RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 6491062 VZ VERZ 17-28434 Uitspraak: 2 maart 2018 Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidNederlands Loodswezen B.V., statutair gevestigd te Rotterdam, verzoekster, gemachtigde: mr. E.H. de Joode, advocaat te Rotterdam, tegen de Ondernemingsraad van Nederlands Loodswezen B.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, gemachtigde: mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis, advocaat te Amsterdam. Partijen worden hierna ‘het Loodswezen’ en ‘OR’ genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: het verzoekschrift met producties, ter griffie ontvangen op 24 november 2017; het verweerschrift met producties, ter griffie ontvangen op 8 januari 2018; de brief van het Loodswezen d.d. 9 januari 2018, waarbij verdere producties in het geding zijn gebracht. 1.2. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Ter zitting is het Loodswezen verschenen bij haar directeur [B.] en haar manager van de varende dienst [D.], bijgestaan door de advocaat mr. E.J. de Joode. Namens de OR is verschenen de voorzitter [E.] en de secretaris mw. [H.], bijgestaan door de advocaat mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis. Ter zitting hebben de advocaten van beide partijen de wederzijdse standpunten nader toegelicht, waarbij zij zich bediend hebben van pleitnotities die door hen zijn overgelegd en die deel uitmaken van het procesdossier. 1.3. Aan het slot van de zitting hebben partijen de kantonrechter verzocht de beslissing aan te houden, opdat zij onderling overleg konden plegen over een eventuele minnelijke regeling. Nadat bij brief van 24 januari 2018 om verdere aanhouding van de procedure was verzocht, hebben partijen uiteindelijk bij brieven 15 februari 2018 laten weten dat zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een regeling en hebben beide partijen de kantonrechter verzocht uitspraak te doen in de zaak. De kantonrechter heeft daarop de uitspraak van de beschikking bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden: 2.1. Sinds 1988 is het loodswezen, dat verantwoordelijk is voor het veilig afhandelen van het scheepvaartverkeer met als belangrijkste taak het loodsen van zeeschepen van en naar de Nederlandse en Vlaamse havens, een zelfstandige organisatie die werkt vanuit twee disciplines, te weten het Nederlands Loodswezen B.V. (NLBV) en de Nederlandse Loodscorporatie (NLC), waar alle registerloodsen deel van uitmaken. Het Loodswezen houdt zich bezig met het ondersteunen van de registerloodsen in de uitvoering van hun beroep. De diensten van het Loodswezen bestaan uit het uitvoeren van administratieve taken en het vervoer van loodsen van en naar de zeeschepen. Het Loodswezen heeft haar hoofdvestiging in Hoek van Holland en is werkzaam vanuit vier regio’s, te weten Noord, Amsterdam-IJmond, Rotterdam-Rijnmond en Scheldemonden. 2.2. De regio Rotterdam-Rijnmond kent 15 ploegen, die gedurende een cyclus van 30 weken op basis van een vaste systematiek worden ingedeeld. De regio Amsterdam-IJmond kent 7 ploegen, die gedurende een cyclus van 7 weken volgens een vaste systematiek worden ingeroosterd. De regio Noord kent in verband met het geringe aantal scheepsbewegingen enkel bereikbaarheidsdiensten. 2.3. In de regio Scheldemonden wordt sinds 2006 niet meer met een vaste ploeg gevaren, maar wordt de samenstelling van de ploegen telkens gewisseld. Voor die wijziging heeft het Loodswezen destijds instemming aan de OR gevraagd, welke instemming op 16 februari 2006 is verleend. 2.4. Om een van haar belangrijkste taken, te weten de registerloodsen aan boord van zeeschepen te zetten en ze daar weer op te halen, te kunnen uitvoeren beschikt het Loodswezen grofweg over drie verschillende type vaartuigen. Een type, te weten de loodsvaartuigen, ligt permanent op zee. De twee andere typen vaartuigen, te weten de snelle tenders en de SWATH, varen van de wal heen en weer naar de te beloodsen zeeschepen of de eigen loodsvaartuigen. De snelle tenders worden ingezet in alle vier de regio’s, terwijl de SWATH alleen wordt ingezet in de regio Scheldemonden. 2.5. Bij het Loodswezen zijn circa 250 medewerkers werkzaam in de varende dienst. Van hen zijn er circa 160 werkzaam op de snelle tenders en SWATH, de overige 90 werken op de loodsvaartuigen. De bezetting op een snelle tender bestaat uit drie personen: een kapitein, een stuurman en een gezel. Sinds eind jaren ’90 bestaat de bezetting op de snelle tender uit een min of meer vaste ploeg. Voor die tijd was sprake van een wisselende bezetting. 2.6. Bij brief van 18 september 2017 heeft het Loodswezen de OR verzocht in te stemmen met de invoering van roulerende ploegen op de snelle tenders in Rijnmond en IJmond door het wisselen van de stuurman. Dat voorstel houdt in dat de stuurlieden een keer per cyclus wijzigen van ploeg, hetgeen voor Rijnmond betekent een keer per 30 weken en voor IJmond een keer per 56 weken 2.7. Bij brief van 5 oktober 2017 heeft de OR aan het Loodswezen laten weten dat hij niet instemt met de wijziging van de ploegensamenstelling. Daarbij is als reden vermeld dat er voor een dergelijke wijziging “geen draagvlak bestaat onder het personeel van de genoemde regio’s”. In bedoelde brief zijn geen inhoudelijke argumenten gegeven. 2.8. Bij brief van 18 oktober 2017 heeft de OR alsnog meer inhoudelijk gereageerd, waarbij onder meer - kort samengevat - de volgende punten zijn genoemd: er wordt al op regelmatige basis gewerkt met andere collega’s; behoud van een goede sfeer aan boord is belangrijk, zeker omdat je langere tijd aan boord zit met elkaar in een relatief kleine ruimte; veiligheid is in het eigen belang van de loodsen en wanneer zich problemen voordoen, worden die toch al uitgesproken; de ploegenroulatie voegt niets toe, omdat toch al op regelmatige basis met andere collega’s wordt samengewerkt. Daarbij heeft de OR tevens te kennen gegeven dat de nadelen van roulatie niet opwegen tegen de voordelen en dat het bij de door het Loodswezen geschetste positieve effecten gaat om niet nader onderbouwde aannames. Bovendien heeft de OR erop gewezen dat het overgrote deel van de betrokken medewerkers tegen het voornemen is. 2.9. Op 2 november 2017 heeft het Loodswezen overleg gevoerd met (een delegatie van) de OR, doch ook dat overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. 3Het verzoek 3.1. Het Loodswezen heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming te verlenen om het besluit te nemen tot wijziging van het huidige beleid conform haar instemmingsaanvraag van 18 september 2017 primair omdat de beslissing van de OR om niet in te stemmen onredelijk is en subsidiair omdat het voorgenomen besluit gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsbelangen. 3.2. Aan dat verzoek heeft het Loodswezen, naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten - voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Met de voorgenomen wijziging van de ploegenindeling beoogt het Loodswezen het functioneren van de medewerkers op de loodstenders verder te professionaliseren en de veiligheid van alle betrokkenen nog beter te waarborgen. Voor zowel de veiligheid aan boord als het individuele functioneren van de varende organisatie acht het Loodswezen het essentieel dat de gaandeweg ontstane ‘ons kent ons-cultuur” wordt doorbroken. Het Loodswezen wil haar medewerkers scherper houden door hen in wisselende samenstellingen te laten werken en daardoor het “blind varen” op elkaar te doorbreken teneinde de veiligheid, de vaardigheden en de kennis aan boord te optimaliseren. Ter zitting heeft het Loodswezen gewezen op de positieve ervaringen met de wisselende ploegen in de regio Scheldemonden en zij heeft in dat verband verwezen naar de door haar overgelegde verklaring van het Hoofd Varende Dienst in die regio. In die verklaring wordt aan het slot gezegd dat de medewerkers zelf absoluut niet meer terug willen naar vaste ploegen. 4Het verweer4.1. De OR heeft het verzoek gemotiveerd weersproken waarbij hij - kort samengevat en voor zover thans van belang - het volgende heeft aangevoerd. 4.2. De door het Loodswezen genoemde beweegredenen voor het onderhavige besluit, te weten verdere professionalisering en vergroting van de veiligheid, zijn door het Loodswezen enkel in zeer algemene termen gesteld en niet met concrete gegevens onderbouwd. Het overgrote deel van de medewerkers is tegen het besluit en de OR heeft in dat verband verwezen naar de door hem overgelegde handtekeninglijsten. De OR heeft er voorts op gewezen dat ook in de regio’s Rijnmond, IJmond en Noord binnen de vaste ploegen sprake is van roulatie, zodat ook in die regio’s al op regelmatige basis wordt samengewerkt met andere collega’s. Concreet heeft de OR gesteld dat in de regio IJmond 28,4% van de tijd in een andere dan de vaste ploegensamenstelling wordt gewerkt. 4.3. Het bestaan van een cyclus in combinatie met een systeem van vaste ploegen maakt het volgens de OR mogelijk dat het rooster kan worden doorgetrokken, waardoor een medewerker in theorie kan berekenen wanneer hij bijvoorbeeld in 2020 moet werken. Volgens de OR hechten de medewerkers die door de ploegendienst toch al een onregelmatig leven leiden, zeer aan deze duidelijkheid. Voor het overige heeft de OR voor zijn beweegredenen om de instemming aan de het voorgenomen besluit te onthouden verwezen naar zijn brieven van 5 en 18 oktober 2017. 4.4. De overige stellingen van de OR, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, worden voor zover nodig besproken in het kader van de beoordeling van het verzoek. 5De beoordeling 5.1. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft het Loodswezen gesteld dat het nog maar de vraag is of het in casu gaat om een instemmingsplichtig besluit. Naar het oordeel van de kantonrechter kan die vraag verder in het midden blijven. Immers, nu het Loodswezen het voorgenomen besluit om in de regio’s IJmond en Rijnmond roulerende ploegen in te voeren, ter instemming heeft voorgelegd aan de OR, moet ervan worden uitgegaan dat er ook sprake is van een instemmingplichtig besluit. Een en ander betekent ook dat in dit geding de toets van artikel 27 WOR volledig en integraal dient plaats te vinden. 5.2. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt dat artikel 27 lid 4 WOR de rechter slechts op twee gronden de bevoegdheid geeft om de ondernemer toestemming te verlenen tot het nemen van een besluit waarvoor geen instemming van de ondernemingsraad is verkregen, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.