RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 6290507 CV EXPL 17-31097 Uitspraak: 16 februari 2018 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS II B.V., gevestigd te Maastricht, eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 augustus 2017, gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel te Maastricht, tegen [gedaagde] , wonende te [plaatsnaam], gedaagde, gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua te Rotterdam. Partijen worden hierna aangeduid als ‘Q-Park’ respectievelijk ‘[gedaagde]’. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de aantekeningen van de griffier van de ter rolzitting van 7 september 2017 door [gedaagde] mondeling gegeven reactie; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek, met producties, waarbij Q-Park ook een DVD met videobeelden in het geding heeft gebracht; de conclusie van dupliek. 1.2 De datum van de uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden. 2Het geschil 2.1 Q-Park heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan haar te betalen € 500,-, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en in de nakosten, al deze kosten eveneens vermeerderd met wettelijke rente. 2.2 Aan die vordering heeft Q-Park -samengevat en voor zover nu van belang- ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op 1 oktober 2016 met zijn voertuig ([merk en kenteken]) gebruik heeft gemaakt van de aan Q-Park toebehorende parkeergarage ‘Nieuwendijk-Amsterdam’ en zich toen bij het verlaten daarvan, rond 17.47 uur, schuldig heeft gemaakt aan zogenaamd ‘treintje rijden’, dat wil zeggen dat hij heel kort achter zijn voorganger is gaan staan of gaan rijden om zo zonder te betalen de parkeergarage te (kunnen) verlaten, door gebruik te maken van de ten behoeve van zijn voorganger nog openstaande slagboom. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is [gedaagde] hierdoor aan Q-Park verschuldigd geworden het tarief van een verloren kaart ad € 150,- alsook een bedrag van € 300,- als aanvullende schadevergoeding. Naast de hoofdsom ad € 450,- en de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) daarover maakt Q-Park jegens [gedaagde] aanspraak op een bedrag van € 67,50 aan buitengerechtelijke kosten, één en ander met dien verstande dat zij de vordering om haar moverende redenen beperkt tot € 500,-. 2.3 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het door Q-Park gevorderde, met veroordeling van Q-Park in de proceskosten. Op hetgeen hij ter zake naar voren heeft gebracht en op hetgeen Q-Park overigens nog heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen. 3De beoordeling 3.1 Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van de vordering van Q-Park vereist is dat komt vast te staan dat [gedaagde] de auto in de betreffende parkeergarage heeft geparkeerd en deze op de hiervoor omschreven wijze zonder te betalen heeft verlaten. Q-Park heeft immers gesteld dat zij met hem als bestuurder van de auto een overeenkomst heeft gesloten waarbij zij aan hem een parkeerplaats ter beschikking heeft gesteld, terwijl [gedaagde] heeft betwist dat hij de bewuste gedraging heeft verricht. Volgens hem moet dat de heer [X.] zijn geweest, die op de onderhavige dag in bezit was van zijn auto, terwijl het, zo heeft [gedaagde] aangevoerd, ook mogelijk is dat er sprake is van kentekendiefstal. 3.2 Overwogen wordt dat Q-Park bij repliek een DVD met daarop videobeelden in het geding heeft gebracht. Daarop is -inderdaad- te zien dat de bestuurder van een [merk en kenteken] zich schuldig maakt aan het door Q-Park aldus beschreven ‘treintje rijden’, hetgeen [gedaagde] op zich ook niet heeft bestreden. 3.3 [gedaagde] heeft aangevoerd het voor mogelijk te houden dat hier sprake is geweest van kentekendiefstal, maar hij heeft dat verweer met niets onderbouwd, terwijl het verstrekken van een dergelijke onderbouwing hier toch van hem mocht worden verlangd. Daarbij valt te denken aan een proces-verbaal van aangifte, waaruit blijkt dat hij aangifte heeft gedaan van het feit dat, zo begrijpt de kantonrechter, er een soortgelijk voertuig met dezelfde (valse) kentekenplaten zou rondrijden. In zoverre wordt het door [gedaagde] gevoerde verweer dan ook verworpen. 3.4 Verder geldt als uitgangspunt dat de kentekenhouder, hier dus [gedaagde], wordt vermoed de bestuurder van de auto te zijn geweest toen de onderhavige gedraging werd verricht. Het is dan aan [gedaagde] dit (bewijs)vermoeden te ontkrachten, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat hij op de bewuste dag en tijd niet in Amsterdam was of door een verklaring in het geding te brengen van degene die de gedraging volgens hem (wel) heeft verricht. Het enkele noemen van een naam, zoals [gedaagde] hier (eerst) bij conclusie van dupliek heeft gedaan, is niet toereikend. Nu [gedaagde] voor het overige niets naar voren heeft gebracht dat afbreuk kan doen aan voormeld bewijsvermoeden, ook niet de door hem bij conclusie van antwoord (onder punt 3) nog aangekondigde -maar niet overgelegde- bewijsstukken waaruit blijkt dat hij die dag niet in Amsterdam zou zijn geweest, wordt er bij de verdere beoordeling van uitgegaan dat [gedaagde] het is geweest die zich als bestuurder van onderhavige voertuig op genoemde datum en tijd schuldig heeft gemaakt aan het door Q-Park aldus beschreven ‘treintje rijden‘. Het andersluidende verweer van [gedaagde] wordt dan ook, als onvoldoende feitelijk onderbouwd, verworpen. 3.5 Q-Park maakt jegens [gedaagde] aanspraak op het tarief ‘verloren kaart’, door haar gesteld op een bedrag van € 150,-. In dat verband heeft zij erop gewezen dat in (artikel 6.3 van) de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen dat ingeval van ‘treintje rijden’ de parkeerder, naast een aanvullende schadevergoeding van € 300,- (waarover hierna meer), het voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief ‘verloren kaart’ is verschuldigd, dat afhankelijk van de parkeerfaciliteit één, twee of driemaal het dagtarief bedraagt. In dat verband heeft zij bij dagvaarding foto’s van onder meer het informatiebord bij de ingang van de onderhavige parkeerfaciliteit in het geding gebracht, waarop volgens haar wordt gewezen op de (financiële) gevolgen van het uitrijden zonder te betalen. 3.6 [gedaagde] heeft ten aanzien hiervan weliswaar gesteld dat uit de algemene voorwaarden niet valt op te maken hoe hoog het tarief ‘verloren kaart’ in dit geval is (één, twee of driemaal het dagtarief), maar daarmee miskent hij dat uit de toelichting van Q-Park volgt dat de hoogte van het hier geldende tarief ‘verloren kaart’ is vermeld op het informatiebord bij de ingang van de parkeerfaciliteit (en dus niet wordt bepaald door de algemene voorwaarden). 3.7 Voorts heeft [gedaagde], maar eerst bij conclusie van dupliek, aangevoerd dat de door Q-Park bij dagvaarding overgelegde foto’s dermate onduidelijk zijn dat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat de hoogte van het hier geldende tarief ‘verloren kaart’ daadwerkelijk kenbaar is gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het echter op de weg van [gedaagde] hebben gelegen zijn beroep op de onduidelijkheid van bedoelde foto’s direct bij antwoord te doen, opdat Q-Park dan nog de gelegenheid zou hebben gehad bij conclusie van repliek duidelijke(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.