Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/740517-17 Datum uitspraak: 21 maart 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel. raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. I. Streefland heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting, opname in een instelling begeleid wonen of maatschappelijke opvang, alsmede enkele het gedrag betreffende voorwaarden. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering feiten 1, 2 en 3 primair 4.1.1. Standpunt officier van justitie Volgens de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de aan hem onder 3 primair ten laste gelegde woninginbraak mede heeft gepleegd. 4.1.2. Standpunt verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de 965,6 gram cocaïne (feit 1) heeft hij aangevoerd dat de aangetroffen dactyloscopische sporen van de verdachte op het pakket onvoldoende zijn voor bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs. Ten aanzien van het medeplegen van de poging tot inbraak in de woning (feit 2) heeft de raadsman aangevoerd dat de huurder van deze woning geen aangifte heeft gedaan en dat de mogelijkheid bestaat dat hij degene is die heeft geprobeerd in de woning te komen. Ten aanzien van het medeplegen van de onder 3 primair tenlastegelegde woninginbraak heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de persoon is op de camerabeelden en dat er ook overigens geen bewijs is dat de verdachte de woninginbraak heeft gepleegd. 4.1.3. Beoordeling De rechtbank zal per feit bespreken van welke feiten en omstandigheden zal worden uitgegaan. Daarna zal, eveneens per feit, worden aangegeven tot welke conclusie dit leidt. Feit 1 In de woning die is gelegen aan de [adres delict 1] te Rotterdam is op 16 oktober 2017 een pakket aangetroffen met als inhoud, zo bleek uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, bijna 1 kilogram van een materiaal dat cocaïne bevat. Op de verpakking van dit pakket zijn door de politie dactyloscopische sporen aangetroffen van de verdachte, te weten: een spoor dat afkomstig is van de rechter middelvinger en een spoor dat is geïdentificeerd als een handpalmspoor. Het dossier bevat verder camerabeelden van 16 oktober 2017 van het portiek en de lift van het appartementencomplex waartoe de voornoemde woning behoort, waarop een man is te zien die aanvankelijk slippers draagt en later rode sportschoenen. De slippers heeft hij, voor zover te zien op de beelden, op dat moment niet bij zich. Deze man draagt ook een pet met bepaalde kenmerken. De verdachte wordt door de politie herkend als de persoon op de beelden. Bij de verdachte zijn bij zijn latere aanhouding een pet, slippers en een paar rode sportschoenen aangetroffen die geheel overeenkomen met de pet, slippers en schoenen op de camerabeelden. Verder heeft de politie kunnen vaststellen dat de man op 16 oktober 2017 naar de 10e verdieping gaat van het appartementencomplex aan de [adres delict 1] , en in de richting loopt van de woning met huisnummer 170. De rechtbank acht op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is die de hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad op 16 oktober 2017. Hij is die dag in het pand geweest waar de hoeveelheid cocaïne is aangetroffen. Zijn verklaring dat hij mogelijk ooit ergens verpakkingsmateriaal heeft aangeraakt en dat daardoor later zijn dactyloscopische sporen zijn aangetroffen op het pakket dat is aangetroffen in de woning [adres delict 1] , schuift de rechtbank als volstrekt onaannemelijk terzijde. Niet alleen op grond van de totale bewijslast in zijn richting die volgt uit de bovenstaande bewijsmiddelen, maar bovendien omdat het zich niet eenvoudig laat voorstellen hoe vingerafdrukken die zijn achtergebleven op (los) verpakkingsmateriaal tijdens het sporenonderzoek het beeld opleveren dat is aangetroffen op het pakket: de sporen (een vingerafdruk en een handpalmafdruk) “passen” kennelijk precies op het driedimensionaal object dat wordt gevormd door de verpakking van het pakket met cocaïne. Het is dan veel voor de hand liggender dat de vinger- en handpalmafdruk er op zijn gezet toen het pakket al in de huidige vorm was, dus met strafbare inhoud. Feiten 2 en 3 De rechtbank zal de feiten 2 en 3, gelet op de samenhangende bewijsmiddelen, gezamenlijk bespreken. Op 15 april 2017 is de verdachte, tegelijk met een ander, aangehouden in het trapportaal van een wooncomplex waarin tevens de woning [adres delict 2] te Rotterdam is gelegen. De verdachte heeft een aantoonbaar onjuiste verklaring afgelegd over de reden van zijn aanwezigheid op die plaats. De persoon die hij zegt te willen bezoeken, naar gebleken is de melder van de poging tot inbraak, heeft verklaard dat hij de verdachte niet kent. De melding aan de politie is gedaan omdat de melder breekgeluiden hoorde en via camera’s personen in het trapportaal zag die hier niets te zoeken hadden. Op camerabeelden die zijn gemaakt kort voor de aanhouding van de verdachte is te zien dat de verdachte een voorwerp wegstopt achter een vuilniszak en dat hij handschoenen uitdoet en deze verstopt onder zijn kleding. Dat voorwerp bleek een tas te zijn van het merk Head. Deze tas is onderzocht en bleek onder andere een breekijzer te bevatten. Bij de woning [adres delict 2] zijn breeksporen aangetroffen. Van drie van deze sporen is zeer aannemelijk dat deze zijn veroorzaakt door het in die tas aangetroffen breekijzer. De eigenaar van de woning heeft aangifte gedaan van het feit. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een of meer anderen heeft geprobeerd in te breken in de woning [adres delict 2] te Rotterdam. Uitsluitend de komst van de politie heeft verhinderd dat er ingebroken werd. De door de raadsman geschetste alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van de verdachte mist elk realiteitsgehalte, en kan om die reden verder onbesproken blijven. Dit temeer omdat de verdachte niet bereid is om, in de gegeven omstandigheden, feiten en omstandigheden te noemen die een redelijke verklaring opleveren voor zijn gedragingen nabij de woning waar is geprobeerd in te breken. De tas die op 15 april 2017 is aangetroffen bij de verdachte is tevens de schakel naar feit 3 op de dagvaarding, het medeplegen van de inbraak aan de [adres delict 3] te Rotterdam. De aangeefster van dit feit heeft op een later moment deze tas herkend als de tas die, naast een grote hoeveelheid sieraden, is weggenomen bij de inbraak in haar woning op 31 maart 2017. Aangeefster herkent haar tas aan het uiterlijk in combinatie met een label van een vliegtuigmaatschappij aan de tas. Ook in dit dossier zijn camerabeelden opgenomen. Deze beelden laten, voor zover thans van belang, twee mannen zien in de lift die op een tijdstip rond het vermoedelijke tijdstip van de inbraak elkaar begroeten en niet al te lange tijd later gezamenlijk instappen met de tas die de verdachte herkend heeft als haar tas. Deze mannen verlaten gelijktijdig de lift en lopen samen weg. Een van deze twee mannen is door verbalisanten herkend als de verdachte. De verdachte bleek verder op 15 april 2017 in het bezit van deze tas, terwijl er in deze tas inbrekerswerktuigen werden vervoerd en verdachte toen daarmee doende is geweest om een woninginbraak te plegen. De omstandigheid dat verdachte op 15 april 2017 in het bezit is van deze tas, versterkt in belangrijke mate de herkenning van de verdachte op het beeldmateriaal. Ook laten deze bewijsmiddelen zien dat er een rechtstreeks verband is tussen de twee mannen in de lift zonder de tas, en de beelden van enige tijd later van de twee mannen met de tas. Een tas die kort tevoren is ontvreemd uit de woning van aangeefster. Verdachte heeft niet willen vertellen hoe hij aan deze tas is gekomen. Anders dan de officier van justitie en de raadsman komt de rechtbank op grond van bovenstaande bewijsmiddelen tot de slotsom dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander deze woninginbraak heeft gepleegd. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 hij op 16 oktober 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 965,6 gram, cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op 15 april 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres delict 2] weg te nemen goederen toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak - een breekijzer en/of een schroevendraaier tegen de voordeur van genoemde woning heeft/hebben gezet en - met een breekijzer en/of een schroevendraaier heeft/hebben gewrikt in de naad tussen de voordeur en/of het deurkozijn van die woning en/of in de naad tussen de voordeur en een houten lat, welke op de buitenzijde van de deurstijl gemonteerd was en - met een breekijzer en/of een schroevendraaier heeft/hebben gewrikt in de naad tussen de voordeur en het deurbeslag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. primair: hij op 31 maart 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, uit de woning aan de [adres delict 3] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere sieraden en USD 400,00 en ponden en dirhams ter waarde van 100,00 euro en een sporttas en een creditcard van de PNC bank, toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), zich de toegang tot de plaats van het misdrijf en die weg te nemen goederen en dat weg te nemen geld onder hun bereik hadden gebracht door het forceren en afbreken van de voordeur van genoemde woning. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; 2. poging tot diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak; 3. primair: diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en handel en gebruik ervan leveren op vele wijzen schade op voor de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte in vereniging met anderen een diefstal door middel van braak gepleegd en een poging daartoe. De verdachte heeft door aldus te handelen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen. Hij heeft voor veel overlast gezorgd, in het bijzonder ook omdat door de daders bij deze inbraken veel schade is toegebracht om zich de toegang tot die woningen (proberen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.