Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/710514-16 Datum uitspraak: 14 februari 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteland verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. W.H.R. Hogewind, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 januari
- 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie, mr. J.A. Castelein, heeft vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit gevorderd. 4Waardering van het bewijs 4.
- Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 5In beslag genomen voorwerpen 5.
- Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen € 100,- teruggegeven dient te worden aan de verdachte. 5.
- Standpunt verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het in beslag genomen geld. 5.
- Beoordeling Nu de verdachte wordt vrijgesproken, zal voor het in beslag genomen geld een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. 6Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 7Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair dan wel het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; beslist ten aanzien van het voorwerp, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen € 100,-; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.C. van der Kolk, voorzitter, en mrs. S.N. Abdoelkadir en E.B.J. van Elden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat primair hij, in of omstreeks de periode van 13 december 2016 tot en met 20 december 2016 te Rotterdam en/of Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) ongeveer 477,09 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; subsidiair hij, op of omstreeks 20 december 2016 te Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 477,09 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.