Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/997380-15 Uitspraakdatum: 30 mei 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , bijgestaan door mr. M.T. van der Wulp, mr. W.M. Shreki en mr. E.M. Witjens, advocaten te Rotterdam 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13, 17, 18, 19 april en 30 mei 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3De eis van de officier van justitie De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en een proeftijd van 2 jaar; opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. 4. Waardering van het bewijs, 4.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De geldbedragen die zijn ontvangen op de bankrekeningen van de verdachte, hebben geen criminele herkomst: het zijn bedragen afkomstig uit de bitcoinhandel van medeverdachte [naam medeverdachte 1] en niet van enige eigen handel. Een brondelict valt ook niet aan te wijzen. Zo er al een vermoeden van witwassen is, dan geldt dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring over de legale herkomst heeft gegeven, namelijk de bitcoinhandel van [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 1] heeft voor zijn handel een uitleg gegeven en de bevindingen van de FIOD gemotiveerd betwist. De verdediging sluit zich aan bij de verweren die door [naam medeverdachte 1] en zijn verdediging zijn gevoerd over de bitcoinhandel van [naam medeverdachte 1] . Zou al aangenomen worden dat een deel van de bitcoinhandel van [naam medeverdachte 1] witwassen betreft, dan staat niet vast dat dit ook voor de verdachte geldt. Uit AMB-197 blijkt immers al dat [naam medeverdachte 1] ook legale bitcoins had uit mining. Niet vaststaat welk concreet deel van de bitcoinhandel van [naam medeverdachte 1] via de bankrekeningen van de verdachte liep. De verdachte had in ieder geval geen wetenschap van enige beweerdelijke criminele herkomst. Hij meende dat het steeds ging om legale handel van [naam medeverdachte 1] . De verdachte ging er daarbij van uit dat het steeds om hetzelfde bedrag van € 10.000,- ging dat steeds opnieuw werd geïnvesteerd. De verdachte en [naam medeverdachte 1] waren bovendien al geruime tijd bevriend en [naam medeverdachte 1] is – zoals op zitting is gebleken – zeer overtuigend. Het is dan ook goed te begrijpen dat de verdachte [naam medeverdachte 1] geloofde. Van medeplegen is geen sprake omdat er geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking: de verdachte had een ondergeschikte rol en die rol lijkt meer op medeplichtigheid dan op medeplegen. 4.2. De beoordeling 4.2.1. Juridisch kader Voor een bewezenverklaring van witwassen van een voorwerp is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat hoeft niet een nauwkeurig aangeduid misdrijf te zijn. Als er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een delict kan toch bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om dergelijke feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo’n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. 4.2.2. De rol van de verdachte in de bitcoinhandel van medeverdachte [naam medeverdachte 1] Het is niet in geschil dat de verdachte op zijn bankrekeningen geldbedragen ontving in verband met de bitcoinhandel van medeverdachte [naam medeverdachte 1] , dat hij deze pinde en aan [naam medeverdachte 1] gaf., De ontvangen bedragen werden deels overgemaakt door bitcoinbedrijven, deels kwamen zij van bankrekeningen van [naam medeverdachte 1] en diens bedrijven. In totaal gaat het om ongeveer 1,4 miljoen euro. De verdachte handelde daarbij in opdracht van [naam medeverdachte 1] . In totaal heeft de verdachte € 1.394.610 aan contanten opgenomen voor [naam medeverdachte 1] tegen een symbolische vergoeding. kocht met dat contante geld bitcoins in, die hij vervolgens verkocht, onder meer via beurzen. 4.2.3. Is er sprake van een vermoeden van witwassen? Het verwijt aan de verdachte is het medeplegen van witwassen van bitcoins en geldbedragen. Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen als herkomst van de bitcoins en de gelden. De vraag is dus of wel vastgesteld kan worden dat ze van enig misdrijf afkomstig zijn. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Dat vermoeden volgt uit het feit dat de verdachte toeliet dat [naam medeverdachte 1] grote geldbedragen overmaakte c.q. liet uitbetalen op de bankrekeningen van de verdachte, hij ook daarvoor bankrekeningen opende en hij het geld pinde en afdroeg aan [naam medeverdachte 1] . 4.2.4. Verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van de bitcoins De verdachte heeft het vermoeden van witwassen onvoldoende weerlegd. Hij stelt namelijk over de bitcoins en de gelden niet meer, dan dat deze van [naam medeverdachte 1] waren en uit diens bitcoinhandel kwamen. Dat is geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring waaruit een legale herkomst blijkt. [naam medeverdachte 1] wordt bij vonnis van heden eveneens veroordeeld voor witwassen. Voor de overwegingen en bewijsmiddelen die hebben geleid tot die veroordeling wordt verwezen naar bijlage II bij dit vonnis. Wel is duidelijk dat [naam medeverdachte 1] , naast bitcoins van criminele herkomst, ook bitcoins van niet-criminele herkomst had, maar de verdachte geeft geen begin van een uitleg waaruit zou kunnen blijken dat juist het niet criminele deel langs zijn bankrekeningen liep en dat [naam medeverdachte 1] met het contante geld dat [naam verdachte] voor hem pinde juist bitcoins van niet-criminele herkomst aankocht. Dat ligt ook niet voor de hand, gegeven het feit dat [naam medeverdachte 1] de verdachte en diens bankrekeningen gebruikte op de wijze zoals hiervoor geschetst. Bij gebreke aan een afdoende verklaring omtrent een legale herkomst, moet dan ook geoordeeld worden dat de gelden die over de bankrekeningen van de verdachte liepen, een criminele herkomst hadden. Dat geldt ook voor de verkochte bitcoins die aan die gelden ten grondslag liggen. 4.2.5. Wist de verdachte van de criminele herkomst? Uit het dossier en het verhandelde op zitting blijkt zonder meer dat [naam medeverdachte 1] veel meer kennis heeft over bitcoins en de handel daarin dan de verdachte. [naam medeverdachte 1] kan, zo is ook op zitting gebleken, zeer overtuigend zijn. Met de verdediging twijfelt de rechtbank er niet aan dat [naam medeverdachte 1] de verdachte heeft kunnen aansturen. Die aansturing ging blijkens het dossier ver, en volgt ook uit het feit dat de verdachte alleen Litouws spreekt en geen Nederlands en nauwelijks Engels. Hij was dus van [naam medeverdachte 1] afhankelijk als het ging om contacten met banken en klanten. Dat neemt niet weg dat de verdachte heeft meegewerkt aan de bitcoinhandel van [naam medeverdachte 1] op de wijze zoals hiervoor omschreven. Het kan het niet anders dan dat hij op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij meewerkte aan witwassen. Het openen van een groot aantal bankrekeningen en deze voor en door een ander (laten) gebruiken en het pinnen en afdragen van de gelden, is voldoende voor die conclusie. 4.2.6. Overige overwegingen 4.2.6.1. Verweren die door de verdediging van medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn gevoerd De verdediging heeft zich aangesloten bij de verweren die zijn gevoerd door de verdediging van medeverdachte [naam medeverdachte 1] . De rechtbank heeft die verweren in de zaak van [naam medeverdachte 1] grotendeels verworpen in een vonnis van gelijke datum. Gelet op de verwevenheid van de beide zaken, heeft de rechtbank een afschrift van dat vonnis als bijlage II bij dit vonnis gehecht. Zij verwijst voor een inhoudelijke reactie op de verweren naar die bijlage. 4.2.6.2. Medeplegen of medeplichtigheid? Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte. Dat [naam medeverdachte 1] daarbij het overwicht en overzicht had en de verdachte – als geldezel – alleen uitvoerende handelingen verrichtte, doet er niet aan af dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het witwassen heeft geleverd door middel van het gedurende lange tijd beschikbaar stellen van bankrekeningen, het steeds weer pinnen van de geldbedragen en het aansturen van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] . 4.2.6.3. Precieze geldbedrag De officier van justitie gaat blijkens zijn requisitoir uit van een witgewassen bedrag van € 1.473.910,-. De verdediging stelt dat niet duidelijk is waar dit bedrag vandaan komt: in DOC-658 en DOC-658a wordt immers een bedrag van € 1.394.610,- genoemd. De verdediging wijst er verder op dat de onderliggende bankrekeningafschriften zich niet in het dossier bevinden en dat een controle daardoor niet mogelijk is. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het schriftelijke requisitoir blijkt dat de officier van justitie uitgaat van DOC-658a. In dat document zijn de geldstromen van [naam medeverdachte 1] in kaart gebracht. Vermeld wordt dat er een bedrag van € 903.579 is betaald op bankrekeningen van de verdachte door bitcoinbeurzen en dat een bedrag van € 569.955 is ontvangen van [naam medeverdachte 1] . Gezamenlijk is dit € 1.473.534,-. Daarvan is volgens DOC-658a een bedrag van € 1.394.610,- - het bedrag waar de verdediging naar verwijst – contant opgenomen. De tenlastelegging heeft betrekking op zowel contante als girale gelden. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte blijkt dat alle bedragen die de verdachte op zijn bankrekeningen ontving verband hielden met de bitcoinhandel van [naam medeverdachte 1] . De rechtbank zal daarom op grond van DOC-658a een bedrag van € 1.473.534,- bewezen verklaren. 4.2.6.4. Pleegperiode De tenlastegelegde periode betreft de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 april 2016. Uit het dossier blijkt dat [naam medeverdachte 1] in maart 2015 Nederland is ontvlucht na een confrontatie met medeverdachte [naam medeverdachte 3] . Niet gebleken is dat de verdachte nadien nog heeft samengewerkt met [naam medeverdachte 1] . De verdachte zal daarom worden vrijgesproken voor de periode na 31 maart 2015. 4.3 Bewezenverklaring Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan op die wijze dat: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, a. voorwerpen, te weten een (grote) hoeveelheid bitcoins en geldbedragen van in totaal 1.473.534,- euro heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.