vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/548234 / KG ZA 18-360 Vonnis in kort geding van 8 mei 2018 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , wonende te Fijnaart, 2. [naam eiser 2], wonende te Halsteren, 3. [naam eiser 3], wonende te Maassluis, eisers, advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam gedaagde] , gevestigd te Delft, kantoorhoudende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. J.P.M. Boulet te Amsterdam. Eisers zullen hierna worden aangeduid als [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiser 3] . Gedaagde zal hierna [naam gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 18 april 2018, met producties; de akte van eisers, met (aanvullende) producties; de producties van [naam gedaagde] ; de aanvullende producties van [naam gedaagde] , bestaande uit de 22 en 30 producties die [naam gedaagde] ook bij de verzoeken tot ontbinding van arbeidsovereenkomsten van [naam eiser 2] en [naam eiser 3] heeft gevoegd; de mondelinge behandeling gehouden op 26 april 2018; de pleitnota van eisers; de pleitnota van [naam gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [naam gedaagde] houdt zich bezig met onder meer het ontwerp en de productie van chromatografische analysatoren (laboratoriumapparatuur) voor de koolstof verwerkende industrie, waaronder de olie-industrie. [naam gedaagde] maakt onderdeel uit van de Amerikaanse groep [naam bedrijf 1] . Van die groep is ook onderdeel [naam bedrijf 2] , een in Houston (Verenigde Staten) gevestigde zustervennootschap van [naam gedaagde] . CEO (in de stukken ook wel aangeduid als ‘President’) van [naam bedrijf 2] is de heer [naam 1] . 2.2. Tussen [naam gedaagde] en eisers bestaan de volgende arbeidsovereenkomsten: [naam eiser 1] is met ingang van 1 september 2016 in dienst getreden van [naam gedaagde] in de functie van business unit director tegen een brutosalaris van thans € 211.000,-- per jaar, inclusief vakantiegeld, maar exclusief bonussen; [naam eiser 2] is met ingang van 11 maart 2017 in dienst getreden van [naam gedaagde] en vervult thans de functie van senior controller. Zijn huidige brutosalaris bedraagt € 142.560,-- per jaar, inclusief vakantiegeld maar exclusief bonussen; [naam eiser 3] is met ingang van 1 mei 1998 in dienst getreden van [naam gedaagde] en vervult thans de functie van director of operations (and engineering). Zijn huidige brutosalaris bedraagt € 118.000,-- per jaar, inclusief vakantiegeld, maar exclusief bonussen. 2.3. [naam eiser 1] is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurder van [naam gedaagde] . Naast [naam eiser 1] is ook [naam bedrijf 3] , aandeelhoudster van [naam gedaagde] , als bestuurder ingeschreven. Van [naam bedrijf 3] is [naam bedrijf 1] (middellijk) de enige aandeelhouder. 2.4. Eisers maken deel uit van het managementteam van [naam gedaagde] , waarvan [naam eiser 1] de hoogst leidinggevende is. In de arbeidsovereenkomst met [naam eiser 1] is bepaald dat zij verantwoording moet afleggen aan [naam 1] . 2.5. Binnen [naam gedaagde] wordt gewerkt met een document Quality Manual [naam bedrijf 3] Analytical Controls BV Rotterdam, waarvan onderdeel uitmaakt een document met als titel [naam bedrijf 2] Autorization Levels (hierna: AL). Het AL bevat een bevoegdhedenmatrix waarin voor zover hier van belang opgenomen dat [naam eiser 3] bevoegd is om financiële verplichtingen (zoals inkooporders) aan te gaan tot een bedrag van $ 10.000,- en dat boven dat bedrag één of meer extra handtekeningen vereist zijn. 2.6. Binnen [naam gedaagde] wordt voorts gewerkt met een ERP-systeem, waarin onder meer inkooporders en facturen worden ingevoerd. 2.7. Tweejaarlijks vindt vanuit [naam bedrijf 1] een audit plaats, waarbij de volledige onderneming van [naam gedaagde] wordt doorgelicht, waarbij onder meer de naleving van de interne regels aan de orde is. Daarnaast vinden ook externe audits plaats. De laatste in- en externe audits waren in 2017. 2.8. Daarnaast wordt binnen [naam gedaagde] gewerkt met een document getiteld Product Development Proces (hierna: PDP), met daarin een protocol dat doorlopen dient te worden bij de ontwikkeling van nieuwe producten. In dit protocol worden verschillende fases (ook wel stages of gates genoemd) onderscheiden, met per fase verschillende bevoegdheden, waarbij elke fase dient te worden goedgekeurd voordat een volgende fase kan worden aangevangen. Voor zover hier van belang, worden in het PDP onder meer onderscheid gemaakt tussen Fase 3 (een ontwikkelfase), Fase 4 (een testfase, waarin het design aan de hand van bèta-units (prototypes) gevalideerd wordt) en Fase 5 (waarin voor de eindgebruiker bestemde producten worden aangekocht). 2.9. Nadat daarover binnen [naam bedrijf 1] sinds 2013 is gesproken, is [naam gedaagde] op of omstreeks 21 februari 2017 van start gegaan met het project door partijen aangeduid als [naam project] (hierna: het Project). Met het Project wordt beoogd een verbeterde vervanger op de markt te brengen van een laboratoriumapparaat (een chromatographic analyzer), dat reeds door [naam bedrijf 1] op de markt wordt gebracht. [naam bedrijf 1] heeft voor dit project in januari 2016 een bedrag van 1.1 miljoen dollar begroot, hetgeen later is verhoogd tot 2.2 miljoen dollar. De looptijd van het Project is bepaald op 18 maanden gerekend vanaf de start tot de eerste klantverkoop. 2.10. Binnen [naam gedaagde] wordt het Project geleid door [naam eiser 3] . [naam eiser 2] is belast met het financiële toezicht en [naam eiser 1] is eindverantwoordelijke. De beoogde productie van de apparaten geschiedt deels door [naam bedrijf 4] , een vaste handelspartner van [naam gedaagde] . 2.11. Nadat eerder goedkeuring was verleend voor Fases 1 en 2, is op 23 november 2017 goedkeuring verleend voor (de afsluiting van) Fase 3 alsmede voor de aanschaf van extra bèta-units in Fase 4. 2.12. Tussen juni en augustus 2017 heeft [naam eiser 3] met de heer [naam 2] , Global Controller binnen [naam bedrijf 2] gecorrespondeerd over de autorisatie van bepaalde betalingen. 2.13. In maart 2018 heeft [naam eiser 3] gesproken met [naam bedrijf 4] over een opdracht voor de productie van 150 machines (productie-eenheden). Bij e-mail van 14 maart 2018 heeft [naam bedrijf 4] aan [naam eiser 3] geschreven dat zij de opdracht tot levering van 150 ElemeNtS systemen in een overeenkomst gaat gieten. 2.14. Op 19 februari 2018 is er een vergadering geweest, waarbij onder meer [naam eiser 1] en [naam 1] aanwezig waren. Tijdens deze vergadering is de begroting van [naam gedaagde] voor het eerste kwartaal van 2018 goedgekeurd. 2.15. Tijdens een vergadering gehouden op 20 februari 2018 heeft [naam 1] voorgesteld om de kosten voor de 10 bèta-units niet te boeken als ontwikkelkosten. 2.16. Op 26 maart 2018 hebben twee medewerkers van [naam bedrijf 2] (mevrouw [naam 3] en [naam 4] een bezoek gebracht aan [naam gedaagde] . Zij hebben vervolgens gedurende drie dagen gesprekken gevoerd met medewerkers van [naam gedaagde] , onder wie eisers. 2.17. Op 28 maart 2018 hebben [naam 3] en [naam 4] aan eisers te kennen gegeven dat zij met behoud van salaris werden geschorst en dat zij onder inlevering van hun laptops en toegangspassen het pand dienden te verlaten. 2.18. Op 5 april 2018 hebben partijen een bespreking gehad in het bijzijn van hun advocaten. 2.19. Bij brief van 9 april 2018 hebben eisers [naam gedaagde] gesommeerd hen toegang te verlenen tot hun werkzaamheden. 2.20. Bij brieven van 13 april 2018 hebben [naam 1] (namens [naam bedrijf 2] ) en de heer [naam 5] , bestuurder van [naam bedrijf 3] , aan eisers een toelichting gegeven op de uitkomsten van het interne onderzoek en de handhaving van de schorsing. In deze brieven schrijven zij onder meer dat er bewijs is dat eisers verwijtbaar in strijd met de geldende regels en afspraken hebben gehandeld en dat zij zullen worden ontslagen. 2.21. [naam gedaagde] heeft eisers aangeboden hen op 22 april 2018 een persoonlijke toelichting te verschaffen op hun schorsing. Eisers hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2.22. Bij aandeelhoudersbesluit van 23 april 2018 heeft de aandeelhoudster van [naam gedaagde] besloten [naam eiser 1] als statutair bestuurder te ontslaan. Bij brief van 23 april 2018 heeft [naam gedaagde] dit besluit aan [naam eiser 1] meegedeeld en haar aangezegd dat haar arbeidsovereenkomst eindigt per 1 juni 2018. 2.23. Op 25 april 2018 heeft [naam gedaagde] ontbindingsverzoeken voor [naam eiser 2] en [naam eiser 3] ingediend bij kantonrechter. De stand van zaken in deze procedures is de voorzieningenrechter niet bekend. 3Het geschil 3.1. Eisers vorderen – samengevat – [naam gedaagde] te veroordelen hen onvoorwaardelijk en volledig tot hun eigen werkzaamheden toegang te geven en om in dat kader alle relevante systemen waartoe eisers in de normale uitoefening van hun werkzaamheden toegang toe hadden voor hen open te stellen, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten. 3.2. Aan deze vordering leggen eisers het volgende ten grondslag. [naam gedaagde] heeft eisers zonder opgave van redenen geschorst. De nadere toelichting levert geen voldoende zwaarwegende grond op voor de opgelegde schorsing, laat staan het aangezegde ontslag. Eisers hebben gehandeld binnen de hen bekende regels en conform het ERP-systeem en dat was niet anders dan dat gedurende de afgelopen zes jaar binnen [naam gedaagde] gebruikelijk was en steeds door middel van interne en externe audits is goedgekeurd. Het Project verloopt geheel volgens de vooraf door [naam bedrijf 1] gemaakte planning (Roadmap) en afwijkingen en verschuivingen in het budget zijn steeds met goedkeuring van [naam 1] gebeurd. Mede gelet op de kleine markt waarbinnen [naam gedaagde] opereert, heeft de aan eises opgelegde schorsing een diffamerende werking. Het belang van eisers om hun werkzaamheden zo snel mogelijk te hervatten is dan ook evident. Daarnaast hebben eisers er belang bij dat zij weer toegang krijgen tot alle voor hun functie relevante systemen, waarin zich ook voor dit geschil relevante bewijsstukken bevinden. 3.3. [naam gedaagde] voert – kort weergegeven – de volgende verweren. [naam gedaagde] heeft voldoende gronden om eisers niet meer tot het werk toe te laten. Deze zelfde gronden hebben ook geleid tot de ontbindingsverzoeken ten aanzien van [naam eiser 2] en [naam eiser 3] en het ontslag van [naam eiser 1] per 1 juni 2018. In verband met budgetoverschrijdingen (met meer dan een miljoen euro) binnen het Project en de verzoeken van [naam eiser 1] om extra budget, heeft [naam bedrijf 2] een intern onderzoek ingesteld. Daaruit is gebleken dat eisers bewust en structureel in strijd met de binnen de organisatie geldende regels hebben gehandeld, hetgeen potentieel grote schade aan de organisatie kan toebrengen. Zo hebben eisers toegelaten dat [naam gedaagde] al voorafgaand aan de goedkeuring van Fase 4 een verplichting is aangegaan met betrekking tot de aankoop van 150 eenheden voor een bedrag van € 1.9 miljoen. Daarnaast zijn facturen ontvangen en ingeboekt voorafgaand aan de goedkeuring van de bijbehorende inkooporder en zijn uitgaven opgeknipt om de bevoegdheidsregels te omzeilen. De schorsing van eisers is mede ingegeven door het gebrek aan medewerking en transparantie van hun kant. Eisers hebben de verantwoordelijkheid voor een goede bedrijfsvoering binnen de Nederlandse tak van het concern. Zij hebben dit vertrouwen beschaamd en [naam gedaagde] heeft geen enkel vertrouwen meer in hen, zodat een onwerkbare situatie is ontstaan. Wedertewerkstelling in afwachting van het ontslag, dan wel de uitspraak op het ontbindingsverzoek leidt tot onrust op de werkvloer, zodat ook op grond van een belangenafweging de vordering van eisers moet worden afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Tussen partijen is in geschil of eisers dienen te worden toegelaten tot de met [naam gedaagde] overeengekomen werkzaamheden. 4.2. [naam eiser 1] heeft zich in de dagvaarding op het standpunt gesteld dat zij statutair bestuurder is van [naam gedaagde] , zoals dit ook staat vermeld in het Handelsregister. Later in de procedure – zowel in de akte als tijdens de zitting – heeft zij gesteld dat zij slechts titulair bestuurder is en dat er aan haar inschrijving als bestuurder geen (impliciet) aandeelhoudersbesluit ten grondslag ligt. [naam gedaagde] heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Ter zitting heeft [naam gedaagde] de standpuntverandering van [naam eiser 1] opvallend genoemd en overigens slechts opgemerkt dat haar bestuurderschap in deze procedure niet ter discussie staat. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is geworden dat er een benoemingsbesluit is, zal de voorzieningenrechter tot uitgangspunt nemen dat [naam eiser 1] een gewone werknemer is en dat het aandeelhoudersbesluit en daarmee het aangezegde ontslag geen werking heeft. Het aan [naam eiser 1] aangezegde ontslag zal daarom niet in de beoordeling worden betrokken. 4.3. De toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer om in de gelegenheid te worden gesteld de overeenkomst arbeid of andere passende arbeid te verrichten, moet beoordeeld worden aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW, die verwijst naar wat een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze maatstaf brengt in het algemeen gesproken mee dat de toewijsbaarheid van een vordering tot wedertewerkstelling afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. HR 12 mei 1989, ECLI:NL:PHR:1989:AC2497). Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat van een goed werkgever gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten, wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten (vgl. onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2420). 4.4. In deze procedure ligt het op de weg van [naam gedaagde] als werkgever om aannemelijk te maken dat schorsing terecht is gegeven. De beoordeling zal worden beperkt tot de ter zitting besproken verwijten, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.