vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel Zittingsplaats Rotterdam zaaknummer / rolnummer: C/10/521818 / HA ZA 17-216 Vonnis van 21 maart 2018 in de zaak van de vennootschap naar Duits rechtLIDL E-COMMERCE INTERNATIONAL GmbH & Co KG, gevestigd te Neckarsulm, Duitsland, eiseres, advocaat mr. H. Orduseven-Semerci te Rotterdam, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. H.J. Ruysendaal te Rotterdam, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen. Partijen zullen hierna Lidl en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding met producties; de conclusie van antwoord zijdens [gedaagde sub 1] met producties; de oproepbrief van de rechtbank van 5 juli 2017 waarbij een comparitie is gelast; een akte d.d. 6 februari 2018 van depot zijdens Lidl van een dvd met beeldopnamen; het proces-verbaal van comparitie van 26 februari 2018, bij welke gelegenheid een door Lidl tevoren bij brief van 24 februari 2018 toegezonden productie in het geding is gebracht.1.2. Tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Op de voet van het bepaalde in artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt in de zaak van Lidl tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast: 2.2. Lidl is een internationale winkelketen. Deze houdt zich – onder meer – bezig met de online verkoop van consumentenartikelen op het gebied van foto’s en digitale prints. 2.3. [gedaagde sub 1] woont op het adres [adres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] hebben sinds eind 2015 een affectieve relatie. [gedaagde sub 1] stond in de hier relevante periode ingeschreven op het woonadres van [gedaagde sub 1] doch was in de periode van 2 februari 2016 tot 24 juni 2016 feitelijk gedetineerd in een penitentiaire inrichting te Zutphen. 2.4. In de periode van januari tot en met maart 2016 zijn door [gedaagde sub 1] op verzoek van [gedaagde sub 1] online bestellingen gedaan bij Lidl voor het maken en afleveren van ongeveer 200 foto artikelen op haar woonadres. Bij die bestellingen zijn door [gedaagde sub 1] verschillende namen gebruikt, steeds met dit woonadres. Een deel van de bestellingen is afgeleverd op het woonadres van [gedaagde sub 1] en door haar in ontvangst genomen. Bij de ondertekening van de ontvangstbevestiging zijn door [gedaagde sub 1] verschillende namen gebruikt. Lidl heeft de uitlevering van de overige bestellingen geblokkeerd, deze bevinden zich in het magazijn van Lidl. [gedaagde sub 1] heeft gepoogd de blokkade te omzeilen door bestellingen te doen waarin de combinatie van straatnaam en nummer is omgekeerd. 2.5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] hebben de facturen van Lidl ondanks sommatie en ingebrekestelling onbetaald gelaten tot een bedrag van in totaal € 26.419,48. De wettelijke rente over dit bedrag is berekend tot 26 september 2016: € 303,17. 2.6. Lidl heeft de vordering ter incasso uit handen gegeven aan een gemachtigde en een recherche bureau ingeschakeld om de identiteit van [gedaagde sub 1] - als degene die de onder 2.4 bedoelde bestellingen in ontvangst nam - vast te stellen. 3Het geschil 3.1. Lidl vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling van: - € 26.419,48, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW), berekend tot 26 september 2016 op € 303,17;- de wettelijke rente over de hoofdsom ex artikel 6:119 BW vanaf 26 september tot aan de dag der algehele voldoening;- de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.039,19; te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Lidl; [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lidl te betalen een schadevergoeding nader op te maken bij staat; [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling van de proceskosten. 3.2. [gedaagde sub 1] voert verweer met conclusie bij vonnis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de vordering van Lidl af te wijzen, althans niet ontvankelijk te verklaren, althans een vonnis af te geven als de rechtbank in alle redelijkheid meent te kunnen bepalen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Nu Lidl in Duitsland is gevestigd heeft de zaak een internationaal karakter en komt – ambtshalve – de vraag naar de bevoegdheid en het toepasselijk recht aan de orde. De vraag naar de bevoegdheid dient naar het oordeel van de rechtbank te worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde EEX-verordening. Krachtens deze verordening is – op enige zich hier niet voordoende uitzonderingen na – de rechter van de lidstaat waar gedaagde is gevestigd, bevoegd en dat is in dit geval Nederland.Voor het toepasselijk recht geldt krachtens zogenoemde Rome I verordening dat partijen in principe vrij zijn daarin een rechtskeuze te maken. Deze rechtskeuze kan ook stilzwijgend plaatsvinden als deze duidelijk blijkt uit de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. In dit geval is niet gesteld of anderszins gebleken dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst een rechtskeuze hebben gemaakt. Partijen hebben evenwel terzake hun rechtsbetrekking in de onderhavige procedure elk het Burgerlijk Wetboek aan hun stellingen ten grondslag gelegd en zich daarmee kennelijk beiden gebaseerd op toepasselijkheid van Nederlands recht. De rechtbank ziet hierin aanleiding dit als een rechtskeuze voor Nederlands recht te kwalificeren. 4.2. Lidl baseert de vordering in de eerste plaats op nakoming van de betalingsverplichting. 4.3. Voorzover de vordering zich richt tegen [gedaagde sub 1] is deze als onweersproken en op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar. 4.4. [gedaagde sub 1] voert verweer tegen de vordering tot nakoming en stelt hiertegenover: A. dat zij onbevoegd was tot het aangaan van de overeenkomsten met Lidl omdat zij bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2014 onder bewind is gesteld;B. dat er misbruik is gemaakt van [gedaagde sub 1] door [gedaagde sub 1] , getuige diens schriftelijke verklaring, een brief van Zorgbedrijf Palier forensische & intensieve zorg d.d. 10 januari 2017 en een behandelplan d.d. 22 januari 2015 betreffende [gedaagde sub 1] ;C. een beroep op het ontbreken van de wil overeenkomstig artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) “als duidelijk aangegeven in de beschikking van de rechtbank wegens lichamelijke of geestelijke toestand”; D. een beroep op eigen schuld van Lidl door in twee maanden zoveel te leveren terwijl de betalingstermijn van 14 dagen van meet af aan niet werd nageleefd;E. (ter comparitie:) dat Lidl op de hoogte was of kon zijn van de onderbewindstelling nu in de beschikking van de rechtbank staat dat deze door de griffier zal worden gepubliceerd. 4.5. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor weergegeven verweer van [gedaagde sub 1] geen hout snijdt.Ad A en E: [gedaagde sub 1] is bij beschikking van de rechtbank van 12 september 2014 onder bewind gesteld. Krachtens het bepaalde in artikel 1:439 BW kan de ongeldigheid van een rechtshandeling – die ongeldig is omdat zij ondanks het bewind werd verricht – slechts aan de wederpartij worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te kennen. Namens [gedaagde sub 1] is bij conclusie van antwoord aangetekend (al.4) dat de onderbewindstelling van [gedaagde sub 1] niet in het openbare Centrale Curatele- en bewindsregister is vermeld. heeft vervolgens voor het eerst ter comparitie het verweer gevoerd dat de onderbewindstelling van [gedaagde sub 1] gepubliceerd was en dus aan Lidl bekend kon zijn. beroept zich daartoe op de aankondiging in de beschikking van de rechtbank van 12 september 2014 dat de onderbewindstelling van [gedaagde sub 1] door de griffier zal worden gepubliceerd. Deze aankondiging is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.