Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/690336-17 Datum uitspraak: 8 maart 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Krimpen aan den IJssel, raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2017 en 22 februari 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1,2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest; verbeurdverklaring van de in beslag genomen auto, telefoons en het geldbedrag van € 1.215,00. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.2. Vrijspraak feit 2 4.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit heeft begaan en heeft daarbij gelet op de herkenning van de verdachte door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] . De verbalisanten zeggen de verdachte ambtshalve te hebben herkend op het moment dat hij op 13 augustus 2017 op zijn scooter reed. De herkenning zou volgens de verbalisanten hebben plaatsgevonden door het vizier van de helm dat in zijn geheel open stond. 4.2.2. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen behoedzaam dient te worden omgegaan met een herkenning, ook indien deze herkenning door verbalisanten wordt gedaan. Dit geldt des te sterker bij gebreke van andere bewijsmiddelen die de betrokkenheid van de verdachte ondersteunen. Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben de persoon die op 13 augustus 2017, rijdend achter hun auto, vanaf een scooter verdovende middelen onder een stilstaand voertuig heeft gegooid herkend als de verdachte. De herkenning zou plaats hebben gevonden door het openstaande vizier van de helm van de verdachte, waarbij niet is vermeld welk gedeelte van het gezicht daardoor zichtbaar was. Evenmin is aangegeven aan de hand van welke specifieke kenmerken de herkenning heeft plaatsgevonden. Gezien deze omstandigheden en het feit dat zich in het dossier geen andere bewijsmiddelen bevinden waaruit de betrokkenheid van de verdachte blijkt, heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat het de verdachte is geweest die op 13 augustus 2017 de verdovende middelen onder een auto heeft gegooid en daarmee voorhanden heeft gehad. 4.2.3. Conclusie Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.3. Bewijswaardering – feit 1 4.3.1. Standpunt verdediging Door de verdediging is bepleit dat de verdachte zich weliswaar bezig heeft gehouden met de handel in harddrugs, maar dat dit is geweest gedurende een aanzienlijk kortere periode dan is ten laste gelegd. De verdediging heeft aangevoerd dat een bewezenverklaring slechts plaats kan vinden vanaf het moment dat volgens de verklaring van de verdachte de handel werd waargenomen voor zijn vriend, te weten eind juli 2017. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het feit bewezen verklaard kan worden vanaf het moment dat de melding door de buurtbewoonster is gedaan, namelijk 3 mei 2017. 4.3.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 augustus 2017 heeft bezig gehouden met de handel in harddrugs. Zij voert daartoe aan dat door getuigen [naam getuige 1] (“half jaar tot ¾ jaar”) en [naam getuige 2] (“de laatste twee jaren”) is verklaard dat zij al over een langere periode hun verdovende middelen kochten bij de verdachte, die zij herkenden als zijnde een persoon die “ [nickname verdachte] ” werd genoemd. Ten voordele van de verdachte gaat de officier van justitie uit van 1 januari 2017 als startdatum van de pleegperiode. Als einddatum houdt de officier van justitie 21 augustus 2017 aan, de dag vóór de aanhouding van de verdachte. 4.3.2. Beoordeling Vast staat dat de verdachte als drugsdealer actief is geweest. De verdachte heeft hierover tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf eind juli 2017 tot en met het moment van zijn aanhouding (22 augustus 2017), van een goede vriend telefoons en wat drugs heeft gekregen, met de bedoeling voor deze vriend voor korte tijd de handel in drugs waar te nemen tijdens diens verblijf in het buitenland. Drie getuigen ( [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en [naam getuige 3] ) verklaren dat zij op regelmatige basis drugs kochten bij een persoon die zij [nickname verdachte] noemen en dat zij daarmee contact opnamen via het telefoonnummer dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding in gebruik had. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte zich al vóór 22 maart 2017 bezig hield met de handel in verdovende middelen. Uit het proces-verbaal met betrekking tot het onderzoek van de historische verkeersgegevens van de onder de verdachte in beslag genomen telefoons blijkt dat deze gegevens niet verder teruggaan dan 22 maart 2017. Gelet op het ontbreken van ondersteunend bewijs ten aanzien van de drugshandel door de verdachte in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 maart 2017, zal de rechtbank 22 maart 2017, het moment waarop intensieve telefonische contacten met afnemers startten, als beginpunt van de pleegperiode nemen. In het licht van de verklaringen van de getuigen omtrent hun drugsaankopen, waarbij zij hebben verklaard dat zij steeds bij [nickname verdachte] kochten en één getuige de verdachte heeft herkend als [nickname verdachte] , alsmede het onderzoek naar telefoons van de verdachte, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij slechts een aantal weken de drugslijn heeft bediend ongeloofwaardig. 4.3.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich in de periode van 22 maart 2017 tot en met 22 augustus 2017 schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: 1. hij op meerdere tijdstippen in de periode van 22 maart 2017 tot en met 21 augustus 2017 te Rotterdam, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) middel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.