderzoek te laten doen naar mogelijke gevallen van onrechtmatige bevoordeling van, onder meer, de verdachte. [naam advocatenkantoor] heeft de bevindingen neergelegd in (onder meer) haar rapport van 2 mei 2013. De Rijksrecherche heeft ook informatie uit genoemde onderzoeken gebruikt. Het strafrechtelijk onderzoek heet Dotterbloem. Naar aanleiding van restinformatie is er (onder meer) ook het deelonderzoek Venkel gestart. Venkel is het onderzoek naar vermeende ambtelijke corruptie en omkoping van een aantal ambtenaren van Defensie in relatie tot het aanbestedingsproject Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen (hierna: DVOW), waaronder de verdachte. Dit onderzoek komt voort uit de informatie aangetroffen in een Excelbestand dat is opgemaakt door een medewerker van PAH in het kader van het interne onderzoek bij PAH met betrekking tot verleende kortingen (bijloop of ondersteuning) aan overheidsfunctionarissen. Positie verdachte In de tenlastegelegde periode was de verdachte werkzaam als hoofd van Bureau Degelijkheid van de afdeling Materieel Beproeving en Logistiek Advies van het Ministerie van Defensie. Tot december 2009 heeft de verdachte tevens werkzaamheden verricht voor het project DVOW in het kader van het opstellen van het programma van eisen voor de 50 kN- en 100 kN-voertuigen. Verdenking De verdachte wordt verweten dat hij zich door medewerkers van PAH heeft laten omkopen door het meermaals vragen en aannemen van een gift, te weten: een (extra) niet-zakelijke korting op de aankoop van een personenauto, terwijl hij wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift hem werd verleend teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten. 4.2. Standpunt officier van justitie De verdachte heeft een gift van PAH aangenomen en hierom gevraagd. Hij heeft ook nog een andere korting gevraagd, in de wetenschap dat deze korting is verleend om hem in strijd met zijn plicht te bewegen tot het begunstigen van PAH en voor die rechtspersoon een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen. 4.3. Standpunt verdediging De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. De verdachte was niet betrokken bij aanbestedingsprojecten van Defensie in relatie tot PAH. Op geen enkele wijze heeft de verdachte vanuit zijn positie invloed kunnen uitoefenen op het begunstigen van PAH dan wel een voorkeursbehandeling van PAH kunnen bewerkstelligen. De verdachte heeft niet om een korting gevraagd. De verdachte was bovendien niet op de hoogte van de door PAH aan de dealer toegezegde bijloop. De door Automobielbedrijf Thur aan de verdachte verleende korting betreft een reguliere korting zoals die op een oud model Volkswagen Eos door eenieder zou kunnen worden verkregen. 4.4. Oordeel rechtbank 4.4.1. Juridisch kader passieve ambtelijke omkoping Passieve ambtelijke corruptie (passieve omkoping) begint – kort gezegd – bij het aannemen of vragen van giften, beloften of diensten (hierna samengevat als: giften) door de ambtenaar van een ander (hierna: de gever). Als is komen vast te staan dat de ambtenaar giften heeft aangenomen of gevraagd, is de volgende vraag of die ambtenaar wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze giften hem werden gedaan om hem als ambtenaar iets te laten doen of nalaten of omdat hij in het verleden iets heeft gedaan of nagelaten. Voor weten lijkt op grond van de jurisprudentie voorwaardelijk opzet (bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden) de ondergrens. Redelijkerwijs moeten vermoeden komt er op neer dat de ambtenaar ‘op zijn klompen’ kon aanvoelen dat de giften hem werden gedaan omdat ze de gever op enig moment een voordeel konden opleveren. In de Memorie van Toelichting is in dit verband “verwijtbare naïviteit” van de ambtenaar genoemd. Daaronder kan ook worden begrepen – zo overweegt de rechtbank – het onzorgvuldig en onvoorzichtig omspringen met giften zonder zich voldoende te realiseren dat er een verband met de ambtsuitoefening kan zijn. Een direct verband tussen de gift en een bepaalde (concrete) tegenprestatie is immers niet vereist: ook als er (nog) geen of in het geheel geen tegenprestatie door de ambtenaar is geleverd, kan er sprake zijn van passieve ambtelijke corruptie. Sprake kan ook zijn van een ‘gift’ aan de ambtenaar met als doel een speciale relatie te doen ontstaan die zal (kunnen) leiden tot een voorkeursbehandeling. Deze elementen samen brengen de rechtbank tot het formuleren van een aantal vragen die de ambtenaar zich zou moeten stellen teneinde genoemde “verwijtbare naïviteit” te voorkomen: Welke functie en verantwoordelijkheid heb ik? Welke functie en verantwoordelijkheid heeft de gever? In welke relatie sta ik tot de gever? Is er naast een persoonlijke relatie ook een zakelijke? Welk beeld bestaat er aan de zijde van de ‘gever’ van mijn functie en verantwoordelijkheid? Welk doel kan de gever met zijn gift hebben? Is een zakelijk motief daarbij uitgesloten? Dit maakt dat de ontvangende ambtenaar niet alleen zich de (beperkte) vraag dient te stellen, tot welke beslissende handelingen hij als tegenprestatie wel of niet in staat zou zijn, maar ook rekening moet houden met een mogelijk ruimer doel van de gever, afhankelijk van zowel de functie van de gever als de positie van de ambtenaar. Met name geldt dit als sprake is van een bestaande relatie tussen beiden. De gever kan immers de neiging hebben om de ambtenaar ter wille te zijn, om de bestaande relatie vanuit zakelijk belang te onderhouden, ook indien de ambtenaar zelf uitsluitend de persoonlijke relatie van belang vindt. Juist omdat de mogelijkheid bestaat dat de ambtenaar op deze motieven niet steeds volledig zicht heeft moet hij als het gaat om het bedingen of verkrijgen van een privévoordeel elk integriteitsrisico vermijden. Een ambtenaar die op enige wijze betrokken is of is geweest – al is het in indirecte zin – bij het onderwerp van het terrein waarop de gever werkzaam is (zoals in dit geval voertuigen), moet zich daarom rekenschap geven van het risico dat ontstaat als hij in het kader van een onderhandeling een privévoordeel bedingt of accepteert. Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank het handelen van de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde kortingen als volgt. 4.4.2. Beoordeling Gift Uit het koopcontract volgt dat de verdachte de Volkswagen EOS heeft gekocht met een korting van in totaal € 1.872,61. Uit e-mailberichten tussen [naam medeverdachte 1] van PAH (de importeur) en Automobielbedrijf Thur en het document “Vastlegging afspraak” blijkt vervolgens dat vanuit PAH aan Automobielbedrijf Thur (de autodealer) een (extra) ondersteuning op de aanschaf van de Volkswagen EOS is verleend van € 236,=. Nu uit e-mailverkeer tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] ook blijkt dat de ondersteuning ten goede is gekomen aan de verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een gift aan de verdachte. Hieraan doet niet af dat de door PAH toegezegde ondersteuning uiteindelijk niet aan Automobielbedrijf Thur is uitbetaald. Dat de verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van deze gift, zoals door de raadsman ter zitting is betoogd, wordt weersproken door de e-mail van de verdachte aan [naam medeverdachte 1] van 8 oktober 2010 inhoudende “Ik wil je bedanken voor met kleine bijdrage alle kleine beetjes helpen toch”. Bij de Rijksrecherche heeft de verdachte verklaard dat hij het in deze zin had over procenten: “Eén, twee procent, daar had hij [de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 1] ] het een keer over”. Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte tweemaal bij PAH om een korting op de aanschaf van een personenauto heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 14 oktober 2009 aan [naam medeverdachte 1] van PAH een e-mail heeft gestuurd inhoudende “Ik heb een prive vraagje. Ik wil een nieuwe passat CC aanschaffen kun jij wat voor me betekenen”. Bij de Rijksrecherche heeft de verdachte hierover verklaard dat het doel van deze e-mail het verkrijgen van een korting was. De rechtbank hecht geloof aan deze verklaring. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij bij [naam medeverdachte 1] slechts informeerde of er voorradige demonstratiemodellen waren, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Ook over de e-mail van 15 september 2010 aan [naam medeverdachte 1] over de voornoemde Volkswagen Eos inhoudende “Kun jij nog wat doen en als ik nu de eos pak ipv 1 januari is er dan ook nog een voordeel” heeft de verdachte bij de Rijksrecherche verklaard dat hij hiermee om een korting heeft gevraagd. Eerst ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij [naam medeverdachte 1] had benaderd om te bemiddelen omdat Automobielbedrijf Thur de door de verdachte gewenste Volkswagen EOS niet wilde verkopen aangezien het een oud model EOS betrof. De rechtbank acht deze verklaring echter ongeloofwaardig omdat deze geen steun vindt in het dossier. Dat het de verdachte om korting te doen was kan voorts worden afgeleid uit de verklaring van [naam medeverdachte 2] , de eigenaar van de autodealer, waarin hij zegt dat de verdachte zoveel mogelijk korting wilde en dat hij daarom op verzoek van de verdachte contact met [naam medeverdachte 1] van PAH heeft opgenomen. De verdachte heeft aldus tweemaal bij PAH om een korting gevraagd en de gevraagde korting voor de EOS gekregen. Weten of redelijkerwijs vermoeden Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een bestaand zakelijk contact teneinde dit voor een privévoordeel in te zetten. Uit het e-mailverkeer blijkt dat men zich aan de zijde van PAH heeft gerealiseerd dat de verdachte bij Defensie werkte. [naam medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat de verdachte binnen de doelgroep ‘ambtenaren’ viel. Het verweer van de raadsman dat geen sprake kan zijn van omkoping omdat de verdachte binnen de Defensieorganisatie niet de positie had om PAH te begunstigen, is niet doorslaggevend. De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar het in paragraaf 4.4.1. gegeven juridisch kader – dat de invloed en het gezag van de ambtenaar alleen niet bepalend zijn voor de vraag of hij kon aanvoelen dat de gift hem werd gedaan door de gever om op enig moment een voordeel op te leveren. Van belang is dat de verdachte (indirect) betrokken was bij het aanbestedingsproject DVOW. In die hoedanigheid was hij (in brede zin) werkzaam op hetzelfde terrein als waarop PAH betrokken was. Hiervan had de verdachte zich rekenschap moeten geven. Nu de verdachte bij de privéaanschaf van zijn auto gebruik heeft gemaakt van een zakelijke relatie bij PAH met als doel het verkrijgen van een korting bij de importeur en hij die korting ook heeft gekregen, had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs moeten vermoeden dat de korting hem werd gegeven teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten. Van een reguliere korting zoals eenieder die zou hebben kunnen krijgen is dan ook geen sprake. 4.4.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. 4.5. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 14 oktober 2009 tot en met 9 november 2010, te Dussen en/of Leusden en/of Genderen (gemeente Aalburg), in elk geval in Nederland, meermalen, als ambtenaar, te weten als hoofd Bureau Degelijkheid werkzaam bij de afdeling Materieel Beproeving en Logistiek Advies en/of contactpersoon in Huijbergen voor het project Dienstbrede Vervanging van Operationele Wielvoertuigen (DVOW) van het Ministerie van Defensie, (telkens) (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.